Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.5.2
4.5.2 Grondslag vervreemdingsvoordelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456576:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens bracht dit wel dubbele belastingheffing met zich mee, indien de vennootschap deze (toekomstige) winsten uitkeerde aan de (nieuwe) aandeelhouders. In het specifieke geval van liquidatie van de vennootschap, in welk geval de genoemde dubbele belastingheffing zich eveneens kon voordoen, bevatte art. 59 (oud) Wet IB een (gebrekkig uitgewerkte) reductieregeling.
Vgl. tevens de toelichting van de staatssecretaris in zijn cassatiemiddelen bij HR 23 januari 1974, BNB 1974/132 en 133.
Overigens was art. 59 (oud) Wet IB gebrekkig uitgewerkt, zodat niet in alle gevallen een sluitend systeem werd verkregen. Zo werd de belastingreductie blijkens HR 7 maart 1973. BNB 1973/110 en HR 14 maart 1973, BNB 1973/124 bijvoorbeeld niet toegekend in geval van inkoop (ter amortisatie) van eigen aandelen door de vennootschap. Ook de situaties van sfeerovergang -aandelen die tot een (soort) aanmerkelijk belang gingen behoren of omgekeerd - waren niet adequaat uitgewerkt, zie onder meer R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, academisch proefschrift, blz. 217 e.v., Kluwer, Deventer, 1996. Deze gebrekkige uitwerking van de reductieregeling bij liquidatie bracht J.E.A.M. van Dijck ertoe te concluderen dat de karakterisering van de aanmerkelijkbelangheffing als een voorschotheffing op de liquidatie van de vennootschap niet juist is, J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 30 en blz. 34-35, Fed, Deventer, 1995.
Vgl. HR 7 juni 1972, BNB 1972/227 betreffende een agio-emissie.
Hetzelfde kan worden gezegd met betrekking tot de inkoop van eigen aandelen door de vennootschap, zij het dat de belastingreductieregeling bij liquidatie van art. 59 (oud) Wet IB onder het oude regime niet van toepassing was op een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap. Zie HR 7 maart 1973. BNB 1973/110 en HR 14 maart 1973, BNB 1973/124.
Evenals voor de grondslag van de belastingheffing over de reguliere voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen te rade moest worden gegaan bij haar voorganger, de bron 'inkomsten uit vermogen', zo moet voor de grondslag van de belastingheffing over de vervreemdingsvoordelen van aanmerkelijkbelangaandelen worden aangesloten bij haar voorganger, de oude bron 'winst uit aanmerkelijk belang'.
Hierboven is in onderdeel 4.4 aangegeven dat de oude aanmerkelijkbelangregeling kon worden gefundeerd vanuit de gedachte dat de aanmerkelijkbelanghouder een zodanige bijzondere positie inneemt ten opzichte van de vennootschap dat hij daarin in zekere mate deel heeft. Deze bijzondere positie rechtvaardigde een fiscaal tussenregime dat zich bevond tussen de ondernemer enerzijds en de aandeelhouder/belegger anderzijds en op grond waarvan ook vervreemdingsvoordelen in de belastingheffing werden betrokken. Door verkoop van de aandelen realiseert de aandeelhouder immers materieel de winstreserves van de vennootschap; de verkoopprijs reflecteert immers (mede) de in de vennootschap gereserveerde winsten. Anderzijds wordt de verkoopprijs van de aandelen niet uitsluitend bepaald door de in de vennootschap aanwezige (open) winstreserves, maar ook door de in de activa en passiva besloten liggende stille reserves en zelfs toekomstige (over)winstmogelijkheden van de vennootschap, de zgn. goodwill. De belastingheffing over winst uit aanmerkelijk belang betreft aldus tevens de in de toekomst nog te behalen winsten door de vennootschap, maar steeds werd de koppeling gelegd met de winst(reserves) van de vennootschap.1
