Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.3
5.3 Rechtsvormkeuze
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633577:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bij de totstandkoming van het huidige BW is dit nadrukkelijk bepaald, zie daarvoor Handelingen II OCV/UCV 1987-88, 18 november 1987, p. 14-25.
Zie r.o. 5 van Hof Den Haag 13 december 1984, zoals te vinden in HR 31 oktober 1986, (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1987, 173.
Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 11; zie hierover Santing-Wubs 2012, p. 16.
Pel 2013, p. 106, 107; Van Bijsterveld 2018, p. 91; Santing-Wubs 2002, p. 17.
Van der Ploeg 2014, p. 383.
Van Kooten 2017, p. 300, 304.
Vleugel 2018, p. 266; Van Kooten 2017, p. 201; Pel 2013, p. 132; Santing-Wubs 2012, p. 16: het woord ‘kerk’ betekent namelijk ‘van de Heer’, die op Jezus Christus duidt; Van der Ploeg 2012, p. 82.
Van Kooten 2017, p. 197.
Van Kooten 2017, p. 202, 203.
Pel 2013, p. 97, 130-134, die in artikel 2:2 BW de term religieuze gemeenschap wil introduceren als een tweede, juridisch gelijkwaardige categorie rechtspersonen naast het kerkgenootschap, dat hij kerkgemeenschap noemt. De term kerkgemeenschap reserveert hij voor christelijke en joodse godsdiensten en de term religieuze gemeenschap voor overige religies. Deze nevenschikking zou volgens hem het huidige religieuze pluralisme het meest recht doen.
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 422.
Van der Ploeg 2012, p. 95.
Van der Ploeg 2014, p. 384.
Van der Ploeg 2014, p. 384.
Van der Ploeg 2014, p. 384.
Van Bijsterveld 2018, p. 91.
Oldenhuis e.a. 2007, par. 5.2, p. 8o (digitale versie).
Kamerstukken II 1987/88, 17725, nr. 13, p. 7, 9. Handelingen II OCV/UCV 1987-88, 18 november 1987, p. 14-18,
Handelingen II OCV/UCV 1987-88, 18 november 1987, p. 14-19.
Kamerstukken II 1987/88, 17725, nr. 13, p. 9.
Kamerstukken II 1987/88, 17725, nr. 13, p. 7.
Van Kooten 2017, p. 188.
Van Kooten 2017, p. 229, 230.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 28, 29.
Zoals gezegd kunnen rsl-gemeenschappen kiezen uit de rechtsvormen kerkgenootschap (alleen voor geloofsgemeenschappen), vereniging en stichting. Kerkgenootschap als rechtsvorm staat in principe open voor alle geloofsgemeenschappen, ook die van andere dan de christelijke en joodse godsdienst.1 Zo overwoog Hof Den Haag dat “gezien de huidige multiculturele samenleving van ons land en de in art. 6 Gr.w en diverse internationale verdagen verankerde gelijkheid van alle godsdiensten tegenover de Staat ook aan de aanhangers van andere dan de christelijke en joodse godsdienst het recht toekomt zich op voormeld artikel [bedoeld is artikel 2:2 BW, M.T-Y] te beroepen.”2 Ook de wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling van artikel 2:2 BW duidelijk afstand genomen van een beperking tot de christelijke en joodse kerkgenootschappen.3
In de praktijk hanteren sommige religieuze gemeenschappen – met name andere dan christelijke en joodse geloofsgemeenschappen, zoals islamitische en boeddhistische gemeenschappen – de privaatrechtelijke rechtsvormen vereniging en stichting.4 De drijfveren voor die keuze zijn velerlei. Zo kiezen volgens Van der Ploeg sommige geloofsgemeenschappen daarvoor omdat ze dan niet met de vraag zitten of ze voldoen aan de niet in de wet vastgelegde maar in de rechtspraak en doctrine ontwikkelde eisen van de rechtsvorm kerkgenootschap.5 Vooral relatief onbekende geloofsgemeenschappen, zoals migrantenkerken, ervaren dat de rechtsvormen vereniging en stichting in het civiele rechtsverkeer meer duidelijkheid en zekerheid bieden over de vertegenwoordigingsbevoegdheid dan de rechtsvorm kerkgenootschap.6 Voor andere religieuze gemeenschappen, met name van niet-joodse en niet-christelijke signatuur, heeft het begrip kerkgenootschap een te sterke christelijke associatie.7
Gezien de toenemende diversiteit aan religieuze stromingen die inmiddels in Nederland zijn vertegenwoordigd, zowel alle wereldgodsdiensten als nieuwe religieuze bewegingen die geworteld zijn in niet-christelijke en niet-joodse religies, is de in de jurisprudentie ontwikkelde en gehanteerde definitie van kerkgenootschap volgens Van Kooten aan herziening toe.8 Die definitie is immers gebaseerd op de omschrijving van Duynstee die uit 1935 dateert. Van Kooten pleit voor de meer inclusieve term religieus instituut.9 Andere alternatieven voor de term kerkgenootschap in de literatuur zijn religieuze gemeenschap,10 godsdienst-rechtspersoon11 of geloofsgemeenschap.12
