Met weglating van voetnoten. Onderstreepte, vetgedrukte en gecursiveerde tekst als in het origineel.
HR, 20-06-2023, nr. 23/00228
ECLI:NL:HR:2023:934
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-06-2023
- Zaaknummer
23/00228
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:934, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:519
ECLI:NL:PHR:2023:519, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:934
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Nederlandse en Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. moord. Afwijzing door Rb van verzoek om minister te adviseren over uitbreiding van terugkeergarantie vanwege militaire dienstplicht van opgeëiste persoon. O.g.v. art. 31.1 UW kan tegen uitspraak van Rb over verzoek tot uitlevering cassatieberoep worden ingesteld. Van deze uitspraak maakt in art. 30.2 UW bedoelde advies geen deel uit. Daaruit volgt dat in cassatie niet geklaagd kan worden over door de Rb uitgebracht advies en ook niet over beslissing van Rb om niet zo’n advies uit te brengen (vgl. HR:1985:AD5682). Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00228 U
Datum 20 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2023, nummer [001], op verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om de minister te adviseren over de uitbreiding van de terugkeergarantie vanwege de militaire dienstplicht van de opgeëiste persoon.
2.2.1
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar verklaard voor strafvervolging voor moord.
2.2.2
De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“Verzoeken met betrekking tot de terugkeergarantie
Nu de opgeëiste persoon ook de Nederlandse nationaliteit bezit, geldt op grond van artikel 4 van de Uitleveringswet dat hij alleen mag worden uitgeleverd als is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf aldaar te ondergaan.
De raadsman heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en onder meer aangevoerd dat de terugkeergarantie specifiek en concreet moet zien op de opgeëiste persoon. Daarnaast voert de raadsman aan dat de opgeëiste persoon zijn verplichte Turkse militaire dienst nog niet heeft verricht. De verdediging wenst dat de terugkeergarantie uit wordt gebreid zodat de opgeëiste persoon niet eerst wordt gedwongen zijn militaire dienstplicht te vervullen. De verdediging verzoekt de rechtbank om de Minister op dit punt nader te adviseren.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Uitleveringswet, de taak van de Minister is om te beoordelen of het voornoemde recht op het ondergaan van de straf in Nederland voldoende is gewaarborgd.
Voorts overweegt de rechtbank het volgende. De terugkeergarantie is vermeld in de brief van de Turkse autoriteiten van 2 augustus 2022, die aanvullend op het eerdere uitleveringsverzoek aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken is toegezonden. In deze brief is expliciet de naam van de opgeëiste persoon vermeld en is gerefereerd aan een brief van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid waarin ten aanzien van de opgeëiste persoon is verzocht om verstrekking van de terugkeergarantie. Daaruit volgt dat de terugkeergarantie specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon is verstrekt.
Ten aanzien van het verzoek om de Minister te adviseren om de terugkeergarantie uit te breiden vanwege de verplichte militaire dienstplicht van de opgeëiste persoon, overweegt de rechtbank dat zij het niet als haar taak ziet om de Minister te adviseren over aangelegenheden die buiten de door de tekst van de Uitleveringswet en de toepasselijke verdragen bestreken onderwerpen liggen. De rechtbank zal daarom aan dit verzoek geen gehoor geven.”
2.3
De volgende bepalingen van de Uitleveringswet zijn van belang.
- Artikel 30 lid 2:
“De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe. Indien de uitlevering toelaatbaar is verklaard, doet zij het afschrift vergezeld gaan van haar advies omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg. Een afschrift van het advies wordt door de griffier aan de opgeëiste persoon en diens raadsman ter hand gesteld of toegezonden.”
- Artikel 31 lid 1:
“Tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoek tot uitlevering kan zowel door de officier van justitie als door de opgeëiste persoon beroep in cassatie worden ingesteld.”
2.4
Op grond van artikel 31 lid 1 Uitleveringswet kan tegen de uitspraak van de rechtbank over het verzoek tot uitlevering cassatieberoep worden ingesteld. Van deze uitspraak maakt het in artikel 30 lid 2 Uitleveringswet bedoelde advies geen deel uit. Daaruit volgt dat in cassatie niet kan worden geklaagd over een door de rechtbank uitgebracht advies en ook niet over de beslissing van de rechtbank om niet zo’n advies uit te brengen. (Vgl. HR 1 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD5682, rechtsoverweging 6.7.)
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2023.
Conclusie 23‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Uitlevering aan Turkije ter fine van strafvervolging. Art. 4.2. en art. 30.2 UW. Middel klaagt over afwijzing van verzoek tot advisering minister i.v.m. terugkeergarantie i.d.z.v. art. 4.2 UW. Oordeel rb dat dit niet tot haar taak behoort niet zonder meer begrijpelijk, maar dit hoeft niet tot cassatie te leiden. Dit oordeel tast immers oordeel toelaatbaarheid van de uitlevering niet aan. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00228 U
Zitting 23 mei 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeeïste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de opgeëiste persoon
Inleiding
Bij uitspraak van 6 januari 2023 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Turkse autoriteiten toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van moord.
