Procestaal: Frans.
HvJ EU, 09-06-2022, nr. C-383/21, nr. C-384/21
ECLI:EU:C:2022:1022
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-06-2022
- Magistraten
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-383/21
C-384/21
- Conclusie
M. campos sánchez-bordona
- Roepnaam
Sambre & Biesme
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:1022, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑12‑2022
ECLI:EU:C:2022:456, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑06‑2022
Uitspraak 22‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Overheidsopdrachten — Richtlijn 2014/24/EU — Gunning van een overheidsopdracht zonder inleiding van een aanbestedingsprocedure — Overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector — Artikel 12, lid 3 — Overheidsopdrachten die inhouse worden gegund — Begrip ‘toezicht zoals op de eigen diensten’ — Voorwaarden — Vertegenwoordiging van alle deelnemende aanbestedende diensten — Artikel 12, lid 4 — Overeenkomst tussen aanbestedende diensten die gemeenschappelijke doelstellingen van algemeen belang nastreven — Begrip ‘samenwerking’ — Voorwaarden — Niet-uitvoering binnen de gestelde termijnen — Rechtstreekse werking
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-383/21 en C-384/21,*
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissingen van 15 juni 2021, ingekomen bij het Hof op 24 juni 2021, in de procedures
Sambre & Biesme CVBA (C-383/21),
Gemeente Farciennes (C-384/21)
tegen
Société wallonne du logement (SWL),
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 maart 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Sambre & Biesme CVBA, vertegenwoordigd door J. Laurent en C. Servais, advocaten,
- —
de gemeente Farciennes, vertegenwoordigd door J. Bourtembourg en N. Fortemps, advocaten,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.-C. Halleux, C. Pochet en L. Van den Broeck als gemachtigden, bijgestaan door M. Vastmans, advocaat,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en G. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65, met rectificaties in PB 2015, L 184, blz. 31, en PB 2020, L 317, blz. 40).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds de Société de logement de service public (openbare huisvestingsmaatschappij) Sambre & Biesme CVBA (hierna: ‘SLSP Sambre & Biesme’) (zaak C-383/21) en de gemeente Farciennes (België) (zaak C-384/21), en anderzijds de Société wallone du logement (Waalse huisvestingsmaatschappij; hierna: ‘SWL’) betreffende de nietigverklaring door de SWL van de besluiten van de raad van bestuur van SLSP Sambre & Biesme waarbij deze, ten eerste, de kaderovereenkomst voor gemeenschappelijke aanbestedingen met de gemeente Farciennes had goedgekeurd en, ten tweede, had besloten een overheidsopdracht voor asbestinventarisatiediensten niet voor mededinging open te stellen wegens een inhouseverhouding tussen SLSP Sambre & Biesme en de Intercommunale pour la gestion et la réalisation d'études techniques et économiques (intercommunale voor het beheer en de uitvoering van technische en economische studies; hierna: ‘Igretec’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 5, 31 en 33 van richtlijn 2014/24 luiden als volgt:
- ‘(5)
Er zij op gewezen dat geen enkele bepaling in deze richtlijn de lidstaten verplicht de dienstverlening waarvoor zij zelf zorg wensen te dragen of die zij willen organiseren met andere middelen dan overheidsopdrachten in de zin van deze richtlijn, uit te besteden of te outsourcen. Dienstverlening op grond van wet- of regelgeving of arbeidsovereenkomsten valt niet onder de werkingssfeer. In sommige lidstaten kan dit bijvoorbeeld het geval zijn voor bepaalde administratieve diensten en overheidsdiensten, zoals uitvoerende en wetgevende diensten of het verstrekken van bepaalde diensten aan de gemeenschap, zoals diensten op het gebied van buitenlandse zaken of justitie of verplichte socialezekerheidsdiensten.
[…]
- (31)
Er is een grote rechtsonzekerheid met betrekking tot de vraag in hoeverre de aanbestedingsregels moeten worden toegepast op opdrachten tussen entiteiten in de openbare sector. De desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wordt door de lidstaten en zelfs door de aanbestedende diensten op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd. Daarom moet worden verduidelijkt in welke gevallen de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op binnen de openbare sector gesloten overeenkomsten.
Hierbij moeten de beginselen die in de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden beschreven richtinggevend zijn. Het enkele feit dat beide partijen in een overeenkomst zelf overheidsdiensten zijn, sluit op zich de toepassing van aanbestedingsregels niet uit. De toepassing van aanbestedingsregels mag echter niet ten koste gaan van de vrijheid van overheidsdiensten om hun taken van algemeen belang te vervullen met gebruikmaking van hun eigen middelen, waaronder de mogelijkheid samen te werken met andere overheidsdiensten.
Er moet voor worden gezorgd dat vrijgestelde samenwerking tussen overheidsdiensten niet leidt tot vervalsing van de mededinging ten opzichte van particuliere ondernemers in die zin dat een particuliere dienstverlener bevoordeeld wordt ten opzichte van zijn concurrenten.
[…]
- (33)
Aanbestedende diensten moeten kunnen besluiten hun taken van algemeen belang gezamenlijk in een samenwerkingsverband te verrichten, zonder dat een bepaalde rechtsvorm moet worden gekozen. Deze samenwerking zou betrekking kunnen hebben op alle soorten activiteiten die verband houden met het verrichten van hun diensten en met hun verantwoordelijkheden in het algemeen belang, zoals taken die territoriale lichamen verplicht of vrijwillig op zich nemen of diensten waarvoor, krachtens publiek recht, specifieke instanties bevoegd zijn. De diensten die door de verschillende deelnemende instanties worden verleend hoeven niet noodzakelijkerwijs identiek te zijn; zij kunnen ook complementair zijn.
Opdrachten met het oog op het gezamenlijk verrichten van openbare diensten dienen niet onderworpen te zijn aan de voorschriften van onderhavige richtlijn, mits zij uitsluitend tussen aanbestedende diensten zijn gegund en deze samenwerking uitsluitend uit overwegingen van algemeen belang plaatsvindt, zodat geen enkele particuliere onderneming bevoordeeld wordt ten opzichte van haar concurrenten.
Om aan deze voorwaarden te voldoen, moet de samenwerking gebaseerd zijn op een samenwerkingsmodel. Bij deze samenwerking is niet vereist is dat alle deelnemende diensten de nakoming van de voornaamste contractuele verplichtingen op zich nemen, zolang er sprake is van verbintenissen om in een samenwerkingsverband bij te dragen tot het verrichten van de openbare dienst in kwestie. Bovendien moet de samenwerking, met inbegrip van eventuele financiële overdrachten tussen de deelnemende aanbestedende diensten, uitsluitend uit overwegingen van algemeen belang plaatsvinden.’
4
Titel I van deze richtlijn, met als opschrift ‘Toepassingsgebied, definities en algemene beginselen’, bevat een hoofdstuk I, ‘Toepassingsgebied en definities’, waarvan afdeling 3, ‘Uitsluitingen’, de artikelen 7 tot en met 12 omvat.
5
Artikel 12 van die richtlijn, ‘Overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector’, bepaalt:
- ‘1.
Een overheidsopdracht die door een aanbestedende dienst aan een andere privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon wordt gegund, valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de aanbestedende dienst oefent op die rechtspersoon toezicht uit zoals op zijn eigen diensten;
- b)
meer dan 80 % van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon wordt uitgeoefend in de vorm van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende dienst of door andere, door diezelfde aanbestedende dienst gecontroleerde rechtspersonen, en
- c)
er is geen directe participatie van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van geen controlerende of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal, vereist krachtens de nationale regelgeving, in overeenstemming met de Verdragen, die geen beslissende invloed uitoefenen op de gecontroleerde rechtspersoon.
Een aanbestedende dienst wordt geacht op een rechtspersoon toezicht zoals op zijn eigen diensten uit te oefenen in de zin van de eerste alinea, onder a), indien hij zowel op strategische doelstellingen als op belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon een beslissende invloed uitoefent. Dit toezicht kan ook worden uitgeoefend door een andere rechtspersoon, die zelf op dezelfde wijze door de aanbestedende dienst wordt gecontroleerd.
- 2.
Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer een gecontroleerde rechtspersoon die een aanbestedende dienst is, een opdracht gunt aan zijn aanbestedende dienst of aan een andere rechtspersoon die door dezelfde aanbestedende dienst wordt gecontroleerd, mits er geen directe participatie van privékapitaal is in de rechtspersoon aan wie de overheidsopdracht wordt gegund, met uitzondering van geen controlerende of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal, vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, in overeenstemming met de Verdragen, die geen beslissende invloed uitoefenen op de gecontroleerde rechtspersoon.
- 3.
Een aanbestedende dienst die op een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon geen controle uitoefent in de zin van lid 1, kan niettemin zonder deze richtlijn toe te passen een overheidsopdracht gunnen aan die rechtspersoon, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de aanbestedende dienst oefent samen met andere aanbestedende diensten op die rechtspersoon toezicht uit zoals op hun eigen diensten;
- b)
meer dan 80 % van de activiteiten van die rechtspersoon behelst de uitvoering van taken die [hem] zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere, door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen, en
- c)
er is geen directe participatie van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van geen controlerende of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal, vereist krachtens de nationale regelgeving, in overeenstemming met de Verdragen, die geen beslissende invloed uitoefenen op de gecontroleerde rechtspersoon.
Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea oefenen de aanbestedende diensten gezamenlijk toezicht uit over een rechtspersoon indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemende aanbestedende diensten; individuele vertegenwoordigers kunnen verscheidene of alle deelnemende aanbestedende diensten vertegenwoordigen;
- ii)
deze aanbestedende diensten zijn in staat gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon, en
- iii)
de gecontroleerde rechtspersoon streeft geen belangen na die in strijd zijn met de belangen van de controlerende aanbestedende diensten.
- 4.
Een opdracht die uitsluitend tussen twee of meer aanbestedende diensten wordt gegund valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn wanneer aan elk van de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
- a)
de opdracht voorziet in of geeft uitvoering aan samenwerking tussen de deelnemende aanbestedende diensten om te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren, worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen;
- b)
de invulling van die samenwerking berust uitsluitend op overwegingen in verband met het openbaar belang, en
- c)
de deelnemende aanbestedende diensten nemen op de open markt niet meer dan 20 % van de onder die samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening.
[…]’
6
Artikel 90 van deze richtlijn, ‘Omzetting en overgangsbepalingen’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 18 april 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.’
Belgisch recht
7
Richtlijn 2014/24 is in Belgisch recht omgezet bij de wet inzake overheidsopdrachten van 17 juni 2016 (Belgisch Staatsblad, 14 juli 2016, blz. 44219), die in werking is getreden op 30 juni 2017, na het verstrijken van de in artikel 90 van die richtlijn gestelde termijn voor omzetting ervan.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
8
SLSP Sambre & Biesme is een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de gemeenten Farciennes en Aiseau-Presles (België) de belangrijkste aandeelhouders zijn. Als openbare huisvestingsmaatschappij is haar toezichthouder de SWL, die optreedt namens de Waalse regering.
9
In 2015 hebben SLSP Sambre & Biesme en de gemeente Farciennes besloten hun krachten te bundelen om in Farciennes een groene wijk aan te leggen van ongeveer 150 woningen. Daartoe wensten partijen een beroep te doen op de diensten van Igretec om toe te zien op de uitvoering van hun project.
10
Igretec is een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die taken van algemeen belang vervult en uit dien hoofde een publiekrechtelijke rechtspersoon is. Zij is op verschillende gebieden actief. Zoals beschreven in haar statuten omvat haar maatschappelijk doel onder meer activiteiten als studie- en projectmanagementbureau.
11
De regels betreffende de organisatie en het functioneren van Igretec zijn te vinden in het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie alsmede in haar statuten. Uit dien hoofde heeft zij uitsluitend publiekrechtelijke rechtspersonen als aandeelhouder. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding telde zij onder haar aandeelhouders meer dan zeventig gemeenten, waaronder de gemeente Farciennes, en meer dan vijftig andere overheidsinstanties. Meer specifiek is het kapitaal van Igretec onderverdeeld in vijf categorieën aandelen, waarbij het aantal aandelen van categorie A, die zijn toebedeeld aan gemeenten, 5 054 351 beliep, en het aantal aandelen van categorie C, die zijn toebedeeld aan ‘andere publiekrechtelijke aandeelhouders’, 17 126.
12
Wat het functioneren van Igretec betreft, beschikken de gemeenten altijd over de meerderheid van de stemmen en over het voorzitterschap van de verschillende bestuursorganen en worden besluiten van de organen van Igretec alleen aangenomen indien zij, naast de meerderheid van de stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders, de meerderheid van de stemmen van de bestuurders uit de deelnemende gemeenten verkrijgen.
13
Op 29 oktober 2015 heeft SLSP Sambre & Biesme één maatschappelijk aandeel van categorie C in Igretec verworven, om als aandeelhouder gebruik te kunnen maken van haar diensten.
14
Op 23 maart 2016 heeft de gemeente Farciennes met Igretec een overeenkomst gesloten voor ondersteuning bij projectmanagement en juridische dienstverlening, alsmede een haalbaarheidsovereenkomst op het gebied van architectuur, stabiliteit, speciale technieken, wegen, milieu en stedenbouw. In het kader van deze taken heeft Igretec drie ontwikkelingsvarianten voorgesteld waarin het project van SLSP Sambre & Biesme was opgenomen, en heeft zij voorgesteld om een gezamenlijke overeenkomst te sluiten tussen SLSP Sambre & Biesme en de gemeente Farciennes.
