NJB 2025/932:Vrijspraak van het zich in niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan aanranding van persoonlijke waardigheid van een of meer personen, art. 6 lid 1 aanhef en onder c WIM: vrijspraak blijft in cassatie in stand. In casu kon het hof oordelen dat de gedragingen van de verdachte en de andere strijders, hoewel respectloos, objectief gezien onvoldoende ernstig zijn om te worden aangemerkt als een ‘outrage upon personal dignity’ in de zin van het gemeenschappelijk art. 3, aanhef en onder (1) (c), Verdragen van Genève en daarom evenmin een ‘aanranding van de persoonlijke waardigheid’ als bedoeld in art. 6 lid 1, aanhef en onder c, WIM vormen. Van belang daarbij is dat de overleden personen niet als trofee zijn tentoongesteld, dat de nadruk ligt op het vieren van de overwinning en niet op het vernederen van de overleden personen en dat de lichamen van de overleden personen en hun uniformen nagenoeg onaangeroerd zijn gebleven. Het hof heeft bij het beoordelen van het handelen van de verdachte mede acht geslagen op de culturele en religieuze achtergrond van de slachtoffers. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt OM over bewijs wat deelneming aan terroristische organisatie in de pleegperiode van 11 november 2015 t/m 1 juli 2017, art. 359 lid 2 Sv: in casu is het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van het OM afgeweken door de verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.