Namens de opgeëiste persoon heeft D.J.M. Dammers, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel houdt in dat de rechtbank met haar afwijzing van het verzoek van de raadsman om de Minister van Justitie en Veiligheid te adviseren over de uitbreiding van de terugkeergarantie van de opgeëiste persoon in verband met diens verplichte militaire dienstplicht in Turkije, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat deze afwijzing niet (voldoende) begrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
4. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2022 het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, in1.:
“Terugkeergarantie; advies Minister
• Op grond van artikel 4, lid 2 UW wordt een Nederlandse onderdaan alleen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek uitgeleverd als gewaarborgd is dat hij, mocht hij in de verzoekende Staat tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden veroordeeld, deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
• De vraag of een dergelijke terugkeergarantie toereikend is, ligt ter beoordeling van de Minister. Echter, u kunt de Minister op dit punt wel voorzien van advies en dat is dan ook het nadrukkelijke verzoek dat wordt gedaan vanuit de verdediging.
• Er is nu (nog) geen terugkeergarantie verstrekt. Bovendien is het in mijn redelijk omvangrijke uit- en overleveringspraktijk niet ongebruikelijk dat er onvolledige garanties worden verstrekt. Dan biedt de verstrekte terugkeergarantie onvoldoende zekerheden dat cliënt daadwerkelijk teruggeleverd zal worden door Turkije na beëindiging/voltooiing van zijn strafzaak.
• Client bezit zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. In het Turkse uitleveringsverzoek alsmede de aanvullende stukken wordt cliënt echter consequent aangeduid als een persoon met de Turkse nationaliteit.
• Dat is (op zijn zachtst gezegd) problematisch omdat Turkije eigen onderdanen niet overdraagt aan het buitenland, noch in het kader van een uitlevering, noch in het kader van een teruglevering in het kader van een WOTS-procedure. Duidelijk moet zijn dat deze specifieke cliënt de garantie heeft te worden teruggeleverd na berechting.
• Een te algemene terugkeergarantie biedt deze duidelijkheid wat betreft de verdediging niet. Immers, hoe zien zij deze specifieke cliënt? Nederlander? Turk? Nederlandse Turk? Turkse Nederlander?
• Een garantie dient - anders dan deze - duidelijk en niet multiinterpretabel te zijn.
• Een garantie behoort als waarborg te fungeren dat een Nederlander wordt teruggeleverd.
• Er wordt nu geen garantie gegeven dat [opgeeïste persoon] teruggeleverd gaat worden. Op dit punt zal wat betreft de verdediging meer duidelijkheid dienen te worden vergaard door de Minister.
• Daarbij zal ook moeten worden ingestemd met de omzettingsprocedure in Nederland en de garantie moet vermelden dat de Turkse autoriteiten akkoord gaan met een eventuele omzetting van de hoogte van de straf.
• Tot slot stelt de verdediging vast dat cliënt vandaag 31 jaar is geworden en hij zijn verplichte Turkse militaire dienst, nog niet heeft verricht.
• Volgens de Turkse wet zijn mannen tot 45 jaar dienstplichtig. Deze dienstplicht geldt ook voor mannen die buiten Turkije wonen.
• Turkse mannen die jonger zijn dan 38 jaar kunnen afstand doen van hun Turkse nationaliteit zonder dat zij de Turkse dienstplicht hebben voldaan of afgekocht.
• De verdediging wenst - naast de garantie dat zij tot teruglevering overgaan na een omzettingsprocedure - de garantie dat cliënt niet eerst wordt gedwongen zijn militaire dienstplicht te vervullen zodat de verstrekte garantie ook op die grond in feite een lege huls is. Kortom, ook op dit punt verzoek de verdediging uw rechtbank om de Minister nader te adviseren.”
5. Het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2022 houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, verder in:
“De officier van justitie deelt mede dat er geen aanvullingen zijn. De uitlevering is toelaatbaar. Het uitleveringsverzoek van 4 juli 2022 is binnen, de vordering van 12 juli 2022 is ingediend en er is een concrete terugkeergarantie van 2 augustus 2022 voor de opgeëiste persoon afgegeven.
De raadsman deelt in reactie hierop mede dat hij tot op heden nog geen terugkeergarantie in het dossier heeft gevonden. Hij verzoekt de brief van de minister met daarin de terugkeergarantie naar hem te versturen.
De griffier zendt de (digitale) brief van de minister met daarin de terugkeergarantie van 2 augustus 2022 naar de raadsman.