15
Op 19 januari 2017 heeft de raad van bestuur van SLSP Sambre & Biesme ingestemd met, ten eerste, de ontwerpkaderovereenkomst voor de gezamenlijke opdrachten met de gemeente Farciennes en, ten tweede, het bijzondere bestek voor de aanwijzing van een deskundigenbureau voor het opstellen van de inventaris en het beheersplan in het kader van de asbestproblematiek. Dit door Igretec opgestelde bestek werd omschreven als de eerste stap in de verwezenlijking van het project voor een groene wijk in Farciennes.
16
Op 26 januari 2017 heeft de gemeenteraad van Farciennes deze kaderovereenkomst met SLSP Sambre & Biesme goedgekeurd.
17
Artikel 1 van die kaderovereenkomst, met als opschrift ‘Voorwerp’, bepaalt onder meer dat de gemeente Farciennes en SLSP Sambre & Biesme in die overeenkomst hun respectieve rechten en plichten bij het ontwerpen en realiseren van de groene wijk in Farciennes regelen en dat zij besluiten om gezamenlijke overheidsopdrachten voor diensten, werken en de promotie van werken te plaatsen.
18
In dit verband hebben zij de gemeente Farciennes aangewezen om namens hen gezamenlijk als aanbestedende dienst op te treden en zelfstandig alle besluiten over het plaatsen en gunnen van opdrachten te nemen, met dien verstande dat partijen, voordat enig besluit ter uitvoering van de kaderovereenkomst wordt genomen, overeenkomstig artikel 2 van voornoemde kaderovereenkomst overleg plegen in een bestuurscomité bestaande uit vertegenwoordigers van elk van hen.
19
Artikel 5 van de kaderovereenkomst, ‘Keuze voor ondersteuning bij projectmanagement voor de uitvoering van opdrachten voor diensten, werken en de promotie van werken en voor de realisatie van het stadsvernieuwingsdossier’, bepaalt dat ‘partijen […] in het kader van de inhouseverhouding die elke partij met [Igretec] verbindt, [overeenkomen] dat de gemeente Farciennes met die intercommunale […] een overeenkomst sluit voor ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en milieudiensten’.
20
Op 9 februari 2017 heeft de raad van bestuur van SLSP Sambre & Biesme besloten om, ten eerste, de sluiting van de kaderovereenkomst voor gezamenlijke aanbestedingen met de gemeente Farciennes goed te keuren en, ten tweede, gelet op de inhouseverhouding tussen SLSP Sambre & Biesme en Igretec, de overheidsopdracht voor asbestinventarisatiediensten waarvoor hij eerder het bijzondere bestek had goedgekeurd, niet voor mededinging open te stellen.
21
Bij besluit van 25 februari 2017 heeft de SWL, als toezichthouder, deze twee besluiten van de raad van bestuur van SLSP Sambre & Biesme nietig verklaard op grond dat tussen SLSP Sambre & Biesme en Igretec niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de inhouse-uitzondering.
22
SLSP Sambre & Biesme (zaak C-383/21) en de gemeente Farciennes (zaak C-384/21) hebben op 28 april respectievelijk 2 mei 2017 bij de Raad van State (België) beroep ingesteld tot nietigverklaring van dit besluit van de SWL. Zij betogen dat in de betrokken omstandigheden was voldaan aan de in artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/24 gestelde voorwaarden voor toepassing van een dergelijke uitzondering, zodat het was toegestaan om de betrokken overheidsopdrachten rechtstreeks te gunnen. Voorts stelt de gemeente Farciennes (zaak C-384/21) dat een gunning zonder oproep tot mededinging ook gerechtvaardigd is op basis van artikel 12, lid 4, van deze richtlijn, aangezien er sprake is van samenwerking tussen de aanbestedende diensten in de zin van die bepaling.
23
Aangezien de wet tot omzetting van die richtlijn ten tijde van de feiten van het hoofdgeding nog niet in werking was getreden, terwijl de in artikel 90 van richtlijn 2014/24 gestelde termijn voor een dergelijke omzetting reeds was verstreken, vraagt de verwijzende rechter zich om te beginnen af of de bij hem aanhangige gedingen in het licht van het arrest van 3 oktober 2019, Irgita (C-285/18, EU:C:2019:829), moeten worden beslecht op basis van artikel 12, leden 3 en 4, van deze richtlijn, terwijl de partijen in de hoofdgedingen het met name oneens zijn over de vraag of deze bepalingen er enkel toe dienen de lidstaten een mogelijkheid te bieden om de plaatsing van bepaalde overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector uit te sluiten van de werkingssfeer van voornoemde richtlijn.
24
Wat vervolgens de voorwaarden betreft waaraan moet zijn voldaan opdat een aanbestedende dienst die samen met andere aanbestedende diensten controle uitoefent op de betrokken rechtspersoon de opdracht in house kan gunnen, vraagt hij zich af op welke wijze deze aanbestedende dienst moet deelnemen in de organen van de gecontroleerde entiteit en daar daadwerkelijk toezicht op moet uitoefenen, met name op grond van het vereiste van artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van die richtlijn. Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat de aandeelhouders van categorie C, waartoe SLSP Sambre & Biesme behoort, zich in een aanzienlijke minderheidspositie bevonden, waardoor zij niet daadwerkelijk konden bijdragen aan het toezicht op Igretec.
25
Ten aanzien van de dominante positie van gemeenten, als aandeelhouders van categorie A, binnen de besluitvormingsorganen, preciseert de verwijzende rechter voorts dat de aanzienlijke minderheidspositie van aandeelhouders van categorie C hen de facto niet in staat stelde te beschikken over een bestuurder om hen in de raad van bestuur van Igretec te vertegenwoordigen, terwijl de statuten van Igretec, in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, geen enkele waarborg bevatten dat die aandeelhouders zouden worden vertegenwoordigd door een door hen aangewezen bestuurder. De verwijzende rechter stelt vast dat deze aandeelhouders in feite geen vertegenwoordiger hadden in de raad van bestuur of in de ‘permanente commissie van het studie- en projectmanagementbureau’, en leidt daaruit af dat de aandeelhouders van categorie C op geen enkele wijze deelnamen aan de uitoefening van gezamenlijk toezicht op Igretec.
26
De verwijzende rechter wijst er evenwel op dat verzoeksters in de hoofdgedingen betogen dat in de raad van bestuur van Igretec een lid van de gemeenteraad van Farciennes zitting had dat tegelijkertijd bestuurder van SLSP Sambre & Biesme was, en de gemeente Farciennes aandeelhouder was van zowel Igretec als SLSP Sambre & Biesme.
27
De verwijzende rechter preciseert evenwel dat niet is aangetoond dat een dergelijke omstandigheid juridisch was voorgeschreven en gewaarborgd. Bovendien had deze persoon zitting in de raad van bestuur van Igretec in zijn hoedanigheid van lid van de gemeenteraad van Farciennes, zonder dat kan worden aangenomen dat hij uit dien hoofde ook werd geacht de belangen van SLSP Sambre & Biesme te vertegenwoordigen.
28
Met het oog op de door verzoeksters van de verwijzende rechter verlangde concrete beoordeling om te bepalen of een aanbestedende dienst op de opdrachtnemende entiteit toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten, vraagt de verwijzende rechter zich af of op grond van een situatie als in de punten 26 en 27 van het onderhavige arrest is uiteengezet, kan worden geconcludeerd, zoals verzoeksters in het hoofdgeding betogen, dat SLSP Sambre & Biesme deel uitmaakte van de besluitvormingsorganen van Igretec en dus, via de gemeente Farciennes, samen met de andere aanbestedende diensten een dergelijk toezicht uitoefende op Igretec.
29
De verwijzende rechter preciseert ten eerste dat verzoeksters in het hoofdgeding weliswaar aanvoeren dat de gemeente Farciennes aandeelhouder is van zowel SLSP Sambre & Biesme als Igretec en op deze twee entiteiten toezicht uitoefent zoals op haar eigen diensten, maar dat zij zich niet willen beroepen op de mogelijkheid van rechtstreekse gunning van een overheidsopdracht tussen twee entiteiten die onder zeggenschap van dezelfde aanbestedende dienst staan. Ten tweede betwijfelt de verwijzende rechter of überhaupt is voldaan aan de voorwaarden voor uitsluiting van dergelijke gunningen van de werkingssfeer van de Unierechtelijke regels inzake overheidsopdrachten, aangezien de gemeente Farciennes haar toezicht samen met andere aanbestedende diensten uitoefent.
30
Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich ook af of de overheidsopdracht krachtens artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 zonder aanbestedingsprocedure kan worden gegund, omdat de gemeente Farciennes subsidiair aanvoert dat sprake is van samenwerking tussen de aanbestedende diensten in de zin van deze bepaling.
31
Dienaangaande twijfelt de verwijzende rechter of het in die bepaling gehanteerde begrip ‘samenwerking’ betrekking kan hebben op omstandigheden als die van het hoofdgeding op de enkele grond dat de aan Igretec toevertrouwde taken van ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en het verlenen van milieudiensten deel uitmaken van de samenwerking tussen SLSP Sambre & Biesme en de gemeente Farciennes met het oog op de realisering van een gezamenlijk project voor de aanleg van een groene wijk in Farciennes, dat deze gemeente en Igretec hoe dan ook verbonden zijn door een inhouseverhouding, en dat die gemeente en SLSP Sambre & Biesme lid zijn van Igretec in de sector van haar maatschappelijk doel, die precies betrekking heeft op de taken die zij haar willen toevertrouwen.
32
Daarop heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
In zaak C-383/21:
- ‘1)
Dient artikel [12, lid 3, van richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft?
- 2)
Indien die eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: dient artikel [12, lid 3, van richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat aan de voorwaarde dat een aanbestedende dienst, in casu een openbare huisvestingsmaatschappij, is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, is voldaan louter op grond dat een persoon die in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van een andere deelnemende aanbestedende dienst, in casu een gemeente, zitting heeft in de raad van bestuur van die intercommunale coöperatieve vennootschap, vanwege uitsluitend feitelijke omstandigheden en zonder juridisch gegarandeerde vertegenwoordiging ook bestuurder blijkt te zijn van de openbare huisvestingsmaatschappij, terwijl de gemeente (niet-exclusieve) aandeelhouder is van zowel de gecontroleerde entiteit (intercommunale coöperatieve vennootschap) als de openbare huisvestingsmaatschappij?
- 3)
Indien die eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: dient te worden aangenomen dat een aanbestedende dienst, in casu een openbare huisvestingsmaatschappij, ‘deel uitmaakt’ van de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, louter op grond dat een persoon die in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van een andere deelnemende aanbestedende dienst, in casu een gemeente, zitting heeft in de raad van bestuur van die intercommunale coöperatieve vennootschap, vanwege uitsluitend feitelijke omstandigheden en zonder juridisch gegarandeerde vertegenwoordiging ook bestuurder blijkt te zijn van de openbare huisvestingsmaatschappij, terwijl de gemeente (niet-exclusieve) aandeelhouder is van zowel de gecontroleerde entiteit (intercommunale coöperatieve vennootschap) als de openbare huisvestingsmaatschappij?’
In zaak C-384/21:
- ‘1)
Dient artikel [12, lid 3, van richtlijn 2014/2014] aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft?
- 2)
Indien die eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: dient artikel [12, lid 3, van richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat aan de voorwaarde dat een aanbestedende dienst, in casu een openbare huisvestingsmaatschappij, is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, is voldaan louter op grond dat een persoon die in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van een andere deelnemende aanbestedende dienst, in casu een gemeente, zitting heeft in de raad van bestuur van die intercommunale coöperatieve vennootschap, vanwege uitsluitend feitelijke omstandigheden en zonder juridisch gegarandeerde vertegenwoordiging ook bestuurder blijkt te zijn van de openbare huisvestingsmaatschappij, terwijl de gemeente (niet-exclusieve) aandeelhouder is van zowel de gecontroleerde entiteit (intercommunale coöperatieve vennootschap) als de openbare huisvestingsmaatschappij?
- 3)
Indien die eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: dient te worden aangenomen dat een aanbestedende dienst, in casu een openbare huisvestingsmaatschappij, ‘deel uitmaakt’ van de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, louter op grond dat een persoon die in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van een andere deelnemende aanbestedende dienst, in casu een gemeente, zitting heeft in de raad van bestuur van die intercommunale coöperatieve vennootschap, vanwege uitsluitend feitelijke omstandigheden en zonder juridisch gegarandeerde vertegenwoordiging ook bestuurder blijkt te zijn van de openbare huisvestingsmaatschappij, terwijl de gemeente (niet-exclusieve) aandeelhouder is van zowel de gecontroleerde entiteit (intercommunale coöperatieve vennootschap) als de openbare huisvestingsmaatschappij?
- 4)
Dient artikel [12, lid 4, van richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft?
- 5)
Indien [de vierde] vraag bevestigend moet worden beantwoord: dient artikel [12, lid 4, van richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat taken bestaande in ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en milieudiensten zonder voorafgaande oproep tot mededinging aan een aanbestedende dienst, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, mogen worden toevertrouwd, voor zover die taken passen in het kader van samenwerking tussen twee andere aanbestedende diensten, in casu een gemeente en een openbare huisvestingsmaatschappij, er niet wordt betwist dat de gemeente gezamenlijk inhousetoezicht op de intercommunale coöperatieve vennootschap uitoefent, en de gemeente en de openbare huisvestingsmaatschappij lid zijn van de intercommunale coöperatieve vennootschap die overeenkomstig haar maatschappelijk doel actief is als ‘studie- en projectmanagementbureau en aankoopcentrale’ waarop de taken die zij haar willen toevertrouwen betrekking hebben, welke taken overeenkomen met werkzaamheden die op de markt worden verricht door studie- en projectmanagementbureaus die gespecialiseerd zijn in het ontwerp, de realisatie en de uitvoering van projecten?’
