Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2024:2542. Parketnummer: 20-001455-22.
HR, 25-11-2025, nr. 24/03161
ECLI:NL:HR:2025:1765
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
24/03161
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1765, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2542
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1144
ECLI:NL:PHR:2025:1144, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1765
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Opzettelijk ontploffing teweegbrengen met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel door explosief aan gasverdeelstation te bevestigen en te ontsteken met hevige gasbrand tot gevolg, art. 157.1 en 157.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht opzet. Verweer dat verdachte niet met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, omdat ook zijn eigen leven daardoor op het spel stond. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft in respons op verweer van verdediging met juistheid geoordeeld dat (voor bewezenverklaring van opzet als bestanddeel van art. 157 Sr) opzet slechts gericht hoeft te zijn op teweegbrengen van ontploffing. Opzet hoeft niet gericht te zijn op teweegbrengen van gevolgen (van ontploffing). Gevaar hoeft t.t.v. teweegbrengen van ontploffing slechts naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te zijn geweest, zodat niet van belang is of dader zelf dat gevaar heeft voorzien. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03161
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 augustus 2024, nummer 20-001455-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 1 bewezenverklaarde opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03161
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 12 augustus 20241.door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 "opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is" en onder 2 “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van een geluiddemper bevolen en een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte toegewezen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel gaat over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. Het middel houdt in dat het hof een verweer van de verdediging heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. Dit is het verweer dat de verdachte niet met – voorwaardelijk – opzet heeft gehandeld, omdat ook zijn eigen leven daardoor op het spel stond.
De relevante delen van de processtukken
4. De bewezenverklaring onder 1 houdt in dat de verdachte:
“omstreeks 1 januari 2022 te [plaats] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door opzettelijk enig explosief aan een gasverdeelstation te bevestigen en dit explosief middels (open) vuur te ontsteken, ten gevolge waarvan dit explosief, explodeerde, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor omringende woningen te duchten was en levensgevaar voor bewoners van voornoemde woningen en zich in de buurt van het gasverdeelstation bevindende mensen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bovengenoemde bewoners van voornoemde woningen en zich in de buurt van het gasverdeelstation bevindende mensen, te duchten was.”
5. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt in:
“In aanvulling op haar schriftelijke pleitnota voert de raadsvrouw het volgende aan:
[…]
Met betrekking tot feit 1 voer ik nog aan dat indien en voor zover het wel mijn cliënt is die te zien is op de beelden, er geen sprake is van een bewust aanvaarde aanmerkelijke kans op het doen ontstaan van het gevaar. Dit zou impliceren dat hij zichzelf aan dat gevaar ook heeft blootgesteld. Dat brengt mij bij het Porsche-arrest. Er is geen sprake van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans indien men het eigen leven op het spel zet. Ik bepleit aldus vrijspraak om deze reden.”
6. Het arrest bevat de volgende overwegingen:
“Opzet op het teweegbrengen van een ontploffing
De raadsvrouw van de verdachte heeft tevens aangevoerd dat de verdachte geen opzet (in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting, nu de verdachte de aanmerkelijke kans daarop niet bewust heeft aanvaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de verdachte de gevolgen niet bewust heeft aanvaard omdat ook zijn eigen leven daarmee op het spel stond. De conclusie die de raadsvrouw aan dit verweer heeft verbonden is die van vrijspraak.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het opzet behoeft slechts gericht te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing. Het opzet behoeft niet gericht te zijn op het teweegbrengen van de gevolgen. Het gevaar behoeft ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing slechts naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te zijn geweest, zodat niet van belang is dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van hét geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met betrekking tot de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans heeft te gelden dat de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van de verdachte, inhoudende het bevestigen van een explosief aan een gasverdeelstation en het vervolgens door middel van (open) vuur ontsteken van dat explosief, zodanig op het teweegbrengen van een ontploffing gericht dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg (in dezen de explosie en daaropvolgende de brand) heeft aanvaard. Het enkele feit dat de verdachte ook zichzelf daarmee in gevaar heeft gebracht, maakt dat niet zonder meer anders, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte omtrent het verwezenlijken van dat gevolg (preventieve) maatregelen heeft getroffen ter voorkoming daarvan. Voor zover het verweer erop neerkomt dat de verdachte niet wist dat het een gasverdeelstation was, doet dat – wat daar ook van zij – aan het vorenstaande niet af, nu het gasverdeelstation, althans het gevaar, herkenbaar was door de daarop aanwezige stickers met; de tekst ‘roken en vuur verboden’.
Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.”
De toelichting op het eerste middel
7. De stellers van het middel voeren aan dat het hof in zijn oordeel had moeten betrekken dat het – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – naar ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat iemand een ontploffing teweeg zal brengen waardoor hijzelf het gevaar zal lopen zijn leven te verliezen.
8. Verder wordt met het middel opgekomen tegen de overweging dat het enkele feit dat de verdachte met zijn handelen zichzelf in gevaar heeft gebracht, niet zonder meer maakt dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg van zijn handelen niet heeft aanvaard, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte omtrent het verwezenlijken van dat gevolg (preventieve) maatregelen heeft getroffen ter voorkoming daarvan. Dit oordeel van het hof is volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk, omdat degene die meent dat een bepaald gevolg zich niet zal voordoen, juist geen maatregelen zal nemen ter voorkoming daarvan.
De bespreking van het eerste middel
9. Het hof heeft in deze zaak vastgesteld dat een persoon die op camerabeelden zichtbaar is aan een gasverdeelstation een explosief heeft aangebracht en dit explosief heeft ontstoken. Daardoor heeft hij een ontploffing teweeggebracht. Het hof heeft bovendien geoordeeld dat deze persoon de verdachte betrof. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg kan worden uitgegaan.
10. In lijn met een ter terechtzitting gevoerd verweer (zoals het hof dat heeft begrepen en zoals het in het middel is omschreven)2.bevat het middel de klacht dat de bewijsvoering van het (voorwaardelijk) opzet op het teweegbrengen van een ontploffing ondeugdelijk is op de grond dat de verdachte door zijn handelen ook zijn eigen leven in gevaar bracht. De raadsvrouw verwees hierbij naar het ‘Porsche-arrest’.3.
11. Het hof heeft in respons op dit verweer met juistheid geoordeeld dat – voor de bewezenverklaring van opzet als bestanddeel van het delict van artikel 157 Sr – het (ten laste gelegde) opzet slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing. Het opzet hoeft niet gericht te zijn op het teweegbrengen van de gevolgen (van de ontploffing). Het (daarvan te duchten) gevaar hoeft ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing slechts naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te zijn geweest, zodat niet van belang is of de dader zelf dat gevaar heeft voorzien.4.
12. In de door het hof uiteengezette bewijsvoering ligt besloten dat de verdachte met opzet – in onvoorwaardelijke zin – een explosie teweeg heeft gebracht. Reeds hierop stuiten alle klachten af.
13. Het middel faalt.
Het tweede middel
14. Het als tweede voorgestelde middel bevat een klacht over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde en houdt in dat het hof het verweer dat de verdachte geen wapen van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie (WWM) voorhanden heeft gehad, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
De relevante delen van de processtukken
15. De bewezenverklaring houdt onder 2 in dat de verdachte:
“op 6 januari 2022 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.”
16. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep een pleitnota voorgedragen. Deze houdt onder andere in (de voetnoot laat ik weg):
“119. Artikel 2 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie bepaalt dat een geluidsdempers voor Vuurwapens onder categorie 1 vallen.
120. Het gaat om dempers die bedoeld of geschikt zijn voor een vuurwapen, zoals bedoeld in artikel 2 van de Regeling wapens en munitie.
121. Er bestaan dempers voor vuurwapens en dempers voor luchtdrukwapens. Dempers voor luchtdrukwapens zijn toegestaan en vrij verkrijgbaar in de winkel.
122. Cliënt had een luchtbuks destijds en daarom ook een demper. De demper die in beslag is genomen heeft hij gekocht voor een luchtdrukwapen, in een Nederlandse schietsportwinkel.
123. [verbalisant] concludeert evenwel dat het een demper voor een vuurwapen zou zijn. Hij stelt aanvankelijk dat het zou gaan om een demper voor een vuurwapen omdat hij past op een Browning en omdat hij het geluid dempt.
124. Dat is te kort door de bocht. De schroefdraad is universeel. Als dat het criterium zou zijn, dan zou het gros van de dempers die nu gewoon vrij verkrijgbaar is in de winkel, verboden zijn. De maatvoering 1/2 UNF is namelijk de meest voorkomende voor luchtdrukwapens, aldus [betrokkene 1] , maar ook een feit van algemene bekendheid.