De raadsman voert het woord overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit. De raadsman neemt voorafgaand aan zijn pleidooi kennis van de terugkeergarantie en bevestigt dat deze concreet is. De raadsman benadrukt vervolgens dat de opgeëiste persoon zijn verplichte Turkse militaire dienst nog niet heeft verricht. De verdediging wenst dat de terugkeergarantie wordt uitgebreid zodat de opgeëiste persoon niet eerst wordt gedwongen zijn militaire dienstplicht te vervullen. De verdediging verzoekt de rechtbank om de minister op dit punt nader te adviseren.
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Zij deelt mede:
Met betrekking tot de militaire dienstplicht merk ik op dat voor het eerst wordt genoemd dat de opgeëiste persoon zijn dienstplicht nog moet verrichten. De terugkeergarantie is in deze zaak voor de opgeëiste persoon voldoende geconcretiseerd. Mogelijk kan de minister de Turkse autoriteiten verzoeken iets over zijn militaire dienstplicht op te nemen.”
6. De bestreden uitspraak houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“Verzoeken met betrekking tot de terugkeergarantie
Nu de opgeëiste persoon ook de Nederlandse nationaliteit bezit, geldt op grond van artikel 4 van de Uitleveringswet dat hij alleen mag worden uitgeleverd als is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf aldaar te ondergaan.
De raadsman heeft ter zitting pleitnoties overgelegd en onder meer aangevoerd dat de terugkeergarantie specifiek en concreet moet zien op de opgeëiste persoon. Daarnaast voert de raadsman aan dat de opgeëiste persoon zijn verplichte Turkse militaire dienst nog niet heeft verricht. De verdediging wenst dat de terugkeergarantie uit wordt gebreid zodat de opgeëiste persoon niet eerst wordt gedwongen zijn militaire dienstplicht te vervullen. De verdediging verzoekt de rechtbank om de Minister op dit punt nader te adviseren.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Uitleveringswet, de taak van de Minister is om te beoordelen of het voornoemde recht op het ondergaan van de straf in Nederland voldoende is gewaarborgd.
Voorts overweegt de rechtbank het volgende. De terugkeergarantie is vermeld in de brief van de Turkse autoriteiten van 2 augustus 2022, die aanvullend op het eerdere uitleveringsverzoek aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken is toegezonden. In deze brief is expliciet de naam van de opgeëiste persoon vermeld en is gerefereerd aan een brief van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid waarin ten aanzien van de opgeëiste persoon is verzocht om verstrekking van de terugkeergarantie. Daaruit volgt dat de terugkeergarantie specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon is verstrekt.
Ten aanzien van het verzoek om de Minister te adviseren om de terugkeergarantie uit te breiden vanwege de verplichte militaire dienstplicht van de opgeëiste persoon, overweegt de rechtbank dat zij het niet als haar taak ziet om de Minister te adviseren over aangelegenheden die buiten de door de tekst van de Uitleveringswet en de toepasselijke verdragen bestreken onderwerpen liggen. De rechtbank zal daarom aan dit verzoek geen gehoor geven.”
7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de rechtbank door in haar uitspraak te overwegen dat “zij het niet als haar taak ziet om de Minister te adviseren over aangelegenheden die buiten de door de tekst van de Uitleveringswet en de toepasselijke verdragen bestreken onderwerpen liggen” onvoldoende, dan wel onvoldoende begrijpelijk op het verzoek van de raadsman respondeert. Daartoe wordt door de steller van het middel aangevoerd dat door de raadsman in zijn pleitnotities uitvoerig aandacht is besteed waarom de rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid in onderhavige zaak zou moeten adviseren. Er is (onder meer) benadrukt dat de opgeëiste persoon zijn Turkse militaire dienstplicht nog niet heeft verricht, dat het voorts niet ongebruikelijk is dat er onvolledige garanties worden verstrekt (met problematische gevolgen in het kader van een eventuele teruglevering) en dat een terugkeergarantie als waarborg behoort te fungeren dat een Nederlander daadwerkelijk wordt teruggeleverd, zoals blijkt uit art. 4 lid 2 Uitleveringswet (hierna: UW).
8. Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat art. 4 lid 2 UW bepaalt dat het aan de minister is om te beoordelen of de terugkeergarantie voldoende is gewaarborgd.
9. Verder schrijft art. 30 lid 2 UW voor dat indien de rechter de uitlevering toelaatbaar verklaart, het afschrift van haar uitspraak vergezeld gaat van een advies omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg. Dit betekent dat de uitleveringsrechter de minister kan adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan.2.In gevallen waarin de uitlevering toelaatbaar is verklaard, is het definitieve oordeel over dat gevolg voorbehouden aan de minister omdat het de regering is die de beschikking heeft over informatie omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen en de rechter niet.3.
10. Het advies van de rechtbank is niet vatbaar voor toetsing in cassatie omdat zij niet tot de bestreden