33
Bij beslissing van de president van het Hof van 27 augustus 2021 zijn de zaken C-383/21 en C-384/21 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag in zaak C-383/21 en eerste en vierde vraag in zaak C-384/21
34
Met zijn eerste vraag in zaak C-383/21 en zijn eerste en vierde vraag in zaak C-384/21 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft in gedingen tussen publiekrechtelijke rechtspersonen over de rechtstreekse gunning van overheidsopdrachten wanneer de betrokken lidstaat deze richtlijn niet binnen de gestelde termijnen in nationaal recht heeft omgezet.
35
Uit vaste rechtspraak volgt dat het in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, mogelijk is om zich voor de nationale rechterlijke instanties op die bepalingen te beroepen tegenover de betrokken lidstaat, hetzij wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn tijdig in nationaal recht om te zetten, hetzij wanneer hij dit op onjuiste wijze heeft gedaan (arrest van 14 januari 2021, RTS infra en Aannemingsbedrijf Norré-Behaegel, C-387/19, EU:C:2021:13, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Krachtens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindende karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om deze aan te voeren, slechts ten aanzien van ‘elke lidstaat waarvoor zij bestemd is’. Bijgevolg kan volgens vaste rechtspraak een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen en dus niet als zodanig tegenover een particulier worden ingeroepen voor een nationale rechterlijke instantie (arrest van 12 december 2013, Portgás, C-425/12, EU:C:2013:829, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Wanneer justitiabelen zich niet tegenover een particulier maar tegenover een lidstaat op een richtlijn kunnen beroepen, kunnen zij dat echter doen ongeacht de hoedanigheid waarin deze lidstaat optreedt. Er moet namelijk worden voorkomen dat de lidstaat voordeel kan putten uit zijn schending van het Unierecht (zie in die zin arrest van 7 juli 2016, Ambisig, C-46/15, EU:C:2016:530, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Justitiabelen kunnen zich dus op onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen van een richtlijn beroepen, niet alleen tegenover een lidstaat en zijn overheidsinstanties, maar ook tegenover lichamen of entiteiten, zelfs indien zij privaatrechtelijk van aard zijn, die onder gezag of toezicht staan van een overheidsinstantie, ofwel waaraan een lidstaat een taak van algemeen belang heeft opgedragen en die daartoe over bevoegdheden beschikken die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden (arrest van 30 april 2020, Blue Air — Airline Management Solutions, C-584/18, EU:C:2020:324, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Aangezien de verplichting voor een lidstaat om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om het door een richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken een dwingende verplichting is — die wordt opgelegd door artikel 288, derde alinea, VWEU en door de richtlijn zelf — en deze verplichting geldt voor alle in het vorige punt bedoelde entiteiten, zijn gedingen tussen deze entiteiten gedingen waarbij de partijen gehouden zijn de betrokken richtlijn toe te passen en waarin bijgevolg de onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen van die richtlijn kunnen worden ingeroepen. Hieruit volgt dat die bepalingen in het kader van dergelijke gedingen kunnen worden ingeroepen, ongeacht of het er voor die entiteiten om gaat de daarin opgelegde verplichtingen te handhaven dan wel de door die bepalingen aan hen toegekende rechten in te roepen (zie in die zin arrest van 12 december 2013, Portgás, C-425/12, EU:C:2013:829, punten 34, 35 en 38).
40
In casu volgt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de partijen in de hoofdgedingen aan richtlijn 2014/24 gebonden publiekrechtelijke rechtspersonen zijn. Hieruit volgt dat de aanbestedende diensten in deze gedingen — dat wil zeggen SLSP Sambre & Biesme en de gemeente Farciennes — zich op de bepalingen van deze richtlijn kunnen beroepen voor zover zij onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, hoewel die richtlijn niet binnen de gestelde termijnen in de nationale rechtsorde is omgezet.
41
In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat een Unierechtelijke bepaling onvoorwaardelijk is wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Europese Unie of van de lidstaten, en voldoende nauwkeurig is om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast wanneer de erin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd (arrest van 14 januari 2021, RTS infra en Aannemingsbedrijf Norré-Behaegel, C-387/19, EU:C:2021:13, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat is het geval voor artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24.
42
Wat in de eerste plaats het onvoorwaardelijke karakter van deze bepalingen betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de verwijzende rechter, zoals weergegeven in punt 23 van het onderhavige arrest, in het licht van het arrest van 3 oktober 2019, Irgita (C-285/18, EU:C:2019:829), twijfels heeft over de strekking van die bepalingen, terwijl de partijen in de hoofdgedingen het met name oneens zijn over de vraag of die bepalingen er enkel toe dienen de lidstaten een mogelijkheid te bieden om de plaatsing van bepaalde overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector uit te sluiten van de werkingssfeer van die richtlijn. In voorkomend geval zouden de aanbestedende diensten zich namelijk niet op dergelijke uitsluitingen kunnen beroepen wanneer de betrokken lidstaat, bij gebreke van omzetting van deze richtlijn, geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid.
43
In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 12 van richtlijn 2014/24 overeenkomstig het opschrift van de afdeling waarvan het deel uitmaakt in wezen bepaalt dat overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector die voldoen aan de daarin genoemde criteria van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten. Een aanbestedende dienst moet deze criteria dus in acht nemen wanneer hij een dergelijke overheidsopdracht rechtstreeks wenst te gunnen. In het bijzonder hebben de leden 3 en 4 van dit artikel 12 betrekking op, ten eerste, overheidsopdrachten die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een rechtspersoon waarover hij samen met andere aanbestedende diensten toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten en, ten tweede, overheidsopdrachten die uitsluitend tussen aanbestedende diensten worden gegund om een onderlinge samenwerking tot stand te brengen of daar uitvoering aan te geven teneinde te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren, worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen.
44
Aldus heeft richtlijn 2014/24 in artikel 12 de door het Hof ontwikkelde rechtspraak inzake rechtstreekse gunningen gecodificeerd en gepreciseerd, wat duidelijk maakt dat de Uniewetgever deze regeling voor rechtstreekse gunning heeft willen koppelen aan die richtlijn (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, Rhenus Veniro, C-253/18, EU:C:2019:386, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, heeft artikel 12 van die richtlijn de lidstaten dus niet de vrijheid ontnomen om de voorkeur te geven aan één bepaalde wijze van dienstverlening, uitvoering van werken of levering van goederen boven een andere. Een dergelijke vrijheid impliceert immers een keuze die wordt gemaakt in een fase voorafgaand aan de plaatsing van een opdracht en die dus niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 valt (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Irgita, C-285/18, EU:C:2019:829, punt 44, en beschikkingen van 6 februari 2020, Pia Opera Croce Verde Padova, C-11/19, EU:C:2020:88, punten 41 en 47, en 6 februari 2020, Rieco, C-89/19–C-91/19, EU:C:2020:87, punten 33, 39 en 40).
46
Bovendien geven overweging 5 en overweging 31, tweede alinea, van richtlijn 2014/24 blijk van de wil van de Uniewetgever om de lidstaten de vrijheid te laten om de wijze van dienstverlening te kiezen waarmee de aanbestedende diensten in hun behoeften kunnen voorzien (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Irgita, C-285/18, EU:C:2019:829, punt 45, en beschikkingen van 6 februari 2020, Pia Opera Croce Verde Padova, C-11/19, EU:C:2020:88, punten 42 en 47, en 6 februari 2020, Rieco, C-89/19—C-91/19, EU:C:2020:87, punten 34, 39 en 40).
47
In overweging 5 van die richtlijn staat namelijk te lezen dat geen enkele bepaling ervan de lidstaten verplicht om de dienstverlening waarvoor zij zelf zorg wensen te dragen of die zij willen organiseren met andere middelen dan overheidsopdrachten in de zin van deze richtlijn, uit te besteden of te outsourcen. Daarnaast wordt in overweging 31, tweede alinea, aangegeven dat het enkele feit dat beide partijen in een overeenkomst zelf overheidsdiensten zijn weliswaar niet de toepassing van aanbestedingsregels uitsluit, maar dat de toepassing van die regels niet ten koste mag gaan van de vrijheid van overheidsdiensten om hun taken van algemeen belang te vervullen met gebruikmaking van hun eigen middelen, waaronder de mogelijkheid om samen te werken met andere overheidsdiensten.
48
Het Hof heeft daaruit afgeleid dat richtlijn 2014/24 de lidstaten noch verplicht om van aanbestedende diensten te vereisen dat zij gebruikmaken van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht noch kan dwingen om gebruik te maken van de in artikel 12 van die richtlijn bedoelde methode wanneer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Irgita, C-285/18, EU:C:2019:829, punt 46, en beschikkingen van 6 februari 2020, Pia Opera Croce Verde Padova, C-11/19, EU:C:2020:88, punten 43 en 47, en 6 februari 2020, Rieco, C-89/19–C-91/19, EU:C:2020:87, punten 35, 39 en 40).
49
Uit het voorgaande volgt dat de lidstaten inderdaad vrij blijven om in de nationale wetgeving voorwaarden te stellen voor het gebruik van de in artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 bedoelde overheidsopdrachten door entiteiten in de overheidssector. Wanneer het aanbestedende diensten krachtens het nationale recht is toegestaan een beroep te doen op een van de in die bepalingen voorziene uitsluitingen van de werkingssfeer van deze richtlijn, kunnen overheidsopdrachten die voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden niettemin rechtstreeks worden gegund, zonder dat de betrokken lidstaat daarvoor gebruik hoeft te maken van een mogelijkheid daartoe. Voor zover de bepalingen van dit artikel ten aanzien van deze aanbestedende diensten eisen stellen voor de toepassing van de regels van die richtlijn die voor hun uitvoering of werking niet afhangen van enige verdere handeling, hebben zij derhalve een onvoorwaardelijk karakter in de zin van de in punt 41 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
50
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of die bepalingen voldoende nauwkeurig zijn, volstaat het op te merken dat artikel 12 van richtlijn 2014/24 de rechtspraak van het Hof op het gebied van rechtstreekse gunning codificeert en preciseert, zoals in herinnering gebracht in punt 44 van het onderhavige arrest, door in ondubbelzinnige bewoordingen, met name in de leden 3 en 4 ervan, de vereisten te formuleren waaraan de uitvoering van dit systeem van rechtstreekse gunning door de aanbestedende diensten moet voldoen, om een einde te maken aan de uiteenlopende wijze waarop die rechtspraak werd geïnterpreteerd, zoals blijkt uit overweging 31 van die richtlijn.
51
Derhalve moet worden geconcludeerd dat artikel 12, leden 3 en 4, van deze richtlijn het onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige karakter heeft dat is vereist om rechtstreekse werking te hebben in gedingen tussen publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de hoofdgedingen.
52
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag in zaak C-383/21 en de eerste en de vierde vraag in zaak C-384/21 worden geantwoord dat artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft in gedingen tussen publiekrechtelijke rechtspersonen over de rechtstreekse gunning van overheidsopdrachten wanneer de betrokken lidstaat deze richtlijn niet binnen de gestelde termijnen in nationaal recht heeft omgezet.
Tweede vraag in de zaken C-383/21 en C-384/21
53
Met zijn tweede vraag in de zaken C-383/21 en C-384/21 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat bij de vaststelling of een aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op de rechtspersoon waaraan de opdracht is gegund toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten, wordt voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat een aanbestedende dienst is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon op grond van het enkele feit dat de vertegenwoordiger van een andere aanbestedende dienst, die ook lid is van de raad van bestuur van de eerste aanbestedende dienst, zitting heeft in de raad van bestuur van de gecontroleerde rechtspersoon.
54
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen (arrest van 9 juni 2022, IMPERIAL TOBACCO BULGARIA, C-55/21, EU:C:2022:459, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/24 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling ziet op een van de criteria waaraan moet zijn voldaan om overeenkomstig artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder a), van deze richtlijn vast te stellen dat een aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op de betrokken rechtspersoon toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten.
56
In casu bepaalt artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van die richtlijn dat de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon moeten zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemende aanbestedende diensten, waarbij een en dezelfde persoon verscheidene of alle deelnemende aanbestedende diensten kan vertegenwoordigen.
57
Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dus dat deze vereist dat een aanbestedende dienst die gezamenlijk toezicht uitoefent op een rechtspersoon, beschikt over een als vertegenwoordiger van die aanbestedende dienst optredend lid van de besluitvormingsorganen van die rechtspersoon, welk lid in voorkomend geval ook andere aanbestedende diensten kan vertegenwoordigen.
58
Deze uitlegging vindt in de tweede plaats steun in de context van die bepaling.
59
Ten eerste bepaalt artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/24, dat betrekking heeft op het geval waarin één aanbestedende dienst op de rechtspersoon waaraan een overheidsopdracht is gegund toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten, namelijk in de tweede alinea ervan dat dit toezicht ook kan worden uitgeoefend door een andere rechtspersoon, die zelf op dezelfde wijze door de aanbestedende dienst wordt gecontroleerd.
60
Voorts is in artikel 12, lid 2, bepaald dat lid 1 ervan ook van toepassing kan zijn wanneer een gecontroleerde rechtspersoon die zelf een aanbestedende dienst is, een opdracht gunt aan de aanbestedende dienst die hem controleert, of aan een andere rechtspersoon die onder toezicht van dezelfde aanbestedende dienst staat.