[…]
127. […] [betrokkene 1] stelt dat dat deze demper is gemaakt door de firma Hogan. Deze is vrij verkrijgbaar in schietsportwinkels. Uit de bijgevoegde documentatie die bij de pleitnota eerste aanleg is overgelegd blijkt duidelijk dat deze demper bedoeld is voor een luchtdrukwapen is.
128. [verbalisant] lijkt uiteindelijk min of meer te onderkennen dat de demper bestemd is voor een luchtbuks, en dan gooit hij het over de andere boeg; de geschiktheid.
129. Hij heeft in beide processen-verbaal opgetekend dat de demper een schot van de Browning feitelijk zou dempen. Deze enkele constatering betekent niet dat de demper ook ‘geschikt’ is om een schot te dempen, zoals bedoeld in artikel 2 van de Regeling.
[…]
133. Bovendien betekent het enkele feit dat een schot met een vuurwapen met de demper op (iets) wordt gedempt niet dat de demper ook echt geschikt is om te dempen.
134. Een rubberboot is geschikt om te drijven en als je die op de oceaan zou neerlaten, dan zal hij ook vast (even) blijven drijven. Daarmee is het niet een zeewaardig schip, oftewel een boot die geschikt is om de oceaan mee te bevaren. Hetzelfde geldt overigens voor boten met een kajuit. Het ontwerp en materiaal is bepalend of een schip zeewaardig is, niet het feit dat het kan drijven of er uitziet als een boot.
135. Hetzelfde geldt voor een demper die past op een vuurwapen. Het geluid zal wellicht iets afnemen, maar daarmee is het niet een demper voor een vuurwapen.
136. Daarbij komt dat ondanks dat de opdracht van de RHC luidt dat erop de inhoud van de brief van [betrokkene 1] gereageerd moet worden, [verbalisant] in het geheel niet in gaat op het belangrijkste punt dat [betrokkene 1] in zijn brief heeft genoemd; het materiaal. Dat materiaal is niet alleen een objectief aanknopingspunt voor de vraag of de demper bedoeld is voor een vuurwapen of luchtdrukwapen, maar het is ook bepalend voor de vraag waarvoor hij geschikt is.
137. Een demper voor een vuurwapen is gemaakt uit materiaal dat geschikt is om grote hitte te weerstaan. Een demper voor een luchtdrukwapen hoeft dat niet. In dit geval heeft de demper aan dé binnenkant kunststof en foam. Materialen die hoge druk luchtstromen aan kunnen dus. Deze materialen zijn niet geschikt om een vuurwapen te dempen. Zoals [betrokkene 1] heeft opgetekend: dat materiaal is niet geschikt voor vuurwapens omdat het verbrandt en het zijn werking verliest
138. Op websites die dergelijke dempers verkopen is zelfs te lezen dat het gevaarlijk is om een demper van een luchtdrukwapen te gebruiken op een vuurwapen omdat de demper dan zal exploderen.
139. Alles feiten en omstandigheden wijzen erop dat de demper in de woning van cliënt is geen demper als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder 3 van de Wet Wapens en Munitie. Hij is voor luchtdrukwapens, niet voor vuurwapens. Op basis van de bevindingen van [verbalisant] kan niet worden vastgesteld - zeker niet buiten gerede twijfel - dat de demper die in beslag is genomen geschikt is om een vuurwapen te dempen.
140. Aldus kan dit bestanddeel niet worden bewezen en dient vrijspraak te volgen.”
17. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Bewijsoverwegingen feit 2 (voorhanden hebben van een geluiddemper)
Vaststellingen hof
Aan de verdachte is onder feit 2 tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het Voorhanden hebben van een geluiddemper. Uit de bewijsvoering volgt dat de geluiddemper in de woning van de verdachte is aangetroffen en aan de verdachte toebehoorde. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn die vaststellingen niet betwist.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de geluiddemper niet bestemd is voor een vuurwapen, doch enkel geschikt was voor een luchtdrukwapen.
Oordeel hof
Het hof stelt voorop dat door de verdediging kennelijk niet wordt betwist dat de geluiddemper ook geschikt is om een vuurwapen te dempen. Het hof overweegt dat het strafbaar is om een geluiddemper voorhanden te hebben. Een geluiddemper is, blijkens de definitie in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling wapens en munitie, een niet in het vuurwapen geïntegreerd, doorgaans aan de loopmond daarvan bevestigd voorwerp, dat bestemd of geschikt is om te bewerkstelligen dat het geluid van (het afgaan van) het schot wordt gedempt. Een voorwerp valt aldus onder deze definitie in het geval dit voorwerp geschikt is om het geluid van een schot van een vuurwapen te reduceren of daarvoor is bestemd, ongeacht de daadwerkelijke geschiktheid daartoe. Zodra aldus kan worden vastgesteld dat de geluiddemper (ook) voor gebruik op een vuurwapen geschikt is, is daarmee de strafbaarheid van het voorhanden hebben daarvan, gegeven.
