Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.4.2
6.4.2 Waarover kan (niet) geklaagd worden?
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494934:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
W.H.B. den Hartog-Jager, ‘Omgaan met klachten’, Trema 1992, p. 254.
Jaarverslag Hoge Raad 2005-2006, p. 151.
Kamerstukken II 1978/79, 14 178, nr. 3, p. 32.
Zie jaarverslagen van de Hoge Raad 2001/2002, p. 41; 2003/2004, p. 53; 2005/2006, p. 151; 2007/2008, p. 144. Op <www.rechtspraak.nl> (Hoge Raad/Over de Hoge Raad/Bijzondere taken HR en PG/klachtenregeling) wordt daarvoor de term ‘ordemaatregelen’ gebruikt.
HR 6 januari 1984, NJ 1984, 185, m.nt. WHH, r.o. 6.
Jaarverslag Hoge Raad 2005-2006, p. 152.
Zie over de mogelijke betekenis van dit niet vast omlijnde begrip § 5.4.2 (hfdst. 5).
Kamerstukken II 1976/77, 14 178, nr. 3, p. 20 (Instelling van het ambt van Nationale ombudsman).
HR 6 januari 1984, NJ 1984, 185, m.nt. WHH, r.o. 3.2.
HR 6 januari 1984, NJ 1984, 185, m.nt. WHH, r.o. 5.
De huidige externe klachtenregeling geeft de mogelijkheid om over bepaalde personen en onder bepaalde voorwaarden een klacht in te dienen bij de P-G bij de Hoge Raad. Een verzoeker moet altijd eerst een klacht indienen bij het betrokken gerecht voordat hij gebruik kan maken van de externe klachtenregeling. De P-G behandelt uitsluitend klachten die betrekking hebben op gedragingen van een rechter in de uitoefening van zijn functie. Die functie omvat meer dan de rechtsprekende taak van de rechter. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om het bijwonen van een persconferentie.1 Maar een klacht over een rechter-plaatsvervanger betreffende gedragingen in zijn hoedanigheid van advocaat en procureur vallen niet onder de klachtregeling.2 Bij gedragingen is vooral te denken aan onfatsoenlijk en onheus optreden van een rechter (bejegening). Klachten over rechterlijke beslissingen en de motivering daarvan zijn uitdrukkelijk uitgesloten van het klachtrecht (art. 14a lid 1 Wet RO). Met die uitzondering heeft de wetgever willen voorkomen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen wordt doorbroken.3 Hoger beroep en cassatie zijn in beginsel de aangewezen middelen om een rechterlijke beslissing aan te vechten. Indien in de betreffende procedure geen rechtsmiddel (meer) openstaat, kan evenmin een klacht worden ingediend ten aanzien van de rechterlijke beslissing. Niet alleen een einduitspraak is een ‘rechterlijke beslissing’; het betreft alle beslissingen die een rechter neemt aangaande de behandeling (ter zitting) van een zaak en de loop van een procedure.4 Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de bepaling van termijnen, zoals de vaststelling van de zittingsdag, de bepaling van de spreektijd van de procespartijen, de beslissing wie als getuigen worden opgeroepen en gehoord, wat er wordt opgenomen in het proces-verbaal, het al dan niet aanhouden van de behandeling van een zaak en het al dan niet voegen van zaken. Eveneens uitgesloten van het klachtrecht is de waardering van feiten of omstandigheden en getuigenverklaringen. Volgens de ombudskamer van de Hoge Raad kan een besluit (een ‘rechterlijke beslissing’) gepaard gaan met een persoonlijk optreden van de rechter tegenover betrokkene, dat los van de inhoud van het besluit, wel vatbaar is voor onderzoek.5 Maar een klacht die op het eerste gezicht het optreden van de rechter betreft – zoals ‘de rechter liet mij niet uitpraten’ – kan in feite raken aan het rechterlijk domein – namelijk een beslissing over de orde ter zitting: ‘nu is het woord aan de wederpartij’ – en valt dan buiten het kader van de klachtregeling.6 De Hoge Raad beaamt dat dit onbevredigend kan zijn voor de klager, maar een andere uitkomst zou de uitoefening van de rechterlijke functie belemmeren. Overigens blijkt uit diezelfde uitspraak dat ook klachten over rechterlijk beleid op grond waarvan een rechterlijke beslissing is genomen buiten de klachtenregeling vallen.7
