RF 2022/8
Hoeft de bank nooit acht te slaan op de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde bij het afgeven van een abstracte bankgarantie?
HR 03-12-2021, ECLI:NL:HR:2021:1803
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 december 2021
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en F.R. Salomons
- Zaaknummer
20/01453
- Conclusie
A-G mr. R.H. de Bock
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS635513:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2021:1803, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2021
ECLI:NL:PHR:2021:430, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑04‑2020
- Wetingang
Art. 7:768, 6:262 BW
Essentie
Bijzondere zorgplicht. Abstracte bankgarantie.
Dient de bank onder bijzondere omstandigheden bij het stellen van abstracte bankgarantie acht te slaan op rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde?
Samenvatting
In de onderhavige procedure spreekt Woningborg de bank aan tot schadevergoeding (naast de notaris). Op verzoek van de aannemer heeft de bank een bankgarantie afgegeven ten gunste van een aantal appartementseigenaren, die elk een aannemingsovereenkomst hebben gesloten met de aannemer. De bankgarantie diende als vervangende zekerheid voor het door elk van de appartementseigenaren onder de notaris gestorte depot van (op dat moment nog) 5% van de aannemingssom (art. 7:768 lid 1 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.