Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 310.
HR, 09-05-2017, nr. 16/00476
ECLI:NL:HR:2017:833
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-05-2017
- Zaaknummer
16/00476
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:833, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑05‑2017; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:318, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:318, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑02‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:833, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Fiscale fraude. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04994; 15/04995 en 15/05118.
Partij(en)
9 mei 2017
Strafkamer
nr. S 16/00476
SG/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 oktober 2015, nummer 21/003896-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Verrillo, advocaat te Denekamp, een schiftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2017.
Conclusie 14‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Fiscale fraude. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04994; 15/04995 en 15/05118.
Nr. 16/00476 Zitting: 14 februari 2017 | Mr. P.C. Vegter Conclusie/standpunt inzake: [verdachte] |
1. Bij arrest van 21 oktober 2015 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het vonnis van de rechtbank Zutphen van 11 september 2012 bevestigd. Dat vonnis bevat een veroordeling van verdachte wegens – kort gezegd – feitelijk leidinggeven aan medeplegen van belastingfraude (feit 1), feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift (feit 2) en deelneming aan een criminele organisatie (feit 3) tot 10 (tien) maanden gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in art. 27 (a) Sr. De feiten 1 en 2 zijn steeds meermalen gepleegd.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 15/04994, 15/04995 en 15/05118. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het gaat hier om BTW-fraude ter zake van uit Duitsland geïmporteerde en hier verhandelde auto’s.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C. Verillo, advocaat te Denekamp, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. De bespreking hieronder is kort, omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen nu de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
5. Het eerste middel klaagt erover dat het hof “ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de verweren tegen de veroordeling in eerste aanleg zijn gepasseerd.” Daartoe worden in de schriftuur de pleitaantekeningen die voor alle feiten een bewezenverklaring betwisten herhaald.
6. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd en daarmee de beslissingen inzake de bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 3 alsmede de daarvoor gegeven bewijsconstructie tot de zijne gemaakt. Het middel heeft al geen enkele kans van slagen nu op geen enkele wijze wordt toegelicht op welke grondslag het hof gehouden zou zijn in het arrest te beslissen op hetgeen is aangevoerd in de pleitaantekeningen. Ik merk op dat ik die grondslag ook niet heb kunnen vinden in de artikelen 358, derde lid, Sv of 359, tweede lid, Sv. Nu van verweren of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als in de genoemde bepalingen geen sprake is, zie ik niet dat het hof tekort is geschoten door niet in te gaan op hetgeen is aangevoerd.
7. Het tweede middel klaagt dat het hof “bij de straftoemeting niet voldoende rekening [heeft] gehouden met de tijdsduur van de procedures.” Het middel is niet gezet in de sleutel van de overschrijding van de redelijke termijn en evenmin wordt geklaagd over een ontoereikende reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de straftoemeting.
8. De feitenrechter is vrij is in de keuze van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren kan in cassatie niet worden onderzocht. Het middel stuit daarmee al af op vaste rechtspraak.1.Uit de door het hof bevestigde strafmotivering blijkt bovendien dat in aanmerking is genomen dat de feiten van ‘oudere’ datum zijn, dat ernstig rekening is gehouden met de lange periode die inmiddels is verstreken sedert de inverzekeringstelling alsmede dat de overschrijding van de redelijke termijn is verdisconteerd.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑02‑2017