CBb, 14-04-2026, nr. 23/1332
ECLI:NL:CBB:2026:153
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
23/1332
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2026:153, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14‑04‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Wetingang
Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Randvoorwaardenkorting GLB i.v.m. niet in acht nemen voorgeschreven wachttijd bij slacht na toegediend diergeneesmiddel. Wachttijd begint te lopen op dag na toediening.
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1332
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] (maatschap)
(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels)
Procesverloop
Met het besluit van 21 februari 2023 (kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op alle door de maatschap voor het jaar 2022 aangevraagde subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).
Met het besluit van 11 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft, dat het onderzoek is gesloten en dat uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
Inleiding
1.1
Met de Gecombineerde opgave 2022 heeft de maatschap gevraagd om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling.
1.2
Op 24 februari 2022 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een melding ontvangen over het rund met ID-code NL [nummer] . Dit rund is op 18 februari 2022 door de maatschap ter slacht aangeboden. Op het slachthuis is door de keuringsarts aan de hand van het aangeleverde formulier Voedselketeninformatie (VKI) vastgesteld dat het dier zich in de laatste dag van de wachttermijn van het op 10 februari 2022 toegediende diergeneesmiddel Planipart bevond. Op dit VKI-formulier staat dat het dier op 10 februari 2022 behandeld is met het diergeneesmiddel Planipart en dat op 18 februari 2022 het einde van de wachttermijn is. Vervolgens is op diezelfde dag een tweede VKI-formulier toegestuurd waarop staat dat de laatste dag van toediening van het diergeneesmiddel Planipart 9 februari 2022 is en dat op 17 februari 2022 het einde van de wachttermijn is. Naar aanleiding van de melding heeft de toezichthouder van de NVWA het visiteformulier opgevraagd bij [naam 2] . In dit document staat dat op 10 februari 2022 Planipart is toegediend. Op 9 mei 2022 heeft de maatschap tijdens een bedrijfsbezoek de toezichthouder een logboekformulier laten inzien waarin staat dat het rund op 10 februari 2022 met Planipart (registratienummer REG NL 116468) is behandeld. Dit diergeneesmiddel kent voor Vlees & Slachtafval een wachttermijn van acht dagen. De toezichthouder heeft vastgesteld dat de wachttijd voor slacht van het rund niet in acht is genomen. De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 augustus 2022 (rapport).
1.3
Met de brief van 8 november 2022 heeft de minister de maatschap laten weten het voornemen te hebben een korting van 3% toe te passen op alle voor 2022 aangevraagde GLB-subsidies, omdat uit controle is gebleken dat de maatschap niet aan alle randvoorwaarden heeft voldaan. De maatschap heeft een zienswijze op het voornemen gegeven.
2.1
Met het kortingsbesluit heeft de minister aan de maatschap een randvoorwaardenkorting opgelegd van 3% op alle in het jaar 2022 aangevraagde GLB-subsidies, omdat de maatschap het verbod heeft overtreden om landbouwhuisdieren in de handel te brengen waarbij de voorgeschreven wachttermijn van een (toegediend) diergeneesmiddel niet in acht is genomen.
2.2
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft daartoe het volgende uiteengezet. In artikel 108 van Verordening (EU) nr. 2019/6 Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 staat voorgeschreven dat houders van voedselproducerende dieren een register bijhouden van de geneesmiddelen die zij gebruiken. Deze registers omvatten onder andere de datum waarop het geneesmiddel voor het eerst aan de dieren is toegediend. Het specifieke tijdstip wordt dus niet vermeld. Daarom speelt het tijdstip voor het berekenen van de wachttijd geen rol. Voor het berekenen van de wachttijd wordt de laatste dag van de behandeling aangemerkt als dag nul. Het slachten mag vervolgens pas plaatsvinden op de dag na de laatste dag van de wachttermijn. In dit geval betekent dit dat de dag van behandeling van de betreffende koe, 10 februari 2022, dag nul is. Dat betekent dat 18 februari 2022 dag acht was, de laatste dag van de wachttermijn. De koe mocht dus op zijn vroegst op 19 februari 2022 ter slacht worden aangeboden. Door de koe al op 18 februari 2022 ter slacht aan te bieden, heeft de maatschap de voorgeschreven wachttijd niet in acht genomen. De minister is op grond van de wet- en regelgeving gehouden een korting toe te passen indien wordt geconstateerd dat een landbouwer een bepaalde randvoorwaarde niet heeft nageleefd. Deze korting staat los van een eventuele boete die is opgelegd. Op grond van de toepasselijke Europese regels is een korting van 3% toegepast.
Standpunten van partijen
3.1
De maatschap voert aan dat zij een wachttijd van acht maal vierentwintig uur in acht heeft genomen tussen het tijdstip van toediening van het geneesmiddel en het tijdstip van de slacht. Zij stelt dat zij daarmee de geldende wachttijd in acht heeft genomen. De maatschap meent dat zij dubbel wordt gestraft doordat zowel een bestuurlijke boete als een korting is opgelegd. De maatschap acht dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat.
3.2
De minister stelt zich op het standpunt dat voor het berekenen van de wachttermijn het tijdstip van de laatste toediening van een diergeneesmiddel niet relevant is. Het gaat bij de wachttijd om dagen, niet om etmalen. De wachttijd is niet in acht genomen. De minister is dan volgens het Europese recht gehouden een randvoorwaardenkorting op te leggen. Voor een belangenafweging is daarbij geen ruimte. Van dubbele bestraffing is geen sprake, omdat een randvoorwaardenkorting geen strafsanctie is.
