Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.5.6
6.5.6 Ontslagbescherming
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS383681:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Zutphen 12 juli 1984, NJ 1986, 565. Zie ook J.C.M.G. Bloemarts, ‘Werknemers en insolventie: een discussiebijdrage over wenselijk recht’, in: A.M. Luttmer-Kat (red), Werknemers en insolventie van de werkgever: is de balans in evenwicht? Deventer: Kluwer 2000, p. 79.
Zie ook: M.F.H. Broekman, ‘De ondernemingsraad en faillissement’, ArbeidsRecht 1999, 21. Zie anders E. Loesberg, ‘Reactie op het artikel van mr. M.F.H. Broekman in ArbeidsRecht 1999/4, 21, ArbeidsRecht 1999, 44. Verstijlen lijkt een andere mening te zijn toegedaan. Hij stelt voorop dat de curator de WOR moet naleven, maar dat dit onder omstandigheden anders kan zijn. Als voorbeeld noemt hij hier de situatie dat sprake is van een botsing tussen art. 21 WOR en art. 40 FW. F.M.J. Verstijlen, De faillissementscurator. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de taak, bevoegdheden en persoonlijke aansprakelijkheid van de faillissementscurator. Deventer: Tjeenk Willink 1998, p. 139.
Wanneer het faillissement is uitgesproken, zal de curator geneigd zijn het personeel zo snel mogelijk te ontslaan, omdat de lonen van werknemers ex art. 40 FW op de boedel drukken. Ondernemingsraadsleden genieten ontslagbescherming op grond van art. 7:670 lid 4 BW en art. 21 WOR. Ten aanzien van de bijzondere opzegverboden uit boek 7 BW (art. 7:670 en 7:670a BW) is onduidelijk of deze van toepassing zijn tijdens faillissement. In veel gevallen zullen zij niet van toepassing zijn, omdat het faillissement het einde van de onderneming betreft (art. 7:670b BW), maar de curator kan de onderneming voortzetten. in dat geval is de heersende leer dat de opzegverboden niet van toepassing zijn. De Rechtbank Zutphen overwoog in 1980 dat het opzegverbod van art. 21 WOR gewoon toepassing vindt bij een ontslag van een ondernemingsraadlid door een curator.1 Naar het oordeel van de Rechtbank zou de wetgever het faillissement zeker onder de uitzonderingen van art. 21 WOR – dat van latere datum is dan art. 40 FW – hebben gebracht indien hij dit gewenst zou hebben. Bovendien moet er ook in het geval van faillissement voor worden gewaakt dat curatoren bij voorkeur aspirant-leden laten afvloeien. Art. 40 FW derogeert dan ook niet aan art. 21 WOR, aldus de Rechtbank Zutphen.2