61
Artikel 12, lid 3, van deze richtlijn bepaalt daarentegen dat een aanbestedende dienst die geen toezicht uitoefent op een rechtspersoon in de zin van artikel 12, lid 1, niettemin aan die rechtspersoon een overheidsopdracht kan gunnen zonder deze richtlijn toe te passen, wanneer die aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten toezicht uitoefent op de betrokken rechtspersoon. Het is echter van belang te benadrukken dat deze bepaling, anders dan de leden 1 en 2 van dat artikel, niet bepaalt dat op indirecte wijze kan worden voldaan aan de voorwaarden inzake het toezicht door de aanbestedende dienst op de rechtspersoon waaraan de opdracht wordt gegund.
62
In het bijzonder vereist het in artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/24 bedoelde vereiste van vertegenwoordiging dat een aanbestedende dienst deelneemt in de besluitvormingsorganen van de rechtspersoon waar samen met andere aanbestedende diensten toezicht op wordt uitgeoefend via een vertegenwoordiger van die aanbestedende dienst zelf. Aan dit vereiste kan dus niet worden voldaan via een lid van deze organen dat daar alleen zitting in heeft als vertegenwoordiger van een andere aanbestedende dienst.
63
Ten tweede stelt artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder ii), van deze richtlijn als voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te kunnen vaststellen dat de aanbestedende diensten samen toezicht uitoefenen op een rechtspersoon in de zin van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder a), van die richtlijn dat deze aanbestedende diensten in staat zijn gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen van de gecontroleerde rechtspersoon en op de belangrijke beslissingen die deze kan nemen.
64
Gelet op de strekking van de in artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder ii), van richtlijn 2014/24 gestelde voorwaarde, die betrekking heeft op het bepalen van de inhoud van die doelstellingen en besluiten, moet het criterium van artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van deze richtlijn dus aldus worden opgevat dat het ertoe strekt een afzonderlijk vereiste te stellen inzake de formele voorwaarden voor deelname van die aanbestedende diensten in de besluitvormingsorganen van de betrokken rechtspersoon.
65
Deze vaststellingen worden bevestigd door de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 12, lid 3, tweede alinea, van die richtlijn.
66
Zoals blijkt uit overweging 31 van voornoemde richtlijn heeft de Uniewetgever opgemerkt dat er een grote rechtsonzekerheid was met betrekking tot de vraag in hoeverre de aanbestedingsregels moesten worden toegepast op opdrachten tussen entiteiten in de openbare sector, en er derhalve behoefte was aan verduidelijking in dat verband, en overwogen dat die verduidelijkingen moesten worden gebaseerd op de beginselen uit de relevante rechtspraak van het Hof en er dus niet toe dienden die rechtspraak ter discussie te stellen (zie in die zin arrest van 28 mei 2020, Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung, C-796/18, EU:C:2020:395, punt 66).
67
In dit verband blijkt uit deze rechtspraak dat de vraag of een aanbestedende dienst op de betrokken rechtspersoon toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten, moet worden beoordeeld in het licht van alle relevante wetsbepalingen en omstandigheden. De in aanmerking te nemen factoren omvatten dus niet alleen de feitelijke omstandigheden, maar ook de toepasselijke wetgeving en met name de in de statuten van die rechtspersoon opgenomen toezichtsmechanismen (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Sea, C-573/07, EU:C:2009:532, punten 65 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
In het kader van de verduidelijking van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de voorwaarden waaronder opdrachten tussen entiteiten in de overheidssector niet onder de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten vallen, heeft de Uniewetgever het vereiste in verband met die voorwaarde van vertegenwoordiging willen verscherpen.
69
Zo moet worden opgemerkt dat het feit dat de besluitvormingsorganen van de betrokken rechtspersoon bestaan uit vertegenwoordigers van aanbestedende diensten die samen toezicht op hem uitoefenen, vóór de vaststelling van richtlijn 2014/24 een van de factoren was waarmee rekening werd gehouden om vast te stellen dat de betrokken aanbestedende dienst een beslissende invloed kon uitoefenen op zowel de strategische doelstellingen als de belangrijke beslissingen van die rechtspersoon (zie met name arresten van 13 november 2008, Coditel Brabant, C-324/07, EU:C:2008:621, punten 28, 29, 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 september 2009, Sea, C-573/07, EU:C:2009:532, punten 65, 66 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
De Uniewetgever heeft van de voorwaarden inzake de vertegenwoordiging van aanbestedende diensten die samen toezicht uitoefenen op de rechtspersoon waaraan de opdracht is gegund een autonoom vereiste willen maken ten aanzien van het vereiste inzake de mogelijkheid om een dergelijke beslissende invloed uit te oefenen, door deze op te nemen in afzonderlijke bepalingen, namelijk artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i) en ii), van die richtlijn.
71
In de derde plaats vindt de uitlegging dat deze bepaling vereist dat een aanbestedende dienst die een dergelijk gezamenlijk toezicht uitoefent deelneemt in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon via een lid van die organen dat optreedt als vertegenwoordiger van deze aanbestedende dienst zelf, welk lid in voorkomend geval ook andere aanbestedende diensten kan vertegenwoordigen, bevestiging in het met artikel 12, lid 3, van deze richtlijn nagestreefde doel.
72
Zoals in de punten 46 en 48 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, vloeit de uitsluiting van de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 van overheidsopdrachten die voldoen aan de criteria van met name artikel 12, lid 3, daarvan immers voort uit de in overweging 5 en overweging 31, tweede alinea, van deze richtlijn erkende vrijheid van de lidstaten om te bepalen dat overheidsdiensten bepaalde diensten zelf kunnen verrichten en de hun toevertrouwde taken van algemeen belang kunnen vervullen met gebruikmaking van hun eigen middelen.
73
Een aanbestedende dienst kan niet worden geacht gebruik te maken van zijn eigen middelen en zelf te handelen wanneer hij niet in staat is invloed uit te oefenen in de besluitvormingsorganen van de rechtspersoon waaraan de overheidsopdracht wordt gegund via een vertegenwoordiger die namens die aanbestedende dienst zelf en, in voorkomend geval, namens andere aanbestedende diensten optreedt, en wanneer de behartiging van zijn belangen binnen deze besluitvormingsorganen bijgevolg ervan afhangt of die belangen gelijk zijn aan de belangen die de andere aanbestedende diensten binnen die organen aanvoeren via hun eigen vertegenwoordigers.
74
In casu lijkt op basis van de aan het Hof verstrekte gegevens, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, in de omstandigheden van de hoofdgedingen niet te zijn voldaan aan het in artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/24 gestelde vereiste dat een aanbestedende dienst die gezamenlijk toezicht uitoefent op een rechtspersoon deelneemt in de besluitvormingsorganen van die rechtspersoon via een lid van die organen dat optreedt als vertegenwoordiger van deze aanbestedende dienst zelf, waarbij dit lid in voorkomend geval ook andere aanbestedende diensten kan vertegenwoordigen. De aandeelhouders van categorie C, waartoe SLSP Sambre & Biesme behoort, beschikten met name over geen enkele vertegenwoordiger in de raad van bestuur van Igretec, en het gemeenteraadslid, dat weliswaar ook lid was van de raad van bestuur van SLSP Sambre & Biesme, had alleen zitting in de raad van bestuur van Igretec als vertegenwoordiger van de gemeente Farciennes, die aandeelhouder van categorie A was.
75
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag in de zaken C-383/21 en C-384/21 worden geantwoord dat artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat bij de vaststelling of een aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op de rechtspersoon waaraan de opdracht is gegund toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten, niet wordt voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat een aanbestedende dienst is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon op grond van het enkele feit dat de vertegenwoordiger van een andere aanbestedende dienst, die ook lid is van de raad van bestuur van de eerste aanbestedende dienst, zitting heeft in de raad van bestuur van de gecontroleerde rechtspersoon.
Derde vraag in de zaken C-383/21 en C-384/21
76
Gelet op het antwoord op de eerste vraag in de zaken C-383/21 en C-384/21 hoeft de derde vraag in die zaken niet te worden beantwoord.
Vijfde vraag in zaak C-384/21
77
Met zijn vijfde vraag in zaak C-384/21 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een overheidsopdracht waarbij aan een aanbestedende dienst taken van algemeen belang worden toevertrouwd die passen in het kader van samenwerking tussen andere aanbestedende diensten, van de werkingssfeer van deze richtlijn is uitgesloten.
78
Vooraf moet worden opgemerkt dat de leden 1 tot en met 4 van artikel 12 van deze richtlijn betrekking hebben op afzonderlijke gevallen van uitsluiting van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten, en er voor elk van deze gevallen specifieke voorwaarden gelden.
79
Artikel 12, lid 4, onder a), van die richtlijn bepaalt dat een overheidsopdracht die uitsluitend tussen twee of meer aanbestedende diensten wordt gegund buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn valt wanneer die opdracht voorziet in of uitvoering geeft aan samenwerking tussen de deelnemende aanbestedende diensten om te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren, worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen. Voorts is volgens de punten b) en c) van dat lid vereist dat de invulling van die samenwerking uitsluitend berust op overwegingen in verband met het openbaar belang en dat de deelnemende aanbestedende diensten op de open markt niet meer dan 20 % van de onder die samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening nemen.
80
Hieruit volgt dat omstandigheden zoals het feit dat er tussen bepaalde aanbestedende diensten een inhouseverhouding bestaat of dat de aanbestedende diensten die de betrokken overheidsopdracht gunnen, aandeelhouder zijn van de aanbestedende dienst waaraan — via de betrokken overheidsopdracht — de uitvoering van bepaalde taken wordt toevertrouwd, op zich niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 ziet op een situatie waarin een aanbestedende dienst zijn taken vervult in het kader van samenwerking tussen andere aanbestedende diensten.
81
Anderzijds moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van deze bepaling het begrip ‘samenwerking’ een doorslaggevende rol toekennen in de daarin vervatte uitsluitingsregeling. In dit verband volgt het vereiste van daadwerkelijke samenwerking ook uit de precisering in overweging 33, derde alinea, van deze richtlijn dat de samenwerking gebaseerd moet zijn ‘op een samenwerkingsmodel’. Deze — op het eerste gezicht tautologische — formulering moet aldus worden opgevat dat daarmee wordt verwezen naar het vereiste van de doeltreffendheid van de samenwerking die op die manier wordt vastgesteld of tot stand wordt gebracht (zie in die zin arrest van 4 juni 2020, Remondis, C-429/19, EU:C:2020:436, punten 26 en 28).
82
De betrokken overheidsopdracht moet dus het resultaat zijn van een door de overeenkomstsluitende partijen samen genomen initiatief tot samenwerking. De uitwerking van samenwerking tussen entiteiten in de overheidssector heeft immers een dimensie die wijst op een intrinsieke behoefte aan samenwerking die ontbreekt bij de plaatsing van een overheidsopdracht die onder voornoemde richtlijn valt (zie in die zin arrest van 4 juni 2020, Remondis, C-429/19, EU:C:2020:436, punt 32).
83
Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie heeft benadrukt, vereist een dergelijke samenwerkingsdimensie dat de betrokken samenwerking, om onder artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 te vallen, gericht moet zijn op het bereiken van doelstellingen die voor alle aanbestedende diensten gemeenschappelijk zijn.
84
Een dergelijke voor alle aanbestedende diensten gemeenschappelijke doelstelling ontbreekt wanneer een van de aanbestedende diensten met de vervulling van zijn taken uit hoofde van de betrokken overheidsopdracht niet de doelstellingen nastreeft die hij met de andere aanbestedende diensten deelt, maar enkel bijdraagt tot de verwezenlijking van doelstellingen die alleen deze andere aanbestedende diensten gemeen hebben.
85
In dergelijke omstandigheden heeft de betrokken overheidsopdracht uitsluitend betrekking op het verkrijgen van een dienst tegen betaling van een vergoeding, zodat zij niet onder de uitsluiting van artikel 12, lid 4, van die richtlijn valt (zie in die zin arrest van 4 juni 2020, Remondis, C-429/19, EU:C:2020:436, punten 36–38).
86
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt uit de aan het Hof overgelegde gegevens dat de deelneming van Igretec aan een overheidsopdracht voor de tenuitvoerlegging van het project voor een groene wijk in Farciennes in de omstandigheden van het hoofdgeding niet onder deze uitsluiting kan vallen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 69 en 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt, voert Igretec haar taken weliswaar uit in het kader van de samenwerking tussen SLSP Sambre & Biesme en de gemeente Farciennes om hen bij te staan bij de tenuitvoerlegging van hun gezamenlijke project voor de aanleg van een groene wijk in Farciennes, maar neemt dit niet weg dat een dergelijke tenuitvoerlegging op zich geen door Igretec nagestreefde doelstelling is.
87
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de vijfde vraag in zaak C-384/21 worden geantwoord dat artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een overheidsopdracht waarbij aan een aanbestedende dienst taken van algemeen belang worden toevertrouwd die passen in het kader van samenwerking tussen andere aanbestedende diensten, niet van de werkingssfeer van deze richtlijn is uitgesloten wanneer de aanbestedende dienst waaraan die taken zijn toevertrouwd met de vervulling daarvan geen doelstellingen nastreeft die hij deelt met de andere aanbestedende diensten, maar zich beperkt tot een bijdrage tot de verwezenlijking van doelstellingen die alleen die andere aanbestedende diensten gemeen hebben,.
Kosten
88
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 12, leden 3 en 4, richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG
moet aldus worden uitgelegd dat
het rechtstreekse werking heeft in gedingen tussen publiekrechtelijke rechtspersonen over de rechtstreekse gunning van overheidsopdrachten wanneer de betrokken lidstaat deze richtlijn niet binnen de gestelde termijnen in nationaal recht heeft omgezet.
