Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.E:II.E. NOGMAALS: VERTEGENWOORDIGING EN BEHEER IN DE ERFRECHTELIJKE TWILIGHTZONE: TRANSMORTAAL OF POSTMORTAAL,'ECHTE' OF QUASI-OVEREENKOMST
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.E
II.E. NOGMAALS: VERTEGENWOORDIGING EN BEHEER IN DE ERFRECHTELIJKE TWILIGHTZONE: TRANSMORTAAL OF POSTMORTAAL,'ECHTE' OF QUASI-OVEREENKOMST
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS409358:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat het er op lijkt dat wij de ware aard van executele hebben gevonden, is het goed om, ter afsluiting van het algemeen deel de verschillende erfrechtelijke beheers- en vertegenwoordigingsvarianten met effect na overlijden, en al dan niet ter afbakening van de erfrechtelijke grenzen, bij wijze van resume, kort op een rij te zetten.
Allereerst is er de variant waarbij reeds beheers- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gevolmachtigde of lasthebber bestaat tijdens het leven van de lastgever of volmachtgever met de bijzonderheid dat deze niet eindigt door het overlijden van de lastgever of volmachtgever. Vergelijk art. 3:74 BWen art. 7:422 lid2 BW. Hier spreken wij van transmortale werking, aangezien reeds tijdens leven van degene die de rechtshandeling verricht van de bij deze rechtshandeling verleende bevoegdheden gebruik kan worden gemaakt. Deze bevoegdheid blijft na overlijden doorlopen.
Daarnaast bestaat er de variant waarbij eveneens reeds tijdens leven binding ontstaat door een overeenkomst tussen lastgever en lasthebber, maar waarbij de werking van de overeenkomst uitgesteld is tot na het overlijden van de lastgever: het 'postmortale mandaat'. Aangezien het hier om een overeenkomst gaat, valt deze figuur niet onder de definitie van uiterste wilsbeschikking zoals opgenomen in art. 4:42 BW. Een dergelijke overeenkomst dient echter steeds getoetst te worden aan de twee in art. 4:4 BW opgenomen erfrechtelijke beginselen:
Niemandmag belemmerdworden in zijn erfrechtelijke (beheers- en verte-genwoordigings)vrijheden, art. 4:4 lid 1 BW. Deze regel levert in beginsel geen probleem op, aangezien de lastgever nog steeds vrij is om bij uiterste wilsbeschikking een executeur (of testamentair bewindvoerder) te benoemen. Erfrechtelijke bevoegdheden zijn niet in het geding.
Men mag niet contracteren over de nalatenschap als zodanig ofeen evenredig deel daarvan, art. 4:4 lid 2 BW. Deze regel levert ook geen problemen op zolang het om goederen in concreto gaat en niet over de nalatenschap als zodanig. De lasthebber wordt niet in de positie van executeur gebracht. Iets anders is dat er een botsing zou kunnen ontstaan tussen de verschillende 'erfrechtelijke' beheersbevoegdheden.
Aangezien deze overeenkomst de strekking heeft om pas bij overlijden te werken, kan een verkrijging op grond van deze overeenkomst onder de quasi-legatenregeling als bedoeld in art. 4:126 BW vallen.
De derde variant is de variant die de rode draad is in het onderhavige on-derzoek,teweten hetbij eenzijdige rechtshandeling met werking na overlijden aanwijzen van een vertrouwenspersoon als erfrechtelijk vertegenwoordiger. Denk hierbij aan het verlenen van een onherroepelijke volmacht, waar de gevolmachtigde eerst na het overlijden van de volmachtgever gebruik van mag maken. Deze rechtshandeling, gericht of ongericht, wordt in beginsel gegrepen door de aanzuigende werking van het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen en getransformeerdin een executeurbenoeming. Deze rechtshandeling is niet alleen onderhevig aan de vormvoorschriften voor uiterste wilsbeschikkingen, maar valt ook onder het erfrechtelijk regime executele (en/of testamentair bewind). Een ander wellicht nog sprekender voorbeeld, met dezelfde rechtsgevolgen, is het aanbodtot het aangaan van een onopzegbare overeenkomst van privatieve lastgeving, dat eerst na overlijden van de lastgever aanvaard kan worden. Uit art. 4:143 BW dat handelt over de aanvaarding van executele, blijkt mijns inziens overduidelijk dat de wetgever deze eenzijdige rechtshandelingen transformeert in een'executele' (en/of testamentair bewind).
De verbintenissen die uit deze rechtsverhouding ontstaan zijn erfrechtelijke verbintenissen, waar het overeenkomstenrecht analoog op kan worden toegepast: de quasi- overeenkomstgedachte met privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Een dwingend gevolg van deze rechtshandelingen is dat zij herroepelijk zijn. Aan de erfrechtelijke verbintenis executele zit, zoals gezien, een goede-renrechtelijk aspect oftewel een bewindsaspect.
Een categorie met een status aparte is het testamentair bewindin de zin van afdeling 4.5.7 BW, dat in een apart hoofdstuk behandeld zal worden, en wel in Hfdst.V. Dit testamentair bewind kan blijkens art. 7:182 BW ook op de overeenkomst van schenking van toepassing worden verklaard.