Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/10.4.2:10.4.2 Beoordeling
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/10.4.2
10.4.2 Beoordeling
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947882:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1915/16, 226, nr. 4, p. 27. Zie ook Van Driel & De Jong 2014, p. 64. Zie over de instemmingsverklaring verder par. 7.5.2.
Zie voor een dergelijke argumentatie bijvoorbeeld Van den Braak 2021.
Zie ook ABRvS 6 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1740, r.o. 2.2.1.
Zie par. 5.4.2.
Burgerforum Kiesstelsel 2006, p. 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het fenomeen ‘lijstduwer’ is problematisch in het licht van het uitgangspunt van vrij kiesrecht. De praktijk op gespannen voet met de gedachte die ten grondslag ligt aan de bij het indienen van kandidatenlijsten te overleggen instemmingsverklaringen.1 Deze moeten ervoor zorgen dat de kiezer een juiste voorstelling heeft van de kandidaten die op de lijst staan. De instemmingsverklaring moet ervoor zorgen dat kandidaten niet tegen hun wil op een kandidatenlijst geplaatst worden. Daarnaast moet zij ook voorkomen dat namen van bekende personen als ‘stuwkracht’ voor de lijst gebruikt worden, terwijl deze personen geen zetel willen innemen.2 Het optreden van lijstduwers werkt dat laatste in de hand. De lijstduwers stemmen weliswaar formeel in met hun kandidatuur door een instemmingsverklaring te geven, maar doen daarmee precies wat de instemmingsverklaring juist beoogt te voorkomen: de kiezer een verkeerde voorstelling van zaken geven. Het optreden van lijstduwers staat hierdoor op gespannen voet met het vrije kiesrecht en valt te kwalificeren als ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding in de fase van kandidaatstelling. Daaraan kan worden tegengeworpen dat het optreden van lijstduwers geen probleem hoeft te zijn, zo lang zij maar transparant zijn over hun motieven. Daarmee weet de kiezers immers dat de kandidaat geen zetel wens te vullen en zou van ongeoorloofde beïnvloeding geen sprake meer zijn.3 Dit argument neemt het problematische karakter van de lijstduwer echter niet weg. Of een kandidatuur serieus is of niet, zou überhaupt geen punt van discussie moeten zijn. Partijen die van lijstduwers gebruikmaken, vervullen hun wervings- en selectiefunctie niet naar behoren. Op een kandidatenlijst moeten alleen personen voorkomen die de ambitie hebben om daadwerkelijk Kamerlid te worden: daarvoor is de lijst immers bedoeld. Zij is geen middel om campagne te voeren.
Het fenomeen laat zich echter lastig uitbannen. De Kieswet laat geen ruimte voor onderzoek naar de intentie waarmee een instemmingsverklaring wordt gegeven. Dat wil zeggen dat niet kan worden onderzocht of degene die de verklaring heeft ondertekend, ook daadwerkelijk bereid is om zitting te nemen in de Tweede Kamer.4 Ruimte voor een dergelijk onderzoek laat zich bezwaarlijk creëren. Nog afgezien van het feit dat daarmee wordt afgeweken van het procedurele karakter van de vereisten die de Kieswet aan de kandidaatstelling verbindt, kunnen lijstduwers hun kandidatuur veiligstellen door simpelweg te ontkennen dat zij bij verkiezing van een zetel zullen afzien. Gegeven het feit dat lijstduwers in de praktijk vaak niet verkozen worden, zal die toezegging in de regel geen consequenties hebben. Stel dat een lijstduwer toch wordt verkozen, dan staat niets eraan in de weg dat deze op zijn eerdere ontkenning terugkomt. Een regeling die beoogt die mogelijkheid weg te nemen, zal in strijd zijn met het vrije mandaat, op grond waarvan Kamerleden zelf kunnen bepalen wat zij met hun zetel doen.5
De enige route die overblijft, is het afkeuren van lijstduwerschap door politieke partijen zelf. In 2006 riep het Burgerforum Kiesstelsel, dat zich niet alleen uitliet over een nieuw kiesstelsel, maar ook enkele ongevraagde adviezen gaf, politieke partijen op om geen lijstduwers meer in te zetten. Overigens had de kritiek van het Burgerforum geen betrekking op de ongeoorloofde beïnvloeding van kiezers en het misbruiken van de kandidatenlijst voor campagnedoeleinden, maar op het feit dat ‘lijstduwers geen recht doen aan het aanzien van het Kamerlidmaatschap’.6 Het toenmalige kabinet stemde in met de oproep van het Burgerforum en stelde het ‘het onwenselijk [te vinden] dat kandidaat-Kamerleden zich wel verkiesbaar stellen en daarmee een «belofte» naar de kiezer toe doen, maar er vervolgens van afzien om die vertegenwoordigende functie op zich te nemen, omdat zij daar niet toe bereid zijn’. In lijn met het zojuist opgemerkte ligt daar primair een verantwoordelijkheid voor politieke partijen, omdat verkozen kandidaten er immers niet toe verplicht kunnen worden een zetel in te nemen. Al is het maar omdat er andere, legitieme redenen denkbaar zijn om daarvan af te zien.7