Cf. HR 18 februari 1997, LJN ZD0652, NJ 1997, 411: uitgesproken was een (onherstelbare) niet-ontvankelijkheid OM; het cassatiemiddel stuurde aan op een vrijspraak na een wèl inhoudelijke behandeling.
HR, 16-03-2010, nr. 08/03822 E
ECLI:NL:HR:2010:BL0662
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
16-03-2010
- Zaaknummer
08/03822 E
- Conclusie
Mr. Jörg
- LJN
BL0662
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL0662, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 16‑03‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0662
ECLI:NL:PHR:2010:BL0662, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑01‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL0662
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑03‑2010
Inhoudsindicatie
HR: 81 RO.
16 maart 2010
Strafkamer
nr. 08/03822 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 20 juli 2007, nummer 23/004859-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J. Kuijper en mr. M. Mulder, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 16 maart 2010.
Conclusie 19‑01‑2010
Mr. Jörg
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoekster]
1.
Verzoekster is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 20 juli 2007 ten aanzien van het aan haar tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit (overtreding van art 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, namelijk pinda's en Franse kaasjes verkopen bij de rum) ontslagen van alle rechtsvervolging.
2.
Namens verzoekster hebben mrs. J. Kuijper en M. Mulder, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt in de kern dat het hof voor de bewezenverklaring acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgehouden bij de behandeling ter terechtzitting. Het tweede middel klaagt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk is verklaard: de wet voorzag ten tijde het plegen van het strafbare feit niet in de mogelijkheid om een rechtspersoon (i.c. verzoekster) strafrechtelijk te vervolgen. Het derde middel, gepresenteerd als een bewijsklacht, lees ik als een kwalificatieverweer, nl.: de ten laste van verzoekster bewezenverklaarde gedragingen leveren niet op ‘het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten dan die welke tot het slijtersbedrijf behoren’ als bedoeld in art 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.
4.
Alleen het tweede middel acht ik van belang voor bespreking: was verzoekster al dan niet vervolgbaar? Of was zij slechts niet strafbaar? Als ik het slechte (politie)Nederlands zou volgen — dat ook zijn weg in sommige cassatieschrifturen heeft gevonden — zou ik schrijven dat op de ‘tijddelict’ artikel 45 van de Drank- en Horecawet bepaalde dat voor de naleving van de wettelijke bepalingen de bestuurders van een rechtspersoon (of de leidinggevenden in allerlei vorm) aansprakelijk zijn. Daaruit valt niet op te maken dat de rechtspersoon geen strafbare feiten zou kunnen begaan, zoals art. 51 Sr bepaalt. Dat niet deze, maar de bestuurder daarvan de strafrechtelijke consequenties moet dragen is heel wat anders.
5.
Dit middel faalt dus.
6.
Ten aanzien van de overige middelen heb ik niet kunnen ontwaren wat voor rechtens te respecteren belang verzoekster heeft bij het voorgestelde. De maatschappelijke betekenis van een ontslag van rechtsvervolging is voor een rechtspersoon niet anders dan die van een vrijspraak. Dat het hof een kansloze zaak met een mogelijk te korte bocht in de prullenbak heeft geworpen is misschien jammer, maar vergt toch niet dat de Hoge Raad, als ware hij jurylid bij een schoonheidswedstrijd, de zaak terugwijst om hetzelfde hof te dwingen de appèlprocedure volledig aan te kleden, waarna in ieder geval nog eens hetzelfde resultaat zal worden bereikt (niet in de prijzen vallen).1. Mijns inziens mocht van het cassatiemiddel worden gevergd dat het uitdrukkelijk toelicht waarin concreet het belang van vernietiging voor verzoekster is gelegen.2. Ik heb mij in recente conclusies wel eens verbaasd over het vervolgingsbeleid van het OM. Eenzelfde verbazing treft mij bij dit cassatieberoep.
7.
De middelen 1 en 3 falen bij gebrek aan belang.
8.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑01‑2010
Zie W.A.M. van Schendel, ‘Cassatie in strafzaken (Nederlands recht)’, in: A. de Moor-van Vugt, De werkwijze van de hoogste rechtscolleges, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 2007, p. 131.