Ook kan het zijn dat een religieuze groepering geen rechtspersoonlijkheid wenst voor de geloofsgemeenschap als geheel, maar slechts een rechtsvorm kiest, bijvoorbeeld een stichting, voor het onderbrengen van het vermogen, zoals bij een moskee. De statuten van de stichting kunnen dan bepalen dat een bepaald orgaan van de geloofsgemeenschap de bestuurders benoemt en ontslaat. Van der Ploeg ziet in een dergelijke constructie het gevaar dat er een te los verband bestaat tussen de geloofsgemeenschap zonder rechtspersoonlijkheid en de door haar gehanteerde rechtspersoon.13
Als laatste reden voor de keuze van privaatrechtelijke rechtsvormen noemt Van der Ploeg ‘het onderbrengen van extern gerichte activiteiten, zoals welzijnswerk, scholen, gezondheidscentra en verzorgingsinstellingen’.14 Deze privaatrechtelijke rechtsvormen, veelal een stichting, hoeven geen onderdeel van de geloofsgemeenschap uit te maken. Als voordelen van deze rechtsvormen ziet Van der Ploeg dat deze zich explicieter kunnen focussen op een bredere doelgroep dan de eigen gelovigen, dat het minder omstreden is als een stichting voor haar activiteiten overheidssubsidie ontvangt dan een kerkgenootschap en dat binnen de organisatie van een stichting samenwerking op gelijkwaardige voet met buitenstaanders mogelijk is in tegenstelling tot het kerkgenootschap.15
Tussen 1976 en 1992 bestond in het BW (art. 2:18 BW oud) naast het kerkgenootschap de rechtsvorm ‘ander genootschap op geestelijke grondslag’ voor levensbeschouwelijke of bezinningsorganisaties, maar deze rechtsfiguur is in 1992 geschrapt uit de wet omdat die in de praktijk niet werkte.16 Zo bleek dat de criteria onduidelijk waren, de grenzen van een levensovertuiging veel lastiger te trekken waren dan de grenzen van een religie en dat entiteiten op levensbeschouwelijke grondslag zich toch al veelal bedienden van de rechtsvorm stichting of vereniging.17 De minister van Justitie achtte deze schrapping niet in strijd met artikel 6 GW, want dit artikel waarborgt weliswaar de gelijkwaardigheid van godsdienst en levensovertuiging (het op gelijke voet belijden van de godsdienst en de levensovertuiging), maar dit betekent niet dat de betreffende entiteiten qua organisatiestructuur of organisatievorm gelijk moeten zijn.18 Kerkgenootschappen hebben zich namelijk lang voor de invoering van het BW los van de staat ontwikkeld als een rechtsvorm sui generis (‘eigen in zijn soort’) en passen niet in de organisatiestructuren van het BW, aldus de minister van Justitie.19 Die bijzondere, historisch gegroeide positie geldt alleen voor kerkgenootschappen, niet voor kerkelijke, confessionele, godsdienstige en levensbeschouwelijke organisaties in het algemeen.20 Bovendien zijn volgens de minister van Justitie de voorschriften in het BW voor verenigingen en stichtingen niet van dien aard dat ze de andere genootschappen op geestelijke grondslag in de realisering van hun doelstellingen en werkzaamheden belemmeren.21
Van Kooten vindt dat de wetgever hiermee voorbijgaat aan het feit dat met de nevenstelling van godsdienst en levensbeschouwing in artikel 6 GW bij de grondwetsherziening van 1983 werd aangegeven dat de verworven vrijheden van de belijders van godsdienst ook toekwamen aan de belijders van een levensbeschouwing.22 Deze nevenschikking is in overeenstemming met artikel 9 EVRM, dat voor belijders van een overtuiging een gelijke bescherming waarborgt als voor belijders van een godsdienst. Van Kooten pleit dan ook voor een rechtsvorm die een gelijke mate van inrichtingsvrijheid en bescherming biedt aan zowel godsdienstige als levensbeschouwelijke gemeenschappen.23 Dit is een terecht punt van kritiek. Zoals ook uit hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief bleek, is die nevenschikking volgens de parlementaire geschiedenis immers van staatsrechtelijke aard en beoogt die dat in de verhouding tot de overheid tussen godsdienst en levensovertuiging geen verschil wordt gemaakt en dat dus beide vormen van geestelijk leven staatsrechtelijk dezelfde bescherming toekomt.24 Hoewel godsdienst en levensovertuiging naar aard en gerichtheid een eigen karakter vertonen, mogen deze verschillen niet van invloed zijn op de waarborging van vrijheid, bescherming en staatsrechtelijke gelijkheid, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.25