Gelet hierop vindt de kennelijke opvatting van de raadsvrouw dat de geluiddemper bestemd moet zijn voor een vuurwapen en dat het enkele geschikt zijn niet reeds maakt dat sprake is van een wapen, als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie, geen steun in het recht. Reeds nu is vastgesteld dat de geluiddemper (mede) geschikt is voor een vuurwapen, komt het hof tot een bewezenverklaring.
Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat op de test van [verbalisant] (samengevat) ‘veel is af te dingen’, overweegt het hof - hoewel dat verweer niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten, nu dat verweer kennelijk beoogt de deskundigheid Van [verbalisant] te betwisten, zonder daaraan een gevolg te verbinden - dat het geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de deskundigheid van [verbalisant] of zijn test. De verweren van de verdediging worden dan ook in al hun onderdelen verworpen.”
18. Het hof heeft daarnaast (onder andere) dit bewijsmiddel gebruikt:
“4. Een proces-verbaal onderzoek wapen, proces-verbaalnummer PL2100-2022000249-30, d.d. 29 februari 2024, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
“In artikel 2 lid 1 categorie I onder 3 van de Wet Wapens en Munitie zijn onder andere opgenomen geluiddempers voor vuurwapens.
Artikel 2 lid 1 onder f van de Regeling Wapens en Munitie omschrijft een geluiddemper als een niet in het vuurwapen geïntegreerd, doorgaans aan de loopmond daarvan bevestigd voorwerp dat bestemd of geschikt is om te bewerkstelligen dat het geluid van het schot wordt gedempt.
De door mij omschreven geluiddemper was niet voorzien van enige aanduiding. Van eerdere onderzoeken is mij bekend dat geluiddempers voor luchtdrukwapens overwegend zijn voorzien van een aanduiding die aangeeft dat betreffende geluiddemper uitsluitend bestemd is voor gebruik op luchtdrukwapens. Bij het testen van deze geluiddemper op een vuurwapen bleek mij dat het geluid van het ontbranden van het slagsas aanmerkelijk minder was dan zonder geplaatste geluiddemper. Derhalve was deze geluiddemper geschikt om te bewerkstelligen dat het geluid van het schot werd gedempt, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 onder f van de Regeling Wapens en Munitie.
De Hogan Firearms DecimEater Air Rifle Moderator, waarvan de informatie als bijlage bij bovengenoemd schrijven van [betrokkene 1] werd gevoegd, lijkt op de door mij omschreven geluiddemper doch is vanwege het ontbreken van productaanduidingen op de geluiddemper niet met zekerheid te zeggen. Ook als de door mij omschreven geluiddemper van bovengenoemd merk en type is en door de producent bestemd is voor gebruik op luchtdrukwapens, blijft deze geluiddemper geschikt voor gebruik op een vuurwapen zoals uit bovengenoemde test blijkt.”
De toelichting op het tweede middel
19. De stellers van het middel brengen in de toelichting erop ten eerste naar voren dat het oordeel dat de verdediging niet heeft betwist dat de geluiddemper ook geschikt is om een vuurwapen te dempen, feitelijke grondslag mist. Ten tweede achten zij het oordeel dat het verweer over de deskundigheid van de [verbalisant] niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, onjuist. Ten derde wordt onder de aandacht gebracht dat de verdediging onderbouwd heeft aangevoerd dat het in de woning van de verdachte aangetroffen voorwerp is gekocht in een schietsportwinkel (volgens de stellers van het middel zelfs in een “speelgoedwinkel”) en in Nederland vrijelijk verkrijgbaar is, terwijl het uitgangspunt van de toepasselijke wet- en regelgeving is dat het voorhanden hebben van luchtdrukwapens is toegestaan.
De bespreking van het tweede middel
20. Voor wat betreft het eerste en het tweede punt: deze klachten falen. Ook als de klachten terecht zouden zijn voorgesteld, doen zij aan de begrijpelijkheid van de bewijsvoering niet af. Het hof heeft immers kunnen oordelen dat de verbalisant voldoende deskundigheid in huis had om vast te stellen dat de geluiddemper bij een daarmee uitgevoerde test daadwerkelijk het geluid dempte waarmee het schot met een vuurwapen gepaard ging. De gronden voor de verwerping van de bewijsverweren (als dat het zijn) liggen dus besloten in de bewijsvoering.
