Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.4:7.2.3.4 Art. 10b Wet VPB 1969: Internationale mismatches
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.4
7.2.3.4 Art. 10b Wet VPB 1969: Internationale mismatches
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397123:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brief Staatssecretaris van Financiën, 14 juni 2007, nr. CPP2007/00826, V-N 2007/30.13. Daarin wordt goedgekeurd dat de meesleepregeling ook van toepassing is op leningen die na 1 januari 2007 onder de aftrekbeperking van art. 10b Wet VPB 1969 vallen. Voorwaarde is wel dat de 10b-lening vóór 1 januari 2007 reeds bestond en dat de voorwaarden van de geldlening niet gewijzigd zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het huidige art. 10b Wet VPB 1969 is met ingang van 1 januari 2007 in de wet opgenomen. Dit artikel bepaalt dat de rente en waardemutaties op de lening niet aftrekbaar zijn indien de lening cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet:
De lening wordt verstrekt door een gelieerd lichaam in de zin van art. 8b Wet VPB 1969;
De lening heeft geen vaste aflossingsdatum of een aflossingsdatum die meer dan tien jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de lening. Ten aanzien van de looptijd van de lening is in de wet tevens bepaald dat indien de aflossingsdatum wordt verschoven naar een later tijdstip de lening wordt geacht vanaf het tijdstip van totstandkoming de nieuwe aflossingsdatum te hebben gehad;
Er is rechtens dan wel in feite geen vergoeding overeengekomen (renteloze lening) of een vergoeding die in belangrijke mate (30% of meer) lager is dan hetgeen in economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen.
De ratio van deze bepaling is het voorkomen van internationale mismatches.1 In een ander land kan het zo zijn dat bij een renteloze lening tussen verbonden lichamen geen zakelijke rente wordt geïmputeerd (en dus aldaar geen belastingheffing plaatsvindt), terwijl Nederland op grond van de totaalwinstgedachte (ofwel at arm’s lengthbeginsel) wel een zakelijke rente in aanmerking neemt en in beginsel in aftrek toestaat. De toepassing van art. 10b Wet VPB 1969 kan dubbele heffing (overkill) tot gevolg hebben. De bepaling heeft namelijk tot gevolg dat in binnenlandse situaties en in landen waarin de rente op grond van een totaalwinst – of at arm’s lengthbeginsel gecorrigeerd wordt naar zakelijkheid, de rente van aftrek is uitgesloten bij de debiteur, maar wel is belast bij de crediteur. De wetgever heeft aangegeven dat indien dubbele heffing in binnenlandse verhoudingen optreedt eventueel een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule om tot een passende oplossing te komen.2 Voor eventuele dubbele heffing indien de crediteur in het buitenland is gevestigd, is niets geregeld, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met het EU-recht.