Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.5:6.4.5 Het gezag van private adviseurs
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.5
6.4.5 Het gezag van private adviseurs
Documentgegevens:
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS612259:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 21 mei 1968, NJ 1969, 175.
Ec. pol.r. Breda 14 juni 1972, NJ 1973, 32.
HR 13 januari 1987, NJ 1987, 863.
Vellinga 1982, p. 195.
Strijards 1983, p. 59-62.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hoedanigheid van de informatieverschaffer is van groot belang bij de beoordeling van het gezag van de informatieverstrekker. Op bevoegd gezag zoals een overheidsinstelling, mag in beginsel eerder worden vertrouwd dan op informatie van private partijen. Voor de beantwoording van de privaatrechtelijke hoofdvraag van dit proefschrift is de dwaling door onjuiste informatie van het bevoegde gezag minder interessant. Ik concentreer mij daarom in het vervolg van dit hoofdstuk op informatie van anderen dan het bevoegde gezag. In het bijzonder komt het vertrouwen op informatie van advocaten aan de orde.
De rechterlijke macht liep aanvankelijk niet warm voor de aanvaarding van dwaling die is ingegeven door vertrouwen op informatie van niet-overheidsfunctionarissen. In een zaak uit 1968 kan wellicht een voorzichtige versoepeling in die grondhouding worden ontwaard, althans bij de AG.1 De verdachte werd vervolgd wegens het uitoefenen van een bedrijf in ambulante melkhandel terwijl hij daarvoor geen vestigingsvergunning had. Hij stelde dat hij op grond van mededelingen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken meende de eerste twee jaar geen vestigingsvergunning nodig te hebben. De Hoge Raad casseerde omdat de politierechter de verwerping van het verweer van de verdachte niet met redenen had omkleed. AG Kist ging inhoudelijk in op het verweer van de verdachte. Hij concludeerde:
`Waar nu de Kamer van Koophandel en Fabrieken een orgaan is, dat bij uitstek deskundig geacht mag worden t.a.v. wat al of niet wettelijk geoorloofd is op het gebied van de Vestigingswet Bedrijven 1954, zou m.i. aan rekw., indien hem inderdaad een mededeling als door hem beweerd, zou zijn gedaan, geen enkel verwijt kunnen worden gemaakt.'
De informatieverstrekker was in casu niet de wetgever of een wetshandhaver. Van een zuiver private informatieverstrekker was echter ook geen sprake, gezien de publiekrechtelijke taak van de Kamers van Koophandel en Fabrieken. Het zou nog enige tijd duren voordat een beroep op rechtsdwaling wegens vertrouwen op privaat advies werd aanvaard. In 1972 verwierp de economische politierechter te Breda nog vrij categorisch een beroep op dwaling wegens onjuiste informatie verstrekt door een advocaat:
`Wanneer iemand omtrent een wettelijk voorschrift inlichtingen vraagt bij een overheidsinstantie die bij de handhaving van deze voorschriften rechtstreeks is betrokken, zoals in het onderhavige geval de politie, mag hij op de verkregen inlichtingen afgaan. Blijken deze onjuist te zijn, dan kan hem dat niet verweten worden.
Ditzelfde geldt echter niet ten aanzien van adviezen, gegeven door een advocaat. Deze immers moge deskundig zijn op bepaalde terreinen, hij is een particulier die adviezen geeft. De juistheid van deze adviezen is een zaak, waarvoor degene die ze vraagt en gebruikt, in het algemeen aansprakelijk blijft. Zijn de adviezen achteraf onjuist gebleken, dan kan men zich niet ter verontschuldiging daarop beroepen.'2
Pas in 1987 aanvaardde de Hoge Raad expliciet de verschoonbaarheid van rechtsdwaling wegens vertrouwen op onjuist advies van een niet-gezagsbekleder. De verdachte had in het zicht van faillissement goederen aan de boedel van een bv onttrokken (art. 341 sub 1 Sr). Hij stelde zich daarbij te hebben verlaten op zijn adviseurs, onder wie een rechtsgeleerd raadsman. De Hoge Raad overwoog daaromtrent ambtshalve:
`(...) [D]e omstandigheid dat het (...) niet gaat om het advies van een functionaris die op het onderhavige terrein met een overheidstaak is belast, wettigt op zichzelf niet de gevolgtrekking dat het verweer reeds daarom moet worden verworpen.'3
Vellinga verdedigde dit in 1982 al in zijn proefschrift. Volgens hem gaat het er bij rechtsdwaling om of de verdachte voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen met het oog op de benodigde kennis van de strafbepalingen. Indien men een persoon of instantie raadpleegt, is diens deskundigheid doorslaggevend, niet het feit of deze persoon of instantie deel uitmaakt van het overheidsapparaat.4 Ook Strijards huldigde dit standpunt al voordat de Hoge Raad het innam.5 Volgens hem zou het 'zeer bepaald' onjuist zijn om slechts aan de overheidsinstellingen voldoende verschonende autoriteit toe te kennen.
Sinds kort is de persoon van de adviseur slechts een van de aspecten die in ogenschouw moet worden genomen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een advies. Ik bespreek deze nieuwe lijn in de jurisprudentie in de volgende paragraaf.