21. Bij de verdere beoordeling van het middel neem ik het volgende tot uitgangspunt. De Wet wapens en munitie (WWM) bestrijkt vier categorieën van wapens. Voor wapens van categorie I (kort gezegd: ongewenste niet-vuurwapens) zijn in artikel 13 WWM verschillende verboden geformuleerd, waaronder het voorhanden hebben van zo’n wapen. Een geluiddemper valt onder categorie I. Luchtdrukwapens vallen normaal gesproken onder categorie IV. Voor die wapens geldt alleen een draagverbod (artikel 27 WWM). Een luchtdrukwapen mag men wel voorhanden hebben, maar niet op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen onverpakt bij zich dragen.5.
22. In artikel 2 lid 1 aanhef en onder f van de Regeling wapens en munitie (RWM) is een geluiddemper nader gedefinieerd. Een geluiddemper is volgens deze definitie een los voorwerp, dat meestal aan de loopmond van een vuurwapen valt te bevestigen, en dat bestemd of geschikt is om te bewerkstelligen dat het geluid van een schot wordt gedempt. Er zijn ook dempers of geluiddemperadapters voor luchtdrukwapens. Deze hebben normaal gesproken een andere vorm dan dempers voor vuurwapens. Artikel 2 lid 1 aanhef en onder f RWM brengt mee dat het voorhanden hebben van zo’n demper strafbaar is, wanneer deze ook geschikt is om een schot van een vuurwapen te dempen.6.Voor het voorhanden hebben van (dit soort) dempers (en andere wapens) kan ontheffing worden aangevraagd (zie bijvoorbeeld artikel 4 WWM).
23. Uit de bewijsmotivering in deze zaak blijkt dat in de woning van de verdachte een geluiddemper is aangetroffen en dat deze van de verdachte was. Het hof heeft een proces-verbaal als bewijsmiddel gebruikt waaruit volgt dat deze geluiddemper op een vuurwapen is getest en dat geluid van het ontbranden van het slagsas met die demper aanmerkelijk minder was dan zonder geluiddemper. Gelet daarop is de bewezenverklaring van het hof en de verwerping van het verweer van de raadsvrouw toereikend gemotiveerd. Onder de geldende regeling doet het er dan verder niet toe dat de demper van de verdachte voor een luchtdrukwapen was bedoeld en dat de verdachte deze in een schietsportwinkel had gekocht, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder e WWM is ontheffing mogelijk voor sportdoeleinden. In feitelijke aanleg is niet gesteld of gebleken dat de verdachte die ontheffing heeft aangevraagd.
24. Het middel faalt.
Slotsom
25. Het eerste middel faalt. Omdat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en het middel over de bewezenverklaring van dat feit gaat, ligt het niet voor de hand het middel af te doen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.7.Het tweede middel faalt ook en kan wel worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
26. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de bestreden uitspraak aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2025
Eigenlijk heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans op het gevaar heeft aanvaard. Dat kan gelet op de inhoud van art. 157 Sr überhaupt niet tot vrijspraak kan leiden, omdat de dader geen opzet op het ontstaan van het gevaar hoeft te hebben, maar slechts op de handeling die dat gevaar laat ontstaan (vgl. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335, r.o. 3.3.).
HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997/199 m.nt. A.C. ‘t Hart. Het ging in deze zaak over de vraag of de verdachte, die reed in een Porsche, bij het veroorzaken van een frontale botsing met een andere auto voorwaardelijk opzet had op de dood van de inzittenden van de auto waarmee hij in botsing kwam en op de dood van de mede-inzittende van de Porsche. De Hoge Raad overwoog dat in dat soort gevallen, “dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen” de rechter in zijn oordeel dient te betrekken “dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toeneemt.”
Vgl. HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9078, NJ 1993/13; HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120; HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335, r.o. 3.3.
De definitie van art. 2 RWM geeft overigens geen drempel voor de hoeveelheid demping die de geluiddemper teweeg moet kunnen brengen, om voor geluiddemping ‘geschikt’ te zijn. Als de demper het geluid van het schot in enige mate kan verminderen, is dus al voldaan aan de voorwaarde van ‘geschiktheid’.
Vgl. H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 197-198.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.5.