Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.8
8.8 Schuld en opzet
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Adams, 'De scheiding der machten tussen feit en fictie. Of: Waarom het soms goed is om een leugen te leven', NJB 2010/227, p. 282.
De Vries, De bestuurlijke boete in de douanewet (2005), p. 268-269 en 285-286.
De Vries, De bestuurlijke boete in de douanewet (2005), p. 268-269 en 285-286. De Lange spreekt in dit verband over het risico van verkokerd denken bij gespecialiseerde bestuursorganen. Zie De Lange, 'De strategische terugtocht van een monopolist. In het belang van een beheerste en evenwichtige toepassing van het strafrecht', Strafblad 2010, p. 182.
Conclusie bij HR 24 april 2007, NJ 2007/544.
HR 18 maart 1952, NJ 1952/314; 18 maart 1952, NJ 1952/315 en 24 juni 1952, NJ 1952/710. In dit verband oordeelde de Hoge Raad onder meer dat voorkomen diende te worden dat ergerlijke gevallen van zelfzuchtige onwetendheid omtrent in acht te nemen voorschriften niet mede door de zwaardere strafbepaling zouden worden getroffen. Zie voor een overzicht van auteurs die de lijn van de Hoge Raad hebben onderschreven of juist bekritiseerden Kroes, 'De 'kleur' van opzet in de Wet op de economische delicten', Strafblad 2007, p. 316-331.
Zie ook de noot van Buruma bij HR 24 april 2007, NJ 2007/544.
HR 24 april 2007, NJ 2007/544.
Voort veel economische delicten geldt de hoofdregel dat delicten die opzettelijk zijn begaan misdrijven zijn en delicten die niet opzettelijk zijn begaan kwalificeren als overtreding (art. 2 lid 1 WED). Voor sommige gedragingen moet echter naar de materiële bepaling zelf worden gekeken of sprake is van opzet of niet (art. 2 lid 3 WED). Zie bijvoorbeeld het in art. 1, onder 3, WED opgenomen art. 5:58 lid 1, onderdeel d, Wft dat het verbod behelst om informatie te verspreiden waarvan een misleidend signaal uitgaat of te duchten is, terwijl de verspreider weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die informatie onjuist of misleidend is. Het gaat hier bij weten om (voorwaardelijk) opzet en bij het redelijkerwijs moeten vermoeden om schuld, aldus Haentjens en Jurgens, 'Opzet in het financiële strafrecht', in: Fraude op de financiële markten (2011), p. 18-20.
Zie met betrekking tot de opzet Cleiren, Strafrecht. Tekst & Commentaar. De tekst van het wetboek van strafrecht en enkele aanverwante wetten voorzien van commentaar (2010), p. 1329. Zie met betrekking tot de wederrechtelijkheid HR 22 april 2008, NJ 2008/375.
Zie De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht (2009), p. 221-222.
HR 19 augustus 1952, NJ 1953/102.
Zie HR 15 oktober 1996, NJ 1997/199 (Porsche).
Zie over deze bepalingen Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10-11.
Zie voor voorbeelden Klip, 'Roekeloosheid', DD 2007/68, p. 822-842.
HR 29 april 2008, NJ 2008/440.
HR 5 december 2006, NJ 2006/663 (Spookrijder). Zie ook HR 10 februari 2009, NJ 2009/111.
