Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.4.3:II.4.4.3 Tussenconclusie
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.4.3
II.4.4.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625077:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248, NJ 1998/362.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de goederenrechtelijke overeenkomst is vereist dat het over te dragen goed voldoende is bepaald. Is voor de levering van een goed een akte voorgeschreven, dan ligt hierin besloten dat ten tijde van de levering het over te dragen goed in de akte met voldoende bepaaldheid is omschreven. Dit met het oog op de rechtszekerheid in het rechtsverkeer. Het dient voor derden aan de hand van de levering duidelijk te zijn of een goed al dan niet is overgedragen en tot wiens vermogen het behoort. Vandaar dat vereist wordt dat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld welk goed overgedragen wordt. Hierbij kan het van de aard van het desbetreffende goed afhangen in welke mate bepaaldheid is geëist. Zo vereist de aard van een registergoed, in het kader van de levering, een strikter bepaaldheidsvereiste dan de aard van een vordering op naam (zie subparagraaf 4.4.2.3 en 4.4.2.4). Voor de levering (of verpanding, art. 3:98 BW) van vorderingen op naam is namelijk voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat, dat eventueel achteraf, aan de hand van de akte kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Het is dan ook niet nodig dat de vordering in de akte zelf moet zijn gespecificeerd. Het bepaaldheidsvereiste voor de cessie of verpanding van vorderingen (art. 3:98 BW) kan dus soepel worden opgevat, in die zin dat bepaalbaarheid volstaat.
Deze bepaalbaarheid die geldt voor cessie of verpanding van vorderingen is evenwel van andere orde dan de bepaalbaarheid van art. 6:227 BW, waarin het is toegestaan dat de vaststelling naar van te voren vaststaande criteria geschiedt, die ook een subjectief element kunnen inhouden. Zo kan de nadere vaststelling van de inhoud van een overeenkomst ook aan een derde worden opgedragen of aan een van de partijen. De bepaalbaarheid die geldt voor de goederenrechtelijke overeenkomst dient daarentegen nader geconcretiseerd te worden aan de hand van objectieve gegevens.1 Voor een nadere vaststelling aan de hand van subjectieve elementen (partijbedoeling, of oordeel van deskundige) is dan ook geen plaats.
Zoals gezegd hangt de rechtvaardiging hiervan samen met de aard van het goederenrecht en de daarin gelegen derdenwerking. Derden dienen duidelijk te weten welk goed tot wiens vermogen behoort. Het bepaaldheidsvereiste dient met andere woorden de rechtszekerheid in het rechtsverkeer. Maar dient aan dit argument wel zo zwaar gewicht te worden toegekend?
Met name als dit argument ‘losgekoppeld’ wordt van ‘de overdracht’ als bedoeld in art. 3:84 BW en geplaatst wordt in erfrechtelijke sferen kan de vraag worden gesteld of aan het bezwaar van rechtsonzekerheid in het rechtsverkeer niet op een bepaalde manier tegemoet kan worden gekomen. Ik ga hier nader op in, in paragraaf 5.2.2.4.