Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/9.3.1
9.3.1 Fictief aanmerkelijk belang wordt aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454152:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs erop dat het mijns inziens niet mogelijk is om via een fictief aanmerkelijk belang bij een bloed- of aanverwant in de rechte lijn door de werking van de afgeleid aanmerkelijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB in de aanmerkelijkbelangregeling terecht te komen. Zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.4.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 22 en blz. 70. In dezezin tevens H.J. Hofstra^/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand-en studieboeken nr. 2, 5e druk, 1998, blz. 391, Kluwer, Deventer. In dezelfde zin onder de oude aanmerkelijkbelangregeling T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 178-179, Kluwer, Deventer, 1993 en R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, academisch proefschrift, blz. 240-241, Kluwer, Deventer, 1996. J.E.A.M. van Dijck verdedigde onder de oude aanmerkelijkbelangregeling echter dat het fictieve aanmerkelijk belang bleef bestaan naast het 'echte' aanmerkelijk belang, waarbij het fictieve aanmerkelijk belang ziet op de aanmerkelijkbelangclaim die aanwezig was ten tijde van de fusie en het 'echte' aanmerkelijk belang op al hetgeen zich boven de fusiekoers afspeelt, J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling. Fed fiscale brochures, blz. 228-229, Fed, Deventer, 1995. In vergelijkbare zin A.J. Engelberts, Fusies, Belastingbeschouwingen maart 1960.
Het is mogelijk dat een fictief aanmerkelijk belang evolueert tot een 'echt' of afgeleid aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a, derde of vijfde lid, Wet IB. Dit is het geval als de fictief aanmerkelijkbelanghouder dan wel zijn echtgenoot of hun bloed- of aanververwanten in de rechte lijn aandelen of kwalificerende winstbewijzen of koopopties in de vennootschap (bij)kopen.1 Alsdan verdwijnt als het ware de fictieve aanmerkelijkbelangclaim en treedt het normale aanmerkelijkbelangregime weer in werking.2 Evenals dat het geval is in de situatie waarin geen aanmerkelijk belang evolueert tot een aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a Wet IB, in welke situatie de historische tegenprestatie bij de verkrijging van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen wordt doorgeschoven (met als maximum de waarde in het economische verkeer, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4), geldt dit a fortiori voor aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen waarop reeds een, zij het gemaximeerde, aanmerkelijkbelangclaim rust. Art. 20c, vijfde lid, tweede volzin, Wet IB bepaalt dit met zoveel woorden. Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling ontstond in een dergelijke situatie nog een uit verschillende verkrijgingsprijzen opgebouwd aanmerkelijkbelangpakket (aandeeltheorie), onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling wordt ingevolge art. 20c, derde lid, tweede volzin, Wet IB uitgegaan van een gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel. Worden vervolgens aandelen of winstbewijzen vervreemd door hetzij de belastingplichtige zelf hetzij zijn echtgenoot of hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn waardoor bij de belastingplichtige niet langer wordt voldaan aan de (kwantitatieve) criteria van art. 20a, derde of vijfde lid, Wet IB, hetgeen ingevolge art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB als een (fictieve) vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling wordt beschouwd (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.8) dan ontstaat opnieuw een fictief aanmerkelijk belang (art. 20e, tweede lid, Wet IB).9