Adams merkt in een artikel in het NJB het volgende op over de fictie van het adagium dat eenieder wordt geacht de wet te kennen:
`Maar waar het dan in casu om gaat is niet zozeer dat we daadwerkelijk de wet kennen, maar wel dat onkunde van de wet niet kan worden tegengeworpen in een procedure om onrechtmatig gedrag te vergoeilijken. In die optiek is de Latijnse versie van de frase eigenlijk meer sprekend: "Nemo censetur ignorare legem." De dubbele ontkenning is veelbetekenend: niemand wordt geacht de wet niet te kennen. Het geeft beter aan dat het niet zozeer om een positieve eis gaat die door de fictie wordt weergegeven (waartegen dan ook vaak verzet rijst), maar veeleer om een negatieve norm. De functionaliteit ervan is immers dat je er iets niet mee kunt doen, dat is zoals gezegd onkunde van de wet (het recht) inroepen als excuus voor onrechtmatig gedrag.'1
Hij slaat hier de spijker op zijn kop. De fictie is nuttig, niet omdat daaruit volgt dat we allemaal precies de wet moeten kennen — dit is een onmogelijke opgave, ook (misschien juist) voor juristen —, maar omdat het aangeeft dat we ons bij normovertreding niet kunnen disculperen door eenvoudig te stellen dat we niet wisten dat het niet mocht. Zo begrepen is het ook goed te verdedigen dat afhankelijk van de setting waarin men zich begeeft andere (zorgvuldigheids)normen gelden.
In het inleidende hoofdstuk kwam aan de orde dat het boete-instrument door het kabinet geschikt werd geacht voor eenvoudige overtredingen, waarop met niet al teveel maatwerk door het bestuur zou kunnen worden gereageerd alsook voor de bestraffing van overtredingen waarvan de constatering juist een hoge mate van expertise vereist, maar waar weer wel voor geldt dat de normatieve lading die uitgaat van het verbod of gebod beperkt is. Een voorbeeld van het eerste soort delicten is uitkeringsfraude. Een voorbeeld van het tweede vormt overtreding van de Warenwet. Ook kan bij dit laatste worden gedacht aan de fiscale boete. De Vries2 schrijft in haar dissertatie dat de douane bij uitstek over de kennis beschikt om vast te stellen of de Douanewet wordt overtreden en dat de douane bovendien vaak beter in staat is een inschatting te maken van de verwijtbaarheid dan het OM. De douane en de fiscale bestuursrechter houden namelijk rekening met het feit dat de douane-expediteur beroepshalve belast is met het doen van douaneaangiften, waardoor van hem een grote mate van expertise en zorgvuldigheid kan worden betracht. Wel stipuleert zij dat een hoog expertiseniveau bij het bestuursorgaan het risico heeft dat het bestuursorgaan automatisch te veel kennis veronderstelt bij de overtreder. De (ook gespecialiseerde, maar verder van de uitvoering afstaande) fiscale rechter moet dan voor het nodige tegenwicht zorgen.3 In dit verband kan ook worden gewezen op de discussie in het economisch strafrecht in hoeverre van ondernemingen mag worden verwacht dat zij kennis hebben van alle economische ge- en verbodsbepalingen. In een zaak waarin de werkgever naast valsheid in geschrift werd verweten dat hij opzettelijk had nagelaten een betermelding van een eerder ziekgemelde werknemer aan het Uwv te doen, opzettelijk had nagelaten de nodige belasting- en premieaangiftes te doen en opzettelijk had nagelaten de benodigde administratie te voeren, schreef advocaat-generaal Vellinga in zijn conclusie dat het mogelijk is dat je een verplichting niet naleeft ook al ken je deze niet, maar dat je een verplichting moet kennen wil je deze opzettelijk kunnen negeren, omdat anders het vereiste van het opzet onderscheidend vermogen lijkt te missen.4 De A-G hekelde dan ook de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waarin werd uitgegaan van kleurloos in plaats van kwaad opzet5 en stelde voor om het probleem van bewuste onwetendheid voortaan aan te pakken met de figuur van voorwaardelijke opzet. In dit verband stelde hij dat van iemand die als burger een bepaalde activiteit ontplooit die buiten de dagelijks gang van zaken ligt, zoals (ver)bouwen, mag worden