Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.8.3
4.8.3 De enge temporele reikwijdte
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648872:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam, 14 januari 1987, NJ 1988/1050.
Hof ’s-Hertogenbosch 29 augustus 2017, JIN 2018/7 m.nt. Van der Kraan.
Zie Rb. Midden-Nederland 7 mei 2014, JOR 2014/260 m.nt. Harmsen (Ekelmans-Tevema) en Rb. Arnhem, 10 oktober 2002, JOR 2003/31 m.nt. S.M. Bartman (Resila-Spectro), zie met name r.o. 1.8: “De rechtbank legt artikel 2:403 lid 1 onder f BW aldus uit dat zij zowel geldt voor op het moment van afleggen of deponeren van de verklaring nog toekomstige schulden, waarbij het niet uitmaakt of zij al of niet rechtstreeks voortvloeien uit reeds bestaande rechtsverhoudingen, als voor op dat moment reeds bestaande schulden. Deze uitleg wordt thans door de meerderheid van de auteurs verdedigd en is recent ook door de Rechtbank Amsterdam (20 december 2000, JOR 2001, 53) gevolgd. Ook bestaande schuldeisers, met name uit met de dochtermaatschappij gesloten duurovereenkomsten zoals een huurovereenkomst, worden door de consolidatie van de jaarrekening beperkt in hun mogelijkheid de financiële gegoedheid van de dochtermaatschappij aan de hand van de jaarrekening te toetsen. De aansprakelijkheidsverklaring behoort daarom ook de op het moment van afleggen bestaande schulden te omvatten.”
Van Olffen 2001, p. 833-834.
Anders: Van Olffen 2001, p. 834.
De beperkte temporele reikwijdte of enge temporele reikwijdte houdt in dat de aansprakelijkheidsverklaring alleen ziet op de schulden van de vrijgestelde rechtspersoon voor zover die voortvloeien uit rechtshandelingen die na het deponeren van de 403-verklaring zijn verricht.
Vooral oudere rechtspraak1 lijkt uit te gaan van de enge temporele reikwijdte maar ook nog vrij recent werd geoordeeld dat de enge temporele reikwijdte toelaatbaar was, onder de noemer ‘redelijke wetstoepassing’.2 Andere uitspraken sluiten juist aan bij een ruime materiële reikwijdte.3 De conclusie is dat de rechtspraak nog steeds verdeeld is op dit gebied.
Bij het opstellen van een 403-verklaring kan ten aanzien van de temporele reikwijdte het beste aansluiting worden gezocht bij de letterlijke tekst van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. In dat geval wordt het risico dat wordt geoordeeld dat een 403-verklaring achteraf ontoereikend is, vermeden.4 Aangezien er nooit duidelijkheid is geweest inzake de vereiste temporele reikwijdte, zal een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen naar mijn idee niet kunnen slagen in een situatie waarin sprake is van een ontoereikende 403-verklaring en het vervolgens ten onrechte toepassen van de vrijstelling.5