- 2)
Artikel 12, lid 3, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/24
moet aldus worden uitgelegd dat
bij de vaststelling of een aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op de rechtspersoon waaraan de opdracht is gegund toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten, niet wordt voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat een aanbestedende dienst is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon op grond van het enkele feit dat de vertegenwoordiger van een andere aanbestedende dienst, die ook lid is van de raad van bestuur van de eerste aanbestedende dienst, zitting heeft in de raad van bestuur van de gecontroleerde rechtspersoon.
- 3)
Artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24
moet aldus worden uitgelegd dat
een overheidsopdracht waarbij aan een aanbestedende dienst taken van algemeen belang worden toevertrouwd die passen in het kader van samenwerking tussen andere aanbestedende diensten, niet van de werkingssfeer van deze richtlijn is uitgesloten wanneer de aanbestedende dienst waaraan die taken zijn toevertrouwd met de vervulling daarvan geen doelstellingen nastreeft die hij deelt met de andere aanbestedende diensten, maar zich beperkt tot een bijdrage tot de verwezenlijking van doelstellingen die alleen die andere aanbestedende diensten gemeen hebben.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑12‑2022
Conclusie 09‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2014/24/EU — Overheidsopdrachten — Diensten, werken en de promotie van werken — Inhousegunning — Door verschillende aanbestedende diensten gecontroleerde inhouse-entiteit — Toepasselijkheid van de richtlijn
M. campos sánchez-bordona
Partij(en)
Gevoegde zaken C-383/21 en C-384/211.
Société de logement de service public (SLSP) ‘Sambre & Biesme’, SCRL (C-383/21)
Commune de Farciennes (C-384/21)
tegen
Société wallonne du logement
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
1.
In België hebben een openbare huisvestingsmaatschappij en een gemeente een kaderovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst werd een opdracht voor de verlening van technische bijstand voor de bouw van woningen en andere bijstand voor asbestinventarisatiediensten niet geplaatst via een aanbestedingsprocedure, maar rechtstreeks gegund aan een derde entiteit, eveneens een overheidsinstantie.
2.
De autoriteit die door de Waalse regering is belast met het toezicht op openbare huisvestingsmaatschappijen heeft voornoemde overeenkomst nietig verklaard op grond dat in dit geval niet was voldaan aan de voorwaarden voor de onderhandse gunning van opdrachten.
3.
Elk van de twee ondertekenaars van de overeenkomst heeft beroep ingesteld tegen de nietigverklaring ervan, aangezien de onderhandse gunning volgens hen verenigbaar was met richtlijn 2014/24/EU2.. Het geschil heeft de hoogste bestuursrechter van België bereikt, die twee verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend bij het Hof.
I. Toepasselijke bepalingen — richtlijn 2014/24
4.
Overweging 31 luidt:
‘Er is een grote rechtsonzekerheid met betrekking tot de vraag in hoeverre de aanbestedingsregels moeten worden toegepast op opdrachten tussen entiteiten in de openbare sector. De desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wordt door de lidstaten en zelfs door de aanbestedende diensten op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd. Daarom moet worden verduidelijkt in welke gevallen de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op binnen de openbare sector gesloten overeenkomsten.
Hierbij moeten de beginselen die in de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden beschreven richtinggevend zijn. Het enkele feit dat beide partijen in een overeenkomst zelf overheidsdiensten zijn, sluit op zich de toepassing van aanbestedingsregels niet uit. De toepassing van aanbestedingsregels mag echter niet ten koste gaan van de vrijheid van overheidsdiensten om hun taken van algemeen belang te vervullen met gebruikmaking van hun eigen middelen, waaronder de mogelijkheid samen te werken met andere overheidsdiensten.
[…]’
5.
In overweging 33 wordt verklaard:
‘Aanbestedende diensten moeten kunnen besluiten hun taken van algemeen belang gezamenlijk in een samenwerkingsverband te verrichten, zonder dat een bepaalde rechtsvorm moet worden gekozen. Deze samenwerking zou betrekking kunnen hebben op alle soorten activiteiten die verband houden met het verrichten van hun diensten en met hun verantwoordelijkheden in het algemeen belang, zoals taken die territoriale lichamen verplicht of vrijwillig op zich nemen of diensten waarvoor, krachtens publiek recht, specifieke instanties bevoegd zijn. De diensten die door de verschillende deelnemende instanties worden verleend hoeven niet noodzakelijkerwijs identiek te zijn; zij kunnen ook complementair zijn.
Opdrachten met het oog op het gezamenlijk verrichten van openbare diensten dienen niet onderworpen te zijn aan de voorschriften van onderhavige richtlijn, mits zij uitsluitend tussen aanbestedende diensten zijn gegund en deze samenwerking uitsluitend uit overwegingen van algemeen belang plaatsvindt, zodat geen enkele particuliere onderneming bevoordeeld wordt ten opzichte van haar concurrenten.
Om aan deze voorwaarden te voldoen, moet de samenwerking gebaseerd zijn op een samenwerkingsmodel. Bij deze samenwerking is niet vereist dat alle deelnemende diensten de nakoming van de voornaamste contractuele verplichtingen op zich nemen, zolang er sprake is van verbintenissen om in een samenwerkingsverband bij te dragen tot het verrichten van de openbare dienst in kwestie. Bovendien moet de samenwerking, met inbegrip van eventuele financiële overdrachten tussen de deelnemende aanbestedende diensten, uitsluitend uit overwegingen van algemeen belang plaatsvinden.’
6.
Artikel 12 (‘Overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector’) luidt:
- ‘1.
Een overheidsopdracht die door een aanbestedende dienst aan een andere privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon wordt gegund, valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de aanbestedende dienst oefent op die rechtspersoon toezicht uit zoals op zijn eigen diensten;
- b)
meer dan 80 % van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon wordt uitgeoefend in de vorm van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende dienst of door andere, door diezelfde aanbestedende dienst gecontroleerde rechtspersonen, en
- c)
er is geen directe participatie van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van geen controlerende of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal, vereist krachtens de nationale regelgeving, in overeenstemming met de verdragen, die geen beslissende invloed uitoefenen op de gecontroleerde rechtspersoon.
[…]
- 3.
Een aanbestedende dienst die op een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon geen controle uitoefent in de zin van lid 1, kan niettemin zonder deze richtlijn toe te passen een overheidsopdracht gunnen aan die rechtspersoon, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de aanbestedende dienst oefent samen met andere aanbestedende diensten op die rechtspersoon toezicht uit zoals op hun eigen diensten;
- b)
meer dan 80 % van de activiteiten van die rechtspersoon behelst de uitvoering van taken die [hem] zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere, door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen, […]
[…]
Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea oefenen de aanbestedende diensten gezamenlijk toezicht uit over een rechtspersoon indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemende aanbestedende diensten; individuele vertegenwoordigers kunnen verscheidene of alle deelnemende aanbestedende diensten vertegenwoordigen;
- ii)
deze aanbestedende diensten zijn in staat gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon, en
- iii)
de gecontroleerde rechtspersoon streeft geen belangen na die in strijd zijn met de belangen van de controlerende aanbestedende diensten.
- 4.
Een opdracht die uitsluitend tussen twee of meer aanbestedende diensten wordt gegund valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn wanneer aan elk van de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
- a)
de opdracht voorziet in of geeft uitvoering aan samenwerking tussen de deelnemende aanbestedende diensten om te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren, worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen;
- b)
de invulling van die samenwerking berust uitsluitend op overwegingen in verband met het openbaar belang, en
- c)
de deelnemende aanbestedende diensten nemen op de open markt niet meer dan 20 % van de onder die samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening.
[…]’
II. Feiten, procedure en prejudiciële vragen
7.
De Société de logement de service public Sambre & Biesme3. is een overheidsinstantie met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De belangrijkste aandeelhouders zijn de gemeenten Farciennes en Aiseau-Presles. De vennootschap maakt deel uit van het netwerk van sociale huisvestingsmaatschappijen in Wallonië (België).
8.
In 2015 hebben SLSP Sambre et Biesme en de gemeente Farciennes besloten om in Farciennes een ‘groene wijk’ aan te leggen, bestaande uit ongeveer 150 publieke en particuliere woningen. Gezien de omvang van het project hebben zij de hulp ingeroepen van de Intercommunale pour la gestion et la réalisation d'études techniques et économiques4.. Ook deze entiteit heeft de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.
9.
IGRETEC heeft uitsluitend publiekrechtelijke rechtspersonen als aandeelhouder. In 2016 telde zij onder haar aandeelhouders meer dan zeventig gemeenten (waaronder de gemeente Farciennes) en meer dan vijftig ‘overheidsinstanties’ van andere aard. De gemeenten bezaten 5 054 351 maatschappelijke aandelen met stemrecht, en de overige overheidsinstanties samen 17 126 vergelijkbare aandelen.
10.
Volgens de statuten van IGRETEC hebben de gemeenten de meerderheid van de stemmen en bekleden zij het voorzitterschap van de verschillende bestuursorganen. De beslissingen van deze organen worden genomen bij meerderheid van stemmen van de gemeentelijke aandeelhouders.
11.
Ten tijde van de feiten maakte een gemeenteraadslid van de gemeente Farciennes, dat ook bestuurder van SLSP Sambre et Biesme was, deel uit van de raad van bestuur van IGRETEC.
12.
Op 29 oktober 2015 heeft SLSP Sambre et Biesme één maatschappelijk aandeel in IGRETEC verworven, met een waarde van 6,20 EUR, om gebruik te kunnen maken van de diensten van IGRETEC. Zo verkreeg zij de hoedanigheid van aandeelhouder van de intercommunale, ook al was haar deelneming louter symbolisch.5.
13.
In januari 2017 hebben de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme een ontwerpkaderovereenkomst opgesteld om hun respectieve rechten en plichten bij het ontwerp en de uitvoering van de groene wijk in Farciennes vast te leggen. De overeenkomst bevatte de volgende clausules:
- —
Volgens artikel 1 van de overeenkomst beoogden de partijen om gezamenlijk overheidsopdrachten voor diensten, werken en de promotie van werken te plaatsen, waarbij zij de gemeente Farciennes aanwezen om in hun gezamenlijke naam op te treden als aanbestedende dienst en zelfstandig alle beslissingen met betrekking tot de plaatsing en gunning van de opdrachten te nemen.
- —
In artikel 56. werd bepaald dat ‘partijen […] in het kader van de inhouseverhouding die elke partij met IGRETEC verbindt, [overeenkomen] dat de gemeente Farciennes met die intercommunale […] een overeenkomst sluit voor ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en milieudiensten’.
- —
Om de besluitvorming bij de uitvoering van de kaderovereenkomst te coördineren, voorzag de bijlage in de instelling van een bestuurscomité.7.
- —
IGRETEC was, ook zonder de kaderovereenkomst te hebben ondertekend, niet alleen vertegenwoordigd in het bestuurscomité, maar voerde ook het secretariaat daarvan.
14.
Op 9 februari 2017 heeft de raad van bestuur van SLSP Sambre et Biesme besloten om a) ‘het sluiten van de kaderovereenkomst voor gezamenlijke aanbestedingen met de gemeente Farciennes goed te keuren’, en b) ‘gelet op de inhouseverhouding tussen [SLSP Sambre et Biesme] en IGRETEC’, het eerder door hem goedgekeurde bijzondere bestek voor de ‘overheidsopdracht voor asbestinventarisatiediensten niet voor mededinging open te stellen’. Dat bestek wordt omschreven als de eerste stap in de verwezenlijking van het groenewijkproject in Farciennes.
15.
Op 10 februari 2017 heeft de vertegenwoordiger van SWL die bevoegd is voor SLSP Sambre et Biesme bij SWL bezwaar gemaakt tegen de twee bovengenoemde besluiten (hierna: ‘litigieuze besluiten’). SWL treedt namens de Waalse regering op als toezichthouder op de openbare huisvestingsmaatschappijen.
16.
Op 25 februari 2017 heeft SWL de litigieuze besluiten van SLSP Sambre et Biesme nietig verklaard op grond dat de opdracht voor de verlening van technische ondersteuning (artikel 5 van de kaderovereenkomst) en de opdracht voor de verlening van asbestinventarisatiediensten aan IGRETEC waren gegund zonder een aanbestedingsprocedure uit te voeren.
17.
Naar het oordeel van SWL:
- —
kan redelijkerwijze worden betwijfeld of SLSP Sambre et Biesme een beslissende invloed op IGRETEC uitoefent, met name omdat zij slechts één aandeel in het maatschappelijk kapitaal van IGRETEC bezit en de statuten van IGRETEC de gemeenten een dominante positie toekennen;
- —
volstaat de aanwijzing van de gemeente Farciennes als leidende aanbestedende dienst van het project (artikel 1 van de kaderovereenkomst), ofschoon zij afzonderlijk van de inhouse-uitzondering gebruik kan maken in haar betrekkingen met IGRETEC, niet als rechtvaardiging voor het namens de verschillende partijen bij de kaderovereenkomst rechtstreeks aan IGRETEC gunnen van de opdrachten. Bij een gezamenlijke aanbesteding verenigen de verschillende partners zich voor het uitwerken van de opdracht, maar dienen de gebruikelijke aanbestedingsprocedures door alle partners te worden nageleefd.
18.
Aangezien tegen de besluiten van SWL beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter, zijn SLSP Sambre et Biesme en de gemeente Farciennes — afzonderlijk — opgekomen tegen de nietigverklaring van de litigieuze besluiten.
19.
De Raad van State (België), die een beslissing moet geven op deze beroepen, heeft twee verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend bij het Hof.
20.
In het eerste verzoek (zaak C-383/21) stelt hij de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 12, lid 3, van [richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft?