verwacht dat hij zich van de daarvoor geldende voorschriften op de hoogte stelt. Doet hij dat niet of uiterst gebrekkig — raadplegen van de buurman — dan heeft hij in beginsel bewust het risico op de koop toe genomen dat hij handelt in strijd met enig wettelijk voorschrift.6 In het voorliggende geval was dit alles overigens geen probleem, omdat gelet op de bewijsmiddelen sprake was van boos opzet van de werkgever. Niettemin hield de Hoge Raad vast aan zijn eerdere jurisprudentie en stelde dat de opvatting dat het opzet ook op het niet naleven van de in de bewezenverklaringen bedoelde wettelijke verplichtingen (in de ordeningswetgeving) dient te zijn gericht, onjuist is.7
Anders dan in de WED, waarin opzet bepalend is voor de vraag of het economisch delict kwalificeert als misdrijf of overtreding,8 bestaan in het commune strafrecht met betrekking tot misdrijven veelal twee varianten, de opzet- en de schuldvariant. Soms zijn er nog meer schuldschakeringen, al dan niet gekoppeld aan het gevolg van de gedraging. Te denken valt aan de diverse gewelds- en levensdelicten. De zwaarste opzetvariant bij levensdelicten is opzettelijk en met voorbedachte raad (art. 289 Sr) en bij mishandeling met voorbedachte raad (art. 301 Sr). In de kwalificatie mishandeling (art. 300 e.v. Sr) ligt zowel opzet als wederrechtelijkheid besloten.9 Waar het gaat om mishandeling met de dood tot gevolg ziet opzet slechts op de mishandeling en vormt het gevolg een bijkomstigheid die van invloed is op de strafmaat. Dat geldt ook bij mishandeling met voorbedachte raad met de dood tot gevolg. Bij commune delicten gaat het net als bij economische delicten om kleurloos opzet. Het opzet hoeft normaliter niet gericht te zijn op de wederrechtelijkheid ervan. Wel is er een groot verschil met een aantal economische delicten. De wederrechtelijkheid van moord (art. 289 Sr), doodslag (art. 287 Sr) en diverse vormen van mishandeling (art. 300 e.v. Sr) is algemeen bekend, terwijl dat niet voor elk vergunningsvoorschrift zo zal zijn. Verder geldt bij geweldsdelicten dat het opzet niet hoeft te zijn gericht op het plegen van geweld jegens een specifiek persoon, het opzet ziet op het geweld jegens één of meer personen. Bij dwaling omtrent de identiteit van het beoogde slachtoffer blijft het opzet overeind.10 Ook kan het opzet zien op meerdere geweldsvarianten. Zo kan een poging tot moord eindigen in een veroordeling wegens zware mishandeling.11 Vooral in het verkeersrecht was in het verleden het onderscheid tussen dood door schuld en doodslag van groot belang. Dat hing samen met de destijds lage maximale gevangenisstraf voor dood door schuld.12 De strafmaxima voor geweldsdelicten zijn per 1 februari 2006 verhoogd. Daarbij is ook roekeloosheid als zwaardere schuldvariant ingevoerd in art. 307 lid 2 Sr en in de Wegenverkeerswet 1994. Art. 175 WVW 1994 voorziet in een maximum gevangenisstraf van drie jaren of een geldboete van de vierde categorie voor dood door schuld, terwijl die straf bij roekeloosheid maximaal zes jaren bedraagt. Indien de bestuurder verkeerde onder invloed of veel te hard reed kan de gevangenisstraf met de helft worden verhoogd (art. 175 lid 3 WVW 1994).13 Waar het voorwaardelijk opzet niet bewezen kan worden bij zeer gevaarlijk verkeersgedrag zal roekeloosheid dan uitkomst kunnen bieden.14 Toch zal het ook bij ernstige ongelukken niet altijd mogelijk zijn om schuld, bestaande uit `aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid', vast te stellen.15 Anderzijds blijft er ook nog steeds ruimte voor doodslag in het verkeer. Te denken valt aan een spookrijder die expres met grote snelheid 'voor de kick' tegen het verkeer inrijdt. Het voorwaardelijk opzet bestaat dan uit zo'n gevaarzettend handelen van de verdachte dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daardoor inzittenden van de tegenliggers dodelijk zouden verongelukken, ook al betekent deze voorwaardelijke opzet dat de dader de kans op de koop toeneemt dat hij zelf het leven zal laten bij een aanrij ding.16