Hieruit blijkt dat de oude aanmerkelijkbelangregeling niet los kon worden gezien van de belastingheffing op grond van de bron 'inkomsten uit vermogen'; de aanmerkelijkbelangheffing was noodzakelijk om de belastingheffing ter zake van de inkomsten uit aandelen te vervolmaken. Tijdens de parlementaire behandeling werd dan ook gesteld dat de aanmerkelijkbelangheffing in zekere zin kon worden gezien als een anticipatie op de liquidatie-uitkering van de vennootschap 2 Deze koppeling tussen de bron 'inkomsten uit vermogen' enerzijds en de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' anderzijds werd nadrukkelijk gelegd door het bepaalde in art. 39, vierde lid, laatste volzin, (oud) Wet IB, ingevolge welke bepaling de verkrijgingsprijs en de overdrachtsprijs niet lager werden gesteld dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal. Dit betekende dat van belaste opbrengsten van aandelen (nog) geen sprake was, zolang het gestorte kapitaal niet aanwezig was. Voorts kwam de samenhang met de bron 'inkomsten uit vermogen' tot uitdrukking in de belas-tingreductieregeling van art. 59 (oud) Wet IB, waaruit eveneens het voorschotkarakter van de aanmerkelijkbelangheffing bleek. In geval van liquidatie van de vennootschap resp. verkoop in het zicht van liquidatie van de vennootschap kende art. 59 (oud) Wet IB een belastingreductie toe van 20% van het verschil tussen de verkrijgingsprijs en het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte bedrag. Voor aandelenpakketten die vanaf de oprichting van de vennootschap tot aan haar liquidatie een aanmerkelijk belang hadden gevormd, werd op deze wijze uitsluitend belasting geheven over de uitgedeelde winsten en de liquidatie-uitkering. Op deze wijze werd recht gedaan aan het uitgangspunt van de belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen, t.w. dat uiteindelijk slechts belasting werd geheven over de door de vennootschap gedurende haar bestaan behaalde en uitgedeelde winsten en wel op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen'; eventuele tussentijdse aan-merkelijkbelangheffingen werden geneutraliseerd door art. 59 (oud) Wet IB.3 Voorts kan nog worden gewezen op het slot van art. 39, vierde lid, eerste lid, (oud) Wet IB dat bepaalde dat de tegenprestatie bij de vervreemding werd vermeerderd met de door de vervreemder op de aandelen ontvangen liquidatieuitkeringen, voor zover deze niet waren begrepen onder de inkomsten uit vermogen als bedoeld in art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB. Deze bepaling had tot doel om het op de voet van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB onbelast gebleven deel van de liquidatie-uitkering bij de tegenprestatie bij de vervreemding te tellen en aldus deel te laten uitmaken van de overdrachtsprijs. Ten slotte bepaalde art. 39, zesde lid (oud), Wet IB dat in geval van uitreiking van aandelen of winstbewijzen aan aandeelhouders als verkrijgingsprijs werd aangemerkt het bedrag dat ter zake van die uitreiking als inkomsten werd beschouwd. Deze bepaling refereerde aan art. 29, eerste lid, Wet IB, ingevolge welke bepaling winstbonusaandelen op het moment van uitgifte werden belast voor de nominale waarde en agiobonusaandelen buiten de belastingheffing bleven. Voor de aanmerkelijkbelangheffing bedroeg de verkrijgingsprijs van winstbonusaandelen dan ook de nominale waarde, terwijl agiobonusaandelen een verkrijgingsprijs van ƒ nihil hadden.
Wordt het oude aanmerkelijkbelangregime overzien, dan blijkt dat de oude aanmerkelijkbelangregeling in samenhang moest worden gezien met de basisconceptie die aan de belastingheffing met betrekking tot de inkomsten uit aandelen ten grondslag lag: Alleen winstreserves van de vennootschap dienden in de belastingheffing te worden betrokken, het in de vennootschap gestorte kapitaal diende buiten de belastingheffing te blijven. Dit betekende dat de aan-merkelijkbelangclaim niet hoger kon zijn dan de inkomstenuitvermogenclaim.4 Overigens paste het mijns inziens in een dergelijk systeem reeds niet om waar-de-ontwikkelingen die louter het gevolg waren van externe marktomstandigheden en die niet waren terug te voeren op de winst(reserves) van de vennootschap in de aanmerkelijkbelangheffing te betrekken.
