Hof Den Haag, 29-11-2023, nr. 22-000338-23
ECLI:NL:GHDHA:2023:2999
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
29-11-2023
- Zaaknummer
22-000338-23
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:2999, Uitspraak, Hof Den Haag, 29‑11‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1448
Uitspraak 29‑11‑2023
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne en een onverhoedse en door niets gerechtvaardigde mishandeling met als gevolg enig, zij het beperkt, lichamelijk letsel. Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-000338-23
Parketnummers: 10-289926-22, 02-011815-22 (tul) en
02-130556-22 (tul)
Datum uitspraak: 29 november 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2023 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van voorarrest. Het onder 2 tenlastegelegde is in eerste aanleg bewezenverklaard maar de politierechter heeft bepaald dat ter zake van dat feit geen straf wordt opgelegd.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij appelschriftuur en ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte betoogd dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is zodat het vonnis van de politierechter (reeds) op die grond behoort te worden vernietigd, en de zaak dient te worden teruggewezen naar de politierechter.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep hieromtrent geoordeeld, en bij in het proces-verbaal van die zitting neergelegde tussenbeslissing het onderzoek in eerste aanleg nietig verklaard, dit op de grond dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg geen gemotiveerde en uitdrukkelijke beslissing op een door de raadsman gedaan verzoek tot aanhouding bevat, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
Het hof heeft tevens beslist dat de zaak niet wordt teruggewezen naar de rechtbank, aangezien (samengevat) de politierechter over de hoofdzaak heeft beslist zodat artikel 423, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is, en er evenmin sprake is van één van de in de rechtspraak van de Hoge Raad op dat artikel geformuleerde jurisprudentiële uitzonderingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 8 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,79 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 8 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 11,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op of omstreeks 8 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door die van de [slachtoffer] op/tegen/in het gezocht, althans op/tegen het hoofd, te trappen en/of schoppen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen waarvan 29 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat er een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis wordt opgelegd. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-130556-22 zal worden toegewezen en die met parketnummer 02-011815-22 zal worden afgewezen.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat sprake is van een formele nietigheid bij de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op of omstreeks 8 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,79 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij op of omstreeks 8 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 11,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. hij op of omstreeks 8 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door die van de [slachtoffer] op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, te trappen en/of schoppen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging feit 3
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het mishandelen van het slachtoffer, nu het maken van een trappende beweging en het daarbij raken van het slachtoffer slechts per ongeluk gebeurde.
Het hof overweegt daaromtrent het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, in een situatie waarin hij wist dat het slachtoffer zich direct achter hem bevond (immers bezig met de broek van de verdachte uit te trekken) onverhoeds naar achteren heeft getrapt. Een dergelijk handelen impliceert naar de uiterlijke verschijningsvorm het opzet op het raken van het slachtoffer. Dit verweer wordt dan ook door het hof verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft, voor zover het hof tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit zou komen, verzocht om een onderzoek te laten uitvoeren door een gedragsdeskundige naar de toerekenbaarheid van de verdachte ten aanzien van dit feit.
Het hof wijst dit verzoek af, reeds omdat enig causaal verband tussen de geestesgesteldheid van de verdachte en hetgeen onder 3 bewezen is verklaard door de verdediging onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Het hof acht het daarom niet noodzakelijk dit onderzoek te laten doen door een gedragsdeskundige.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Geen straf of maatregel feit 2
Ten aanzien van feit 2 zal geen straf of maatregel worden opgelegd, nu de aard en ernst van dat feit daartoe geen aanleiding geeft.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en de koop van cocaïne levert een bijdrage aan het in stand houden van het criminele drugscircuit.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een onverhoedse en door niets gerechtvaardigde mishandeling met als gevolg enig, zij het beperkt, lichamelijk letsel. Dergelijk handelen is onaanvaardbaar en strafwaardig, waar nog bij komt dat het slachtoffer een arrestantenbewaarder in de uitoefening van diens werkzaamheden was. Die omstandigheid wordt ten nadele van de verdachte in strafverzwarende zin in rekening gebracht.
Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 november 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. In het bijzonder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren vier keer voor geweldsfeiten en daarnaast voor een opiumfeit is veroordeeld. De verdachte liep ten tijde van de gepleegde feiten nog in twee proeftijden. Hieruit concludeert het hof dat de verdachte kennelijk niet geleerd heeft van eerdere justitiecontacten en de hem opgelegde straffen. Derhalve is het hof van mening dat anders dan door de verdediging betoogd- niet kan worden volstaan met de oplegging van een geldboete.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.
Het hof zal de verdachte geen bijzondere voorwaarden opleggen nu aan de verdachte in het kader van eerder opgelegde voorwaardelijke veroordelingen bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, die momenteel nog gelden en, gelet op na te melden beslissing op de vordering tenuitvoerlegging, nog geruime tijd zullen blijven gelden.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 425,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot € 250,00.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 425,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering tenuitvoerlegging 02-130556-22
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022 onder parketnummer 02-130556-22 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Vordering tenuitvoerlegging 02-011815-22
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022 onder parketnummer 02-011815-22 is de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.
Aan de opgelegde voorwaardelijke straf is een aantal bijzondere voorwaarden verbonden welke het hof nog steeds nodig acht, zulks gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daarom is het hof van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Veroordeelt de verdachte voor het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 29 (negenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling, die kan worden toegepast bij niet (volledige) betaling, op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 november 2022.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022, parketnummer 02-130556-22, te weten van:
taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022 parketnummer 02-011815-22, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, mr. J.W. du Pon en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, in bijzijn van de griffier mr. H.E.M. Lucas.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 november 2023.
Mr. C. Reijntjes-Wendenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.