Beoordeling van het beroep
4.1
Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Op grond van deze bepalingen is de betaling van het volledige bedrag van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk gesteld van de naleving van de randvoorwaarden. Bij niet-naleving daarvan wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.
4.2
De in bijlage II bij Verordening 1306/2013 genoemde beheerseis 4 (RBE 4) verwijst, voor zover hier van belang, naar artikel 17, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002. In artikel 17, eerste lid, van Verordening 178/2002 is – kort gezegd – bepaald dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat de levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd. Verder wordt in noot 3 van die beheereis verwezen naar Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009.
4.3
De beheerseis die volgens de minister niet is nageleefd, ziet op gezondheid (voedselveiligheid) en is in Nederland uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3 bij de Uitvoeringsregeling (RBE 4.20). Onder RBE 4.20 – gebruik diergeneesmiddelen – wordt, voor zover van belang, verwezen naar artikel 25 van de Wet dieren, artikel 2.8 van het Besluit houders van dieren en artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder c van de Regeling diergeneesmiddelen 2022.
4.4
Op grond van artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022, in verband met artikel 25 van de Wet dieren en artikel 8.5 van het Besluit diergeneesmiddelen, zoals dat besluit gold ten tijde van de overtreding, is het verboden landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren in de handel te brengen waarvoor in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten de daarvoor voorgeschreven wachttijd niet in acht is genomen.
4.5
In artikel 4, aanhef en onder 34, van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 is bepaald dat voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder „wachttijd”: de minimumtermijn die, onder normale gebruiksomstandigheden, moet verstrijken tussen enerzijds de laatste toediening van het diergeneesmiddel aan een dier en anderzijds de productie van levensmiddelen die van dit dier afkomstig zijn teneinde te waarborgen dat die levensmiddelen geen residuen bevatten in hoeveelheden die schadelijk zijn voor de volksgezondheid.
4.6
In artikel 108, eerste lid, van Verordening 2019/6 is bepaald dat de eigenaars of– wanneer de dieren niet worden gehouden door de eigenaars – de houders van voedselproducerende dieren registers bijhouden van de geneesmiddelen die zij gebruiken en, indien van toepassing, een kopie van het diergeneeskundig voorschrift. In het tweede lid, aanhef en onder a, is onder meer bepaald dat de in lid 1 bedoelde registers de datum omvatten waarop het geneesmiddel voor het eerst aan de dieren is toegediend.
4.7
Niet in geschil is dat de wachttijd voor het diergeneesmiddel Planipart (registratienummer REG NL 116468) voor de slacht acht dagen is. Aan de orde is de vraag wat onder wachttijd moet worden verstaan: acht dagen vanaf de dag van toediening of acht maal vierentwintig uur vanaf het tijdstip van toediening. Het College volgt het standpunt van de minister dat het tijdstip van toediening niet relevant is en dat dus moet worden uitgegaan van hele dagen, waarbij de dag van toediening dag nul is. In artikel 108, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 2019/6 staat duidelijk dat in het geneesmiddelenregister alleen de datum van toediening van het geneesmiddel moet worden vermeld, en niet ook het tijdstip. Indien alleen de datum van het geneesmiddel wordt geregistreerd en het tijdstip van toediening niet, dan moet de dag van toediening worden beschouwd als dag nul. Een diergeneesmiddel kan namelijk gedurende de hele dag gegeven zijn, ook helemaal aan het einde van de dag. De wachttijd begint dan pas te lopen op de dag na de toediening. Voor de uitleg van de maatschap, dat het moet gaan om acht maal vierentwintig uur na het tijdstip van toediening, biedt de tekst van artikel 4, aanhef en onder 34, noch de tekst van artikel 108, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 2019/6 aanknopingspunten. Het College heeft geen aanwijzingen dat de context van die bepalingen, noch de doelstellingen die met Verordening 2019/6 worden nagestreefd, waaronder het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid, wel tot de door de maatschap voorgestane uitleg zou moet leiden. Overigens dient ook op het Formulier Voedselketeninformatie slachtrunderen alleen de datum van toediening te worden ingevuld.
4.8
Dat aan de maatschap ook een boete is opgelegd voor het niet in acht nemen van de wachttijd, betekent niet dat sprake is van een dubbele bestraffing. Een randvoorwaardenkorting is namelijk geen strafsanctie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in bestendige jurisprudentie geoordeeld dat sancties op grond van verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet strafrechtelijk van aard zijn (zie onder andere het arrest van 5 juni 2012 in de zaak C 489/10, Bonda, ECLI:EU:C:2012:319). De hier opgelegde randvoorwaardenkorting is dus niet strafrechtelijk van aard. Om die reden is er geen sprake van een dubbele bestraffing van dezelfde overtreding, zodat er geen sprake is van schending van artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin het ne bis in idem-beginsel is neergelegd.
4.9
Voor zover de maatschap aanvoert dat zij door de korting van 3% onevenredig zwaar wordt getroffen en daarmee een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 3:4 van de Awb, oordeelt het College dat dit beroep niet slaagt. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt op grond van het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Bedoelde beperking vloeit in dit geval voort uit de artikelen 97 en 99 van Verordening 1306/2013 in samenhang met de artikelen 38 en 39 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 . Op grond van die artikelen is de minister gehouden om een randvoorwaardenkorting van in de regel 3% vast te stellen en deze te verlagen of te verhogen in geval van verlichtende of verzwarende omstandigheden. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College 8 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:81). De artikelen 38 en 39 van Verordening 640/2014 voorzien immers in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel, waarbij al rekening is gehouden met eisen van proportionaliteit en evenredigheid.
Slotsom
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. M.L. Bosman