Hoe zit dit nu met betrekking tot de vervreemdingsvoordelen in het nieuwe aanmerkelijkbelangregime? Moet de belastingheffing ter zake van vervreemdingsvoordelen in lijn worden gezien met de belastingheffing ter zake van reguliere voordelen, waarvan hiervoor reeds was geconcludeerd dat met betrekking tot deze laatste categorie een duidelijke richtlijn ontbreekt? In elk geval is de regeling van art. 39, vierde lid, laatste volzin, (oud) Wet IB met ingang van 1 januari 1997 komen te vervallen, zodat de overdrachts- en verkrijgingsprijs niet langer ten minste worden gesteld op het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal. Tevens is de belastingreductieregeling bij liquidatie van art. 59 (oud) Wet IB komen te vervallen. Ook hieruit kan worden geconcludeerd dat de koppeling met de objectieve inkomsten uit aandelen, of zo men wil de reguliere voordelen, is losgelaten. Met betrekking tot de belastingreductieregeling bij liquidatie is dit ook logisch, aangezien liquidatie van de vennootschap sedert 1 januari 1997 als een (fictieve) vervreemding wordt aangemerkt (art. 20a, zesde lid, onderdeel c, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.3). Samenloop van de belastingheffing ter zake van vervreemdingsvoordelen met de belastingheffing ter zake van reguliere voordelen doet zich dan niet langer voor.5 Voorts is het slot van art. 39, vierde lid, eerste volzin, (oud) Wet IB, op grond van welke bepaling mede tot de overdrachtsprijs werd gerekend het op de voet van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB onbelast gebleven deel van de liquidatie-uitkering, in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling komen te vervallen. Ook dit is logisch, nu de regeling van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB niet langer van toepassing is op de aanmerkelijkbelanghouder. De enige regeling die onder de vervreemdingsvoordelen is overgenomen uit het oude regime, betreft de regeling van art. 39, zesde lid, (oud) Wet IB in het nieuwe art. 20c, achtste lid, Wet IB. Ingevolge deze bepaling wordt in geval van uitreiking van aandelen of winstbewijzen aan aandeelhouders als tegenprestatie aangemerkt het bedrag dat ter zake van die uitreiking als dividend of regulier voordeel wordt aangemerkt (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.1), zodat met betrekking tot winstbonus- en agiobonusaandelen het oude regime is gecontinueerd. Een dergelijke regeling is ook nodig, aangezien winstbonusaandelen blijkens art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB ook onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime nog steeds voor de nominale waarde worden belast en agiobonusaandelen buiten de belastingheffing blijven (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.2). Om dan geen dubbele belastingheffing te verkrijgen, moet de verkrijgingsprijs van de uitgereikte winstbonus- en agiobonusaandelen ten minste worden gesteld op hetgeen in een eerder stadium als regulier voordeel in de belastingheffing is betrokken. Deze regeling is dus meer een noodzakelijk gevolg van een onzuivere regeling van met name de winstbonusaandelen in art. 20b, eerste lid, onderdeel a. Wet IB dan dat hieraan voor de grondslag van de vervreemdingsvoordelen principiële betekenis moet worden toegekend.
Dit betekent dat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de grondslag van de belastingheffing over vervreemdingsvoordelen niet langer kan worden gefundeerd op de belastingheffing over reguliere voordelen. In zoverre staan beide heffingen afzonderlijk naast elkaar. Was in het oude aanmerkelijkbelangregime een duidelijke samenhang aanwezig tussen de belastingheffing ter zake van de inkomsten uit aandelen en de aanmerkelijkbelangheffing, in die zin dat de aanmerkelijkbelangclaim niet groter was dan de inkomstenuitvermogen-claim, in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is deze samenhang tussen de reguliere voordelen en de vervreemdingsvoordelen verbroken. Gelet op het feit dat met ingang van 1 januari 1997 alle objectieve elementen uit de belastingheffing ter zake van de vervreemdingsvoordelen zijn verdwenen - met uitzondering van de regeling van art. 20c, achtste lid, Wet IB die zich slechts laat verklaren uit de in een subjectief regime onterechte instandhouding van art. 29, eerste lid, Wet IB in art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB - kan worden geconcludeerd dat de belastingheffing over vervreemdingsvoordelen wel volledig op subjectieve leest is geschoeid. De categorie vervreemdingsvoordelen betrekt steeds in de belastingheffing het verschil tussen de (subjectieve) overdrachtsprijs en de (subjectieve) verkrijgingsprijs, zonder dat hierbij het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal een rol speelt. Het regime ter zake van de vervreemdingsvoordelen is aldus consistent gesubjectiveerd, waar het regime ter zake van de reguliere voordelen nog duidelijk rudimenten van het oude objectieve systeem bevat. Dit blijkt tevens uit het feit dat onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime ook een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat als op het gestorte kapitaal van de vennootschap wordt ingeteerd. Onder het oude aanmerkelijkbelangregime was dit ondenkbaar.