Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.2.3:6.2.3 Beperkte derdenbescherming
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.2.3
6.2.3 Beperkte derdenbescherming
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480540:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
247. De opzet van art. 3:97 lid 2 BW brengt voorts mee dat een latere verkrijger bij voorbaat in beginsel geen bescherming geniet tegen een eerdere levering bij voorbaat waarvan hij het bestaan niet wist of behoorde te weten. In de onderlinge verhouding tussen meerdere verkrijgers bij voorbaat speelt bescherming tegen een eerdere levering bij voorbaat als uitgangspunt geen rol. Doordat art. 3:97 lid 2 BW aan de latere levering bij voorbaat de werking ontneemt ten opzichte van de eerdere verkrijging bij voorbaat, kan de latere verkrijger zich niet tegenover de eerdere verkrijger beroepen op een geldige levering. De toepassing van de art. 3:86, 3:88 en 3:238 BW stuit reeds af op deze relativering van de levering, nu de latere verkrijger zich tegenover de eerdere verkrijger ten minste moet kunnen beroepen op een geldige levering. 1 De gerelativeerde werking van een levering bij voorbaat verhindert daarnaast dat een latere verkrijger zich tegenover een eerdere verkrijger kan beroepen op een verkrijging door verjaring.
Op vergelijkbare voet als art. 3:90 lid 2 BW bevat art. 3:97 lid 2, tweede zin, BW echter een nuancering voor roerende zaken die alsnog in handen van de latere verkrijger komen. Komt een bij voorbaat geleverde roerende zaak in handen van een latere verkrijger, dan heeft de levering aan hem vanaf dat tijdstip volledige werking, ook ten opzichte van degene aan wie eerder dan hemzelf bij voorbaat was geleverd. De relativering van het effect van de latere levering bij voorbaat komt daarmee ten einde. Dit betekent dat de latere verkrijger bescherming kan ontlenen aan art. 3:86 of 3:238 BW, mits hij op het tijdstip dat de zaak in zijn handen komt nog te goeder trouw is omtrent het recht van de eerdere verkrijger.2 Mocht het beroep op art. 3:86 of 3:238 BW stranden wegens het ontbreken van goede trouw, dan heeft het einde van de relativering tot gevolg dat de verkrijger nog via verkrijgende verjaring ex art. 3:105 (en 3:106) BW uiteindelijk (onbezwaard) eigenaar of pandhouder kan worden van de zaak.
De nuancering voor roerende zaken in art. 3:97 lid 2 BW is geen uitzondering op de hiervoor besproken prioriteitsregel. Degene aan wie eerder bij voorbaat is geleverd, zal de zaak verkrijgen. De uitzondering op het gerelativeerde effect van een latere levering bij voorbaat, maakt slechts een beroep op derdenbescherming (of verjaring) mogelijk vanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de latere verkrijger komt. Dit betekent ook dat indien de zaak in handen van de latere verkrijger mocht zijn gekomen voordat de vervreemder de zaak zelf heeft verworven, de latere levering bij voorbaat geen prioriteit verkrijgt en de latere verkrijger de zaak niet zonder toepassing van art. 3:86 BW kan verkrijgen.3