- 2)
Indien die eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: dient artikel 12, lid 3, van [richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat aan de voorwaarde dat een aanbestedende dienst, in casu een openbare huisvestingsmaatschappij, is vertegenwoordigd in de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, is voldaan louter op grond dat een persoon die in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van een andere deelnemende aanbestedende dienst, in casu een gemeente, zitting heeft in de raad van bestuur van die intercommunale coöperatieve vennootschap, vanwege uitsluitend feitelijke omstandigheden en zonder juridisch gegarandeerde vertegenwoordiging ook bestuurder blijkt te zijn van de openbare huisvestingsmaatschappij, terwijl de gemeente (niet-exclusieve) aandeelhouder is van zowel de gecontroleerde entiteit (intercommunale coöperatieve vennootschap) als de openbare huisvestingsmaatschappij?
- 3)
Indien die eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: dient te worden aangenomen dat een aanbestedende dienst, in casu een openbare huisvestingsmaatschappij, ‘deel uitmaakt’ van de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, louter op grond dat een persoon die in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van een andere deelnemende aanbestedende dienst, in casu een gemeente, zitting heeft in de raad van bestuur van die intercommunale coöperatieve vennootschap, vanwege uitsluitend feitelijke omstandigheden en zonder juridisch gegarandeerde vertegenwoordiging ook bestuurder blijkt te zijn van de openbare huisvestingsmaatschappij, terwijl de gemeente (niet-exclusieve) aandeelhouder is van zowel de gecontroleerde entiteit (intercommunale coöperatieve vennootschap) als de openbare huisvestingsmaatschappij?’
21.
In het tweede verzoek om een prejudiciële beslissing (zaak C-384/21) heeft de verwijzende rechter naast de voorgaande vragen ook de volgende vragen geformuleerd:
- ‘4)
Dient artikel 12, lid 4, van [richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft?
- 5)
Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord: dient artikel 12, lid 4, van voornoemde [richtlijn 2014/24] aldus te worden uitgelegd dat taken bestaande in ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en milieudiensten zonder voorafgaande oproep tot mededinging aan een aanbestedende dienst, in casu een intercommunale coöperatieve vennootschap, mogen worden toevertrouwd, voor zover die taken passen in het kader van samenwerking tussen twee andere aanbestedende diensten, in casu een gemeente en een openbare huisvestingsmaatschappij, er niet wordt betwist dat de gemeente gezamenlijk inhousetoezicht op de intercommunale coöperatieve vennootschap uitoefent, en de gemeente en de openbare huisvestingsmaatschappij lid zijn van de intercommunale coöperatieve vennootschap die overeenkomstig haar maatschappelijk doel actief is als ‘studie- en projectmanagementbureau en aankoopcentrale’ waarop de taken die zij haar willen toevertrouwen betrekking hebben, welke taken overeenkomen met werkzaamheden die op de markt worden verricht door studie- en projectmanagementbureaus die gespecialiseerd zijn in het ontwerp, de realisatie en de uitvoering van projecten?’
III. Procedure bij het Hof
22.
De verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn op 24 juni 2021 ingekomen ter griffie van het Hof. De beide verzoeken zijn gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest.
23.
SLSP Sambre et Biesme, de gemeente Farciennes, de Belgische regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Al deze partijen hebben hun standpunten toegelicht ter terechtzitting op 30 maart 2022.
IV. Beoordeling
A. Voorafgaande opmerking
24.
Op aanwijzing van het Hof heeft deze conclusie betrekking op de eerste vraag in beide zaken en op de vierde en de vijfde vraag in de tweede zaak.
B. Eerste prejudiciële vraag in zaak C-383/21 en eerste en vierde prejudiciële vraag in zaak C-384/21
25.
De verwijzende rechter legt uit dat de Belgische wet waarbij richtlijn 2014/24 is omgezet in nationaal recht nog niet van kracht was ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen, hoewel de omzettingstermijn reeds was verstreken.8.
26.
Verzoeksters in de twee respectieve beroepen betogen dat artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 rechtstreekse werking heeft, aangezien daarin onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen zijn opgenomen die justitiabelen rechten toekennen die deze kunnen doen gelden tegenover de staat en al zijn bestuursorganen.9.
27.
De Belgische regering en de Commissie10. zijn de tegengestelde opvatting toegedaan. Zij betogen dat artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking, aangezien, kort samengevat:
- —
aanbestedende diensten en publiekrechtelijke organismen die onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen geen ‘particulieren’ zijn die rechten genieten die zij tegenover de staat zouden kunnen doen gelden;
- —
voornoemde bepalingen niet voorzien in een verplichting tot handelen of nalaten namens de staat en ten behoeve van ondernemers.
28.
Het resultaat dat ik hierna zal bepleiten (de toepassing van artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 op de hoofdgedingen) zou in de praktijk worden bereikt door ofwel te aanvaarden dat de eventuele rechtstreekse werking van deze leden ook ten dienste staat aan de bij dit geding betrokken overheidsinstanties, die die werking zouden kunnen inroepen tegenover de staat, ofwel simpelweg te stellen dat deze instanties, bij gebreke van omzetting van die richtlijn binnen de omzettingstermijn, waren gebonden door die bepalingen. Mijns inziens is die laatste stelling de juiste.
1. Rechtstreekse werking, onvoorwaardelijk karakter en inroepbaarheid van artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 door overheidsinstanties
29.
In mijn optiek is de invalshoek die ten grondslag ligt aan deze prejudiciële vragen niet de meest adequate. Indien dat wel het geval zou zijn, zou het antwoord moeten liggen in de lijn die SWL in de hoofdgedingen heeft voorgestaan en die in deze procedure wordt gesteund door de Belgische regering en de Commissie.
30.
Ter ondersteuning daarvan wil ik eraan herinneren dat de rechtspraak over de zogenoemde ‘rechtstreekse werking’, die het Hof met betrekking tot richtlijnen heeft ontwikkeld, in de eerste plaats de bescherming van particulieren tot doel heeft. Die rechtstreekse werking stelt hen in staat de rechten uit te oefenen die hun door de richtlijnen zijn verleend en die zij niet op een andere manier kunnen doen gelden wegens het ontbreken van de benodigde uitvoeringsmaatregelen op nationaal niveau.
31.
In de vaste rechtspraak van het Hof aangaande de rechtstreekse werking van richtlijnen, en met name die welke niet binnen de gestelde termijn zijn omgezet of onjuist zijn omgezet, is bepaald wie zich op die rechtstreekse werking kan beroepen en onder welke voorwaarden.
32.
In het recente arrest van 8 maart 2022 heeft het Hof verklaard dat:
- —
‘particulieren zich in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, voor de nationale rechter op die bepalingen [kunnen] beroepen tegenover de staat, wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn tijdig in nationaal recht om te zetten, of dit op onjuiste wijze heeft gedaan’11.;
- —
‘een Unierechtelijke bepaling onvoorwaardelijk is wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Unie of van de lidstaten, en voldoende nauwkeurig is om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast wanneer de erin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd’12.;
- —
‘een richtlijn de lidstaten weliswaar een zekere beoordelingsmarge laat bij de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen daarvoor, maar een bepaling van deze richtlijn als onvoorwaardelijk en nauwkeurig kan worden beschouwd indien zij de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte regel’13..
33.
In het licht van het voorgaande kunnen overheidsinstanties, zoals de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme, die niet meer zijn dan een emanatie van de staat in ruime zin, zich mijns inziens niet jegens die staat beroepen op de (hypothetische) rechtstreekse werking van artikel 12 van richtlijn 2014/24.
34.
Zelfs indien zou worden aangenomen dat dit artikel in de leden 3 en 4 ervan een ‘voldoende nauwkeurige’ formulering bevat, kan moeilijk worden gesteld dat het een ‘onvoorwaardelijk’ karakter heeft en de lidstaten een ondubbelzinnige verplichting oplegt. Voornoemd artikel staat die staten integendeel toe om, indien zij dat dienstig achten, overeenkomsten tussen entiteiten in de openbare sector uit te sluiten van de werkingssfeer van richtlijn 2014/24.
35.
Het Hof heeft uitgelegd dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/24, dat ‘slechts nader de voorwaarden vaststelt waaraan een aanbestedende dienst moet voldoen wanneer hij een inhousetransactie wenst te sluiten, […] de lidstaten enkel de bevoegdheid [verleent] om een dergelijke transactie uit te sluiten van de werkingssfeer van richtlijn 2014/24’.14.
36.
Diezelfde lijn volgend, heeft het Hof verklaard dat richtlijn 2014/24 ‘de lidstaten niet verplicht om gebruik te maken van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht’, maar ‘hen [ook] niet [kan] dwingen om gebruik te maken van een inhousetransactie wanneer aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, is voldaan’.15. Datzelfde geldt ook voor de leden 3 en 4 van dat artikel.
37.
Die verklaring is in overeenstemming met de vrijheid van de lidstaten ‘om de wijze van dienstverlening te kiezen waarmee de aanbestedende diensten in hun eigen behoeften zullen voorzien’.16.
38.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, kunnen gemeentelijke entiteiten en publiekrechtelijke lichamen (ook al hebben zij de vorm van vennootschappen) zich tegenover de staat niet beroepen op de veronderstelde ‘rechtstreekse werking’ van artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24. In hun betrekkingen met de staatsorganen die hun besluiten controleren zijn gemeentelijke entiteiten geen ‘particulieren’ die zich van die werking kunnen bedienen.
39.
Om die redenen, en ofschoon ik van mening ben dat de vraag over de rechtstreekse werking van artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 in de hoofdgedingen niet hoeft te worden beantwoord, komt mijn opvatting, indien het Hof zou beslissen om zich wel te buigen over die vraag, die ter terechtzitting uitvoerig aan de orde is geweest, overeen met die welke de Belgische regering en de Commissie daar naar voren hebben gebracht.
40.
Artikel 12 van richtlijn 2014/24 bevat de minimumvoorwaarden voor een bevoegdheid waarvan de uitoefening, zoals ik reeds heb aangegeven, door de lidstaten volledig kan worden uitgesloten. Kiest een lidstaat niet voor uitsluiting, dan zou het enige denkbare geval van rechtstreekse werking van artikel 12 (dat alleen kan worden ingeroepen door een ondernemer die zich benadeeld voelt) dat zijn waarin een aanbestedende dienst voornemens is de regeling inzake overheidsopdrachten te omzeilen en te opteren voor een inhousetransactie, of het aangaan van een horizontale samenwerking, zonder dat de door dat artikel opgelegde minimumvoorwaarden daarvoor zijn vervuld.
2. Toepassing van artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 op overheidsinstanties
41.
42.
In het geval van overheidsinstanties vloeit de onderwerping aan artikel 12, leden 3 en 4, vóór de omzetting van de richtlijn niet voort uit de rechtstreekse werking die deze bepalingen mogelijkerwijs zouden hebben, maar uit ‘de voor alle overheidsinstanties geldende verplichting om aan richtlijnbepalingen te voldoen (artikel 288, derde alinea, VWEU) en om op loyale wijze samen te werken en erop toe te zien dat de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen voortvloeiende verplichtingen volledig worden nagekomen (artikel 4, lid 3, VEU)’17..
43.
Een toereikend antwoord op de eerste vraag van beide prejudiciële verwijzingen moet zich daarom bij voorkeur toespitsen op de verhouding tussen overheidsinstanties en richtlijn 2014/24 (of, zo men wil, op de bindende werking van die richtlijn, zoals de Commissie het ter terechtzitting heeft uitgedrukt) in de periode dat de richtlijn ondanks het verstrijken van de termijn nog niet was omgezet.
44.
Het Hof heeft die onderwerping aan de richtlijn bevestigd.18.
45.
Voor de bij de twee hoofdgedingen betrokken aanbestedende diensten, waarvan het openbare karakter niet wordt betwist, betekent dit dat zij aan richtlijn 2014/24 waren gebonden vanaf de datum waarop die richtlijn had moeten zijn omgezet.19.
46.
Bij gebreke van omzetting, en ongeacht of artikel 12, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24 rechtstreekse werking had, zodat particulieren die bepalingen konden inroepen tegen met overheidsgezag beklede instanties of onder die instanties ressorterende entiteiten, waren deze instanties en entiteiten, voor zover zij als aanbestedende dienst optraden, verplicht zich te onderwerpen aan de in die bepaling vastgestelde voorwaarden.
47.
Aangezien de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme, om de voor de uitvoering van hun respectieve projecten noodzakelijke diensten te verkrijgen, er de voorkeur aan gaven om geen beroep op de markt te doen en geen gebruik te maken van de gebruikelijke procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, golden voor hen op de datum van de feiten de voorwaarden van artikel 12 van richtlijn 2014/24.
48.
Wanneer de richtlijn is omgezet, hoeft de samenwerking tussen overheidsinstanties, verticaal (inhouse) of horizontaal, niet te worden onderworpen aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten indien de lidstaat in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid heeft besloten gebruik te maken van de mogelijkheden die artikel 12 van die richtlijn, zoals dat is uitgelegd door het Hof, hem biedt om bepaalde situaties uit te sluiten van de werkingssfeer van richtlijn 2014/24.20.
49.
Heeft een staat ervoor gekozen om mechanismen voor interbestuurlijke samenwerking die zijn uitgesloten van de geformaliseerde procedures van richtlijn 2014/24 toe te staan, dan moeten zijn aanbestedende diensten dus voldoen aan de vereisten van artikel 12, leden 3 en 4, van deze richtlijn indien zij voornemens zijn geen beroep op de markt te doen om bepaalde diensten of leveringen te verkrijgen.
C. Vijfde prejudiciële vraag in zaak C-384/21
1. Voorwerp
50.
De vijfde vraag in zaak C-384/21 ziet op de in artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 genoemde uitsluiting van de werkingssfeer van de richtlijn.
51.
Anders dan de uitsluiting van de leden 2 en 3 van artikel 12 van richtlijn 2014/24, op grond waarvan een aanbestedende dienst (of meerdere aanbestedende diensten) toezicht moet (moeten) uitoefenen op de dienst waaraan de overheidsopdracht wordt gegund, is die van lid 4 gebaseerd op samenwerking van aanbestedende diensten waartussen er geen dergelijke toezichtsverhouding bestaat.
52.
De prejudiciële vraag vindt haar oorsprong in de argumenten die de gemeente Farciennes subsidiair heeft aangevoerd voor het geval zou worden geconcludeerd dat, in het licht van de betrekking tussen SLSP Sambre et Biesme en IGRETEC, de voorwaarden van artikel 12, lid 3, van de richtlijn niet zijn vervuld.21.
53.
De gemeente Farciennes betoogt dat er bij gebreke van het in dat lid bedoelde gezamenlijke toezicht overeenkomstig artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 nog steeds horizontale samenwerking tussen aanbestedende diensten mogelijk is. Volgens deze gemeente is de samenwerking tussen haarzelf, SLSP Sambre et Biesme en IGRETEC van deze aard.
54.
Uit de lezing van haar opmerkingen leid ik af dat de gemeente Farciennes pleit voor twee manieren om de betrekkingen tussen de bij de hoofdgedingen betrokken overheidsinstanties te begrijpen:
- —
Volgens de eerste daarvan, die zij lijkt te prefereren, is er sprake van een horizontale samenwerking die volgens de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme moet dienen om het plan voor de aanleg van de groene wijk uit te voeren en volgens IGRETEC om haar taken te verrichten ten behoeve van haar partners en bij te dragen aan de verwezenlijking van hun plannen. De overeenkomst tussen de partijen is derhalve gericht op het bereiken van gemeenschappelijke doelstellingen.22.
- —
Volgens de tweede manier impliceert de inhousebetrekking tussen de gemeente en IGRETEC dat wanneer de gemeente IGRETEC belast met de uitvoering van bepaalde diensten, zij een beroep doet op haar eigen diensten, hetgeen in aanmerking dient te worden genomen in het kader van haar samenwerking met SLSP Sambre et Biesme.23.
55.
In beide gevallen vallen de betrekkingen onder artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24. Bijgevolg is een openbare aanbesteding niet nodig, aldus de gemeente Farciennes.
2. Samenwerking van artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24
56.
Volgens artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 valt een overheidsopdracht niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn indien cumulatief is voldaan aan de drie in de punten a), b) en c) van die bepaling vermelde voorwaarden.24.
57.
De twijfels van de verwijzende rechter hebben betrekking op het begrip ‘samenwerking’ in de zin van dat artikel, waarvan de uitlegging autonoom moet zijn.25.
58.
Bij een andere gelegenheid26. heb ik uiteengezet dat die bepaling is gebaseerd op de rechtspraak van het Hof van vóór de codificatie, doch verder gaat: de bepaling verduidelijkt die rechtspraak en voorziet in meer flexibiliteit, waardoor de vereisten ervan, tot op zekere hoogte, meer gelijkenis vertonen met die van andere formules die het mogelijk maken om bepaalde opdrachten van entiteiten in de openbare sector uit te sluiten van richtlijn 2014/24.27.
59.
Dit verklaart de volgende kenmerken van de horizontale samenwerking die krachtens richtlijn 2014/24 niet is onderworpen aan geformaliseerde procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten:
- —
Het is geen vereiste, zoals dat nog wel het geval was volgens eerdere rechtspraak28., dat de samenwerking dient voor de gezamenlijke uitvoering van een taak van algemeen belang die op alle deelnemende aanbestedende diensten rust.29.
- —
Het is toegestaan dat de samenwerking betrekking heeft op (of gestalte krijgt in) activiteiten die openbare diensten ondersteunen, voor zover die (neven)activiteiten bijdragen aan de daadwerkelijke verrichting van die openbare diensten.30.
- —
De door de aanbestedende diensten verrichte diensten hoeven niet noodzakelijkerwijs identiek te zijn. Zolang het vereiste van gemeenschappelijkheid van de doelstellingen — welke doelstellingen daarenboven een openbaar belang moeten dienen — in acht wordt genomen, is het toelaatbaar dat deze diensten complementair zijn.31.
- —
Zolang er sprake is van verbintenissen om middels samenwerking bij te dragen tot het verrichten van de openbare dienst, is het niet noodzakelijk dat elk van de partijen in gelijke mate deelneemt aan de samenwerking, die gebaseerd kan zijn op een taakverdeling of op een bepaalde specialisatie.32.
60.
Daarentegen is het een vereiste dat de samenwerking van de partijen gericht is op het bereiken van doelstellingen die voor hen alle gemeenschappelijk zijn. Dit is een essentieel element van horizontale samenwerking dat deze onderscheidt van onderhandse gunning aan door de aanbestedende dienst gecontroleerde diensten.
61.
Het Hof heeft zich in die zin uitgelaten in het arrest Remondis II, waarin het spreekt van ‘een dimensie [van de samenwerking van artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24] die wijst op een intrinsieke behoefte aan samenwerking’. Die dimensie wordt onder meer geconcretiseerd bij de voorbereiding van de samenwerkingsovereenkomst middels de gezamenlijke vaststelling van de behoeften en de wijze waarop aan deze behoeften kan worden voldaan.33.
62.
Bovendien moet de horizontale samenwerking gebaseerd zijn op een samenwerkingsmodel, wat wil zeggen dat die samenwerking zich moet vertalen in wederzijdse verbintenissen van de deelnemers. Die verbintenissen gaan verder dan de uitvoering van een bepaalde dienst en de vergoeding ervan, zoals is verduidelijkt in het arrest Remondis II.34.
63.
De term ‘samenwerkingsmodel’, die uitdrukkelijk wordt genoemd in overweging 33 van richtlijn 2014/24, is gelijkwaardig aan het voorgestelde vereiste van ‘echte samenwerking’, met ‘wederzijdse rechten en verplichtingen voor de partijen’.35. De situatie dat een van de aanbestedende diensten ‘simpelweg een ‘afnemer’’36. van het werk, de dienst of de levering in kwestie is, is uitgesloten.
64.
De echtheid van de samenwerking is van fundamenteel belang in elke overeenkomst die wordt gesloten uit hoofde van artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24. Dat kenmerk zal het mogelijk maken om deze vorm van horizontale samenwerking te onderscheiden van verticale (inhouse) samenwerking, en ook van opdrachten die zijn onderworpen aan openbare aanbestedingsprocedures, waarbij een van de partijen een taak uitvoert volgens het bestek dat is vastgesteld door de andere partij, die zich op haar beurt beperkt tot het vergoeden ervan.37.
3. Hoofdgedingen
a) Eerste scenario
65.
De gemeente Farciennes presenteert een eerste scenario om te pleiten voor het bestaan van een horizontale samenwerkingsbetrekking tussen haarzelf, SLSP Sambre et Biesme en IGRETEC.
66.
Bij wijze van samenvatting wil ik eraan herinneren dat:
- —
SLSP Sambre et Biesme en de gemeente Farciennes het initiatief hebben genomen om gezamenlijk hun respectieve woningrenovatie- en stadsvernieuwingsprojecten in een bepaalde wijk uit te voeren;
- —
zij daartoe een kaderovereenkomst hebben gesloten, waarvan IGRETEC niet een van de ondertekenaars was;
- —
de opneming van IGRETEC in de betrekking tussen SLSP Sambre et Biesme en de gemeente Farciennes voortvloeide uit een opdracht voor diensten die nodig waren voor de uitvoering van het groenewijkproject. Die opdracht volgde op het besluit van de twee aanbestedende diensten om dat project gezamenlijk uit te voeren.
67.
Mijns inziens valt de aldus beschreven trilaterale betrekking niet onder artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24. Ik ben het eens met de beoordeling van de verwijzende rechter dat ‘het enkele feit dat [IGRETEC] taken verricht in het kader van de overeenkomst tussen de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme voor de uitvoering van een gezamenlijk project voor de aanleg van de groene wijk in Farciennes, niet betekent dat IGRETEC zelf meewerkt aan het project, noch dat zij samen met de partijen bij deze overeenkomst een gemeenschappelijk doel nastreeft’.38.
68.
Een aantal redenen brengt mij ertoe om deze beoordeling van de verwijzende rechter, die door de Commissie wordt gedeeld, te bevestigen in het licht van de beschrijving van de feiten door die rechter. Ik moet benadrukken dat het exclusief aan deze laatste staat om het feitelijke kader van de hoofdgedingen vast te stellen, hetgeen met zich meebrengt dat het optreden van de bij die gedingen betrokken entiteiten en het door elk van hen nagestreefde doel moeten worden getoetst.
69.
In de eerste plaats is er, zoals de verwijzende rechter opmerkt in de bewoordingen die ik hierboven heb weergegeven, geen gemeenschappelijkheid van doelstellingen waarmee het bestaan van samenwerking tussen de drie entiteiten in de zin van artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 kan worden gerechtvaardigd.39.
70.
Een analyse van de statuten van IGRETEC en van haar betrokkenheid bij de litigieuze projecten brengt de Raad van State ertoe te onderstrepen dat de in casu door IGRETEC vervulde taken behoren tot ‘sector I’ van haar maatschappelijk doel, dat wil zeggen tot activiteiten die op de markt worden uitgeoefend door in de initiëring van projecten gespecialiseerde onderzoeks- en beheermaatschappijen, en niet tot ‘sector II’, waarvan de activiteiten zijn gewijd aan de economische, sociale en toeristische ontwikkeling van de regio, en met name aan de bouw, de financiering en het gebruik van bepaalde gebouwen.40.
71.
In de tweede plaats ontbreekt ook de dimensie die wijst op een behoefte aan samenwerking, die zich in eerste instantie vertaalt in het vaststellen van de behoeften en oplossingen die gemeenschappelijk zijn voor de partijen die voornemens zijn om samen te werken. In dat stadium kan de professionele tussenkomst van IGRETEC de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme helpen bij het vaststellen en begrijpen van de behoeften van het groenewijkproject dat beide willen uitvoeren. Voor IGRETEC gaat het daarentegen om behoeften van anderen.
72.
In de derde plaats schijnt het mij toe dat de strategie voor het op de beste manier bundelen en gebruiken van de middelen van partijen zich beperkt tot de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme, ook al werken zij op basis van door IGRETEC voorgestelde opties.41. IGRETEC verleent feitelijk geen enkele openbare dienst samen met die gemeente en met SLSP Sambre et Biesme.
73.
Tot slot voldoet de opneming van IGRETEC in de betrekking tussen de twee aanbestedende diensten42. via de overeenkomst voor ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en milieudiensten niet aan de voorwaarden voor het bestaan van echte samenwerking. Bij die overeenkomst verbinden de gemeente Farciennes en SLSP Sambre et Biesme zich ten aanzien van IGRETEC niet tot iets anders dan waartoe zij zich in een openbare aanbesteding zouden verbinden: zij vragen om prestaties die IGRETEC aanbiedt, in ruil waarvoor zij, als enige verbintenis, een betalingsverplichting op zich nemen.
b) Tweede scenario
74.
Het tweede scenario gaat uit van een combinatie van horizontale en verticale samenwerking, in het kader waarvan IGRETEC, gecontroleerd door een van de twee deelnemers aan de horizontale samenwerking (de gemeente Farciennes), ook aan de andere deelnemer (SLSP Sambre et Biesme) een dienst verleent en door beide wordt vergoed.
75.
Volgens de gemeente Farciennes maakt zij, wanneer zij IGRETEC de ondersteuning bij projectmanagement, juridische dienstverlening en milieudiensten toevertrouwt, gebruik van eigen middelen van die gemeente. Met deze omstandigheid moet ook rekening worden gehouden in de context van de samenwerking tussen haarzelf en SLSP Sambre et Biesme.
76.
Ik kan dit argument, dat door de gemeente Farciennes zelf met een secundair karakter wordt aangevoerd (in het kader van een argument dat op zijn beurt subsidiair is aan het kernbetoog) en dat zij wellicht om die reden niet al te zeer ontwikkelt, onmogelijk aanvaarden.
77.
Als ik het standpunt van de gemeente Farciennes goed begrijp, verdedigt zij dat de twee entiteiten die partij zijn bij de verticale samenwerkingsbetrekking (IGRETEC en de gemeente) op grond van een dergelijke betrekking één enkele entiteit zijn voor de horizontale samenwerking met een derde.43. Om die reden zou het niet nodig zijn dat beide entiteiten de kaderovereenkomst met SLSP Sambre et Biesme ondertekenden.
78.
Ik deel die redenering niet. Bij verticale (inhouse) samenwerking zijn de aanbestedende dienst en het instrumentele lichaam waarop hij toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten formeel afzonderlijke entiteiten, zowel vóór als ná de gunning van een overheidsopdracht.
79.
Het bestaan van een inhousebetrekking tussen de gemeente Farciennes en IGRETEC volstaat derhalve niet om te voldoen aan de voorwaarden voor het bestaan van horizontale samenwerking met SLSP Sambre et Biesme.
V. Conclusie
80.
Gelet op een en ander geeft ik het Hof in overweging om de Raad van State te antwoorden als volgt:
- ‘1)
Een aanbestedende dienst die een overheidsopdracht wil gunnen die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG valt, zonder gebruik te maken van de daarin voorziene aanbestedingsprocedures, moet vanaf de uiterste datum voor de omzetting van de richtlijn in nationaal recht voldoen aan de voorwaarden van artikel 12 van die richtlijn indien voornoemde omzetting op die datum nog niet heeft plaatsgevonden.
- 2)
Artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 moet aldus worden uitgelegd dat:
- —
het bestaan van samenwerking tussen aanbestedende diensten is uitgesloten wanneer de betrekking die hen verbindt, en in het kader waarvan zij zich ertoe verbinden hun respectieve diensten te verrichten, niet is gericht op de verwezenlijking van doelstellingen die zij alle gemeen hebben;
- —
het geen betrekking heeft op een betrekking tussen onafhankelijke aanbestedende diensten in het kader waarvan de ene een dienst van de andere verkrijgt uitsluitend in ruil voor een geldelijke vergoeding.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑06‑2022
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/2170 van de Commissie van 24 november 2015 (PB 2015, L 307, blz. 5).
Openbare huisvestingsmaatschappij Sambre et Biesme (hierna: ‘SLSP Sambre et Biesme’).
Intercommunale voor het beheer en de uitvoering van technische en economische studies (hierna: ‘IGRETEC’).
Die deelneming vertegenwoordigde 0,0000000197 % van de aandelen met stemrecht (blz. 26 van de verwijzingsbeslissing in zaak C-383/21) en 0,0000049 % van alle maatschappelijke aandelen (blz. 39 van de verwijzingsbeslissing in zaak C-384/21).
Met het opschrift ‘Keuze voor ondersteuning bij projectmanagement voor de uitvoering van opdrachten voor diensten, werken en de promotie van werken en voor de realisatie van het stadsvernieuwingsdossier’.
Het bestuurscomité bestaat uit vier vertegenwoordigers van de gemeente Farciennes, twee van SLSP Sambre et Biesme, twee van IGRETEC en twee van de Société wallonne du logement (Waalse huisvestingsmaatschappij; hierna: ‘SWL’). De besluiten van het bestuurscomité worden bij consensus genomen.
De uiterste datum voor de aanpassing van het nationale recht aan richtlijn 2014/24 was 18 april 2016. De Belgische omzettingswet is op 17 juni 2016 vastgesteld. De omzettingswet is van toepassing sinds 30 juni 2017, na de inwerkingtreding van een uitvoeringsbesluit van 18 april 2017.
Opmerkingen van de gemeente Farciennes, punten 33 e.v., en van SLSP Sambre et Biesme, punten 34 e.v.
Opmerkingen van de Belgische regering, punten 17 e.v. en 80 e.v., en van de Commissie, punten 12 e.v. SWL had voor de verwijzende rechter dezelfde stelling verdedigd.
Arrest in de zaak Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking) (C-205/20, EU:C:2022:168, punt 17).
Ibidem, punt 18.
Ibidem, punt 19.
Arrest van 3 oktober 2019, Irgita (C-285/18, EU:C:2019:829; hierna: ‘arrest Irgita’, punt 43); cursivering van mij. Van een latere datum: beschikking van 6 februari 2020, Pia Opera Croce Verde Padova (C-11/19, EU:C:2020:88, punten 40–46).
Arrest Irgita, punt 46.
Ibidem, punt 45, waarin wordt verwezen naar overweging 5 van richtlijn 2014/24, volgens welke ‘geen enkele bepaling in deze richtlijn de lidstaten verplicht de dienstverlening waarvoor zij zelf zorg wensen te dragen of die zij willen organiseren met andere middelen dan overheidsopdrachten in de zin van deze richtlijn, uit te besteden of te outsourcen’.
Ik volg hier de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Portgás (C-425/12, EU:C:2013:623, punt 52).
Arrest van 12 december 2013, Portgás (C-425/12, EU:C:2013:829, punt 34).
Na de (correcte) omzetting zijn de regels inzake overheidsopdrachten en de uitzonderingen daarop die waarin het nationale recht voorziet. Ter terechtzitting is meegedeeld dat de Belgische wetgever de inhoud van artikel 12 van richtlijn 2014/24 grotendeels heeft overgenomen in de wet van 17 juni 2016. Dat had hij echter ook niet kunnen doen. Een omzetting waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de uitsluitingsbevoegdheid van artikel 12 is dus (theoretisch) denkbaar.
Het is een gemeenplaats om te vereisen dat deze uitlegging restrictief moet zijn op grond dat de gevallen van artikel 12 van richtlijn 2014/24 ‘uitzonderingen’ op of ‘afwijkingen’ van de toepassing van die richtlijn zijn. Zonder hier in te gaan op wat de strekking van die uitlegging zou moeten zijn, moet ik herhalen dat dat artikel de werkingssfeer van de richtlijn afbakent. Het artikel vormt strikt genomen geen uitzondering op de regel [zie mijn conclusie in de zaak Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (C-796/18, EU:C:2020:47, punten 37 en 38)].
Uit de bewoordingen van de vraag kan worden opgemaakt dat volgens de verwijzende rechter de gemeente Farciennes toezicht op IGRETEC uitoefent zoals op haar eigen diensten, maar dat van een dergelijk toezicht geen sprake is in de betrekking tussen SLSP Sambre et Biesme en IGRETEC.
Opmerkingen van de gemeente Farciennes, punten 115 e.v., in het bijzonder de punten 143 en 145.
Ibidem, punten 115 e.v., in het bijzonder de punten 139 en 140.
Naast deze voorwaarden moet de interbestuurlijke samenwerking in ieder geval de fundamentele regels van het VWEU eerbiedigen, met name die welke betrekking hebben op het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, evenals de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Voor het verbod van samenwerking tussen aanbestedende diensten als die samenwerking ertoe leidt dat een particuliere onderneming wordt bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten, zie arrest van 28 mei 2020, Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (C-796/18, EU:C:2020:395, punten 63 e.v. en punt 3 van het dictum).
Arrest van 4 juni 2020, Remondis (C-429/19, EU:C:2020:436; hierna: ‘arrest Remondis II’, punt 24).
Conclusie in de zaak Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (C-796/18, EU:C:2020:47, punten 26–28).
Vóór richtlijn 2014/24 werd horizontale samenwerking bij de onderhandse gunning van opdrachten voor diensten die een openbare dienst ondersteunen, zoals de uitvoering van bouwkundige of technische onderzoeksopdrachten en de reiniging van kantoren, door het Hof niet erkend: zie arrest van 19 december 2012, Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a. (C-159/11, EU:C:2012:817), voor het eerste geval, en arrest van 13 juni 2013, Piepenbrock (C-386/11, EU:C:2013:385), voor het tweede geval. Niettemin zou kunnen worden geredeneerd dat de grond voor die afwijzing niet was gelegen in het ondersteunende karakter van de dienstverrichting, maar in de omstandigheid dat de overeenkomst inter partes niet was gericht op de gezamenlijke uitvoering van taken van algemeen belang die op hen gezamenlijk rustten: zie punt 34 van het arrest Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a. en punt 39 van het arrest Piepenbrock. Hoe dan ook is de beperking in de thans geldende richtlijn verdwenen.
Naast de in de vorige voetnoot genoemde arresten, zie arresten van 9 juni 2009, Commissie/Duitsland (C-480/06, EU:C:2009:357, punt 37), en 8 mei 2014, Datenlotsen Informationssysteme (C-15/13, EU:C:2014:303, punt 35). Ook de Commissie heeft die zienswijze geïntegreerd in haar voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten [COM(2011) 896 definitief], artikel 11, lid 4, onder a).
Arrest van 28 mei 2020, Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (C-796/18, EU:C:2020:395, punten 57 en 58 en dictum).
Ibidem, punten 59 en 60 en dictum. In mijn conclusie in die zaak (C-796/18, EU:C:2020:47, punten 84 en 85) heb ik betoogd dat ondersteunende activiteiten ‘rechtstreeks en onscheidbaar [moeten] zijn verbonden met de openbare dienst’ en van ‘een dermate fundamenteel belang [moeten zijn] dat de dienst zelf zonder die activiteiten niet als een openbare dienst zou kunnen worden verricht’. Hoewel het Hof voor andere bewoordingen heeft gekozen, komen die mij niet voor als soepeler.
Voorbeelden van complementaire diensten zijn afvalinzameling en -behandeling, waarop het arrest van 9 juni 2009, Commissie/Duitsland (C-480/06, EU:C:2009:357), betrekking heeft, of onderwijs- en onderzoeksactiviteiten die eigen zijn aan openbare universiteiten, zoals advocaat-generaal Mengozzi heeft opgemerkt in zijn conclusie in de zaak Datenlotsen Informationssysteme (C-15/13, EU:C:2014:23, punt 59). In de praktijk kan de door richtlijn 2014/24 geboden flexibiliteit niet ter zake dienend blijken te zijn omdat de verschillende inhoud van de diensten waarmee elke aanbestedende dienst is belast het vaststellen van doelstellingen die gemeenschappelijk voor al die diensten zijn niet toelaat. In dat geval zou een onontbeerlijk element van samenwerking ontbreken. Ook is het denkbaar dat een dergelijk verschil de uitvoering van de respectieve diensten door middel van samenwerking verhindert omdat de ene aanbestedende dienst geen belang heeft bij de door de andere aanbestedende dienst aangeboden dienstverrichtingen, of omdat de complementariteit niet wederkerig, maar eenzijdig is. Indien de betrekking tussen de partijen zich er in die situatie toe beperkt dat de aanbestedende dienst die belang heeft bij de dienst van de andere aanbestedende dienst, deze koopt tegen een prijs, is er geen sprake van samenwerking in de zin van artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24. Vermoedelijk kan evenmin worden gesproken van een interactie die uitsluitend op overwegingen in verband met het openbaar belang berust, zoals wordt vereist door punt b) van datzelfde lid: het in rekening brengen van een bedrag in ruil voor een prestatie is geen doelstelling van openbaar belang. Complementaire diensten (meer bepaald ‘taken’ van algemeen belang) worden vermeld in overweging 14aa van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende overheidsopdrachten, dat als bijlage was gevoegd bij de nota van het secretariaat-generaal, Raadsdocument 14971/12 van 19 oktober 2012. Daarin werd de uitsluiting van samenwerking van de richtlijn uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat complementaire diensten ‘gezamenlijk’ konden worden verricht. Gelet op het redundante karakter ervan, is het verdwijnen van het vereiste uit de definitieve tekst niet van groot belang.
Overweging 33, derde alinea, van richtlijn 2014/24. Dat idee was al opgenomen in het werkdocument van de diensten van de Commissie over de toepassing van de EU-regels inzake overheidsopdrachten op de betrekkingen tussen aanbestedende diensten (samenwerking binnen de overheidssector), SEC(2011) 1169 final, van 4 oktober 2011, punt 3.3.2.
Arrest Remondis II, punten 32 en 33.
Ibidem, punt 29.
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2011 betreffende het gunnen van overheidsopdrachten [COM(2011) 896 definitief], artikel 11, lid 4, onder a).
De term wordt gebruikt in de nota van het secretariaat-generaal, Raadsdocument 9315/12 van 27 april 2012, blz. 38. Zie punt 29 van het arrest Remondis II.
Horizontale samenwerking sluit financiële overdrachten tussen deelnemers niet uit, maar sluit, zoals reeds is aangegeven, wel uit dat de bijdrage van een van hen wordt beperkt tot enkel een betaling.
Verwijzingsbeslissing in zaak C-384/21, blz. 56.
Verwijzingsbeslissing in zaak C-384/21, blz. 56. Uit de opmerkingen van partijen blijkt niet dat er sprake is van een voor alle entiteiten gemeenschappelijk doel, als dat al bestaat; dat doel is voor een externe waarnemer niet evident. In mijn ogen illustreren deze zaken de moeilijkheden waarop ik in voetnoot 31 heb gewezen. Een voorbeeld van samenwerking voor (en door) het verrichten van complementaire diensten voor een en hetzelfde doel is de overeenkomst die is onderzocht in het arrest van 9 juni 2009, Commissie/Duitsland (C-480/06, EU:C:2009:357): zie punt 37 daarvan. Het gemeenschappelijke doel was om de behandeling van afvalstoffen te rationaliseren in een zo nabij mogelijk gelegen installatie.
Verwijzingsbeslissing in zaak C-384/21, blz. 56 en 57. Niettemin zij erop gewezen dat een voorwaarde voor uitsluiting van de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 overeenkomstig artikel 12 is dat de aanbestedende dienst de mogelijkheid heeft om te kiezen tussen het verwerven van de dienst door middel van (verticale of horizontale) interbestuurlijke samenwerking of door een beroep te doen op de markt. Over het algemeen kunnen prestaties die worden verkregen door samenwerking tussen overheidsinstanties (ook) op de markt worden verkregen.
De voorstellen van IGRETEC hadden betrekking op het aantal woningen, de sloop of renovatie van bestaande woningen, het aantrekken van particulier kapitaal, het type overheidsopdracht en andere, daarmee samenhangende aspecten.
Zoals de Commissie suggereert (punt 33 van haar schriftelijke opmerkingen), treedt IGRETEC feitelijk niet op als aanbestedende dienst. Onduidelijk is wat de prestatie is die IGRETEC ‘verkrijgt’ en die zij via een aanbestedingsprocedure zou moeten gunnen indien er geen samenwerking zou bestaan.
Punt 146 in fine van de opmerkingen van de gemeente Farciennes: ‘De inhousebetrekking staat het per definitie toe om [IGRETEC] gelijk te stellen met de gemeente Farciennes’. Hoewel de vertegenwoordigster van de gemeente ter terechtzitting heeft gewezen op de ‘functionele en organische band’ tussen de twee entiteiten, heeft zij haar betoog, dat steunt op de inhousebetrekking tussen die entiteiten, gehandhaafd.