De regering heeft vooral benadrukt dat de rechterlijke beslissing en rechterlijk beleid zijn uitgezonderd van de klachtenregeling, omdat zij geen nieuw rechtsmiddel heeft willen creëren. Toch is die uitzondering eerder ook in verband gebracht met de rechterlijke onafhankelijkheid: ‘Ook al zou de inhoud van rechterlijke beslissingen buiten de bemoeiingssfeer van de Commissaris van onderzoek blijven, toch tast kritiek van deze functionaris op het persoonlijk optreden van de rechter in de uitoefening van zijn functie diens onafhankelijkheid aan (curs. PvdE).’8 De Hoge Raad onderstreept het belang van het onderscheid dat hierin wordt gemaakt tussen de ‘inhoud van rechterlijke beslissingen’ en ‘het persoonlijk optreden van de rechter’.9 Verder legt de Hoge Raad een verband tussen de uitsluiting van rechterlijk beleid van het klachtrecht en de rechterlijke onafhankelijkheid:
‘Met het voorgaande zou niet stroken dat het aan dergelijke [rechterlijke] beslissingen ten grondslag liggend rechterlijk beleid (…) wel ter toetsing aan bedoelde kamer zou kunnen worden voorgelegd. (…) Een andere opvatting zou de in art. 14a gemaakte uitzondering voor rechterlijke beslissingen te zeer ondergraven, zij zou de onafhankelijkheid van de rechter juist met betrekking tot toekomstige door hem ten aanzien van de betreffende raadsman te nemen beslissingen aantasten, en leiden tot een toetsing die de grenzen van de onderhavige regeling te buiten gaat.’10
Annotator Heemskerk deelt de opvatting van de Hoge Raad niet.
‘Het besluit om klager voortaan niet meer toe te voegen, is geen rechterlijke beslissing, berust niet op een bij de wet toegekende beslissingsbevoegdheid. Het is een handeling van een rechterlijk ambtenaar jegens een bepaalde persoon, een bejegening. Dit lijkt mij nu een gedraging die geheel in de termen van art. 14a valt en bij uitstek vatbaar moet worden geacht voor toetsing door de Hoge Raad als ombudsman. (…) Met een klacht over détournement de pouvoir door de overheid kan men al sinds lang bij de rechter terecht, hoewel deze de beleidsvrijheid van de overheid respecteert. Het beroep van de HR op de onafhankelijkheid en beleidsvrijheid van de rechter kan dus niet rechtvaardigen dat hij geen kennis neemt van klachten over détournement de pouvoir door de rechter bij diens besluit om Mr. X niet meer toe te voegen.’
Heemskerk betwist volgens mij dat het in casu een rechterlijke beslissing, of daaraan ten grondslag liggend rechterlijk beleid betrof en niet het bestaan van die uitzonderingen in het licht van de rechterlijke onafhankelijkheid op zich. Toevoeging door een rechter van een bepaalde raadsman aan een bepaalde verdachte op grond van het wetboek van Strafvordering is zonder meer een rechterlijke beslissing (beslissing in een concrete zaak). Maar het mondeling meegedeelde besluit om klager voortaan niet meer toe te voegen is volgens hem een handeling van een rechter, die een bepaalde advocaat in abstracto treft.
Op grond van artikel 14b, eerste lid, onder d, Wet RO neemt de P-G ook geen klachten in behandeling waarvoor een voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat, of heeft opengestaan. Dat betekent dat niet kan worden geklaagd over een gebrek aan rechterlijke onpartijdigheid in het kader van de ombudsregeling, omdat daarvoor al de wrakingsprocedure openstaat.
Een dergelijke uitwerking van de klachtenregeling leidt tot de conclusie dat deze in principe niets van doen heeft met de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat de regeling niet ziet op rechterlijk functioneren, maar op persoonlijk functioneren. Alleen ten aanzien van het gedrag van een rechter kan een klacht worden ingediend; niet ten aanzien van procesrechtelijke beslissingen of de inhoud van een vonnis. Die uitzonderingen zijn echter juist met het oog op de functionele rechterlijke onafhankelijkheid opgenomen in de wet, dus in die zin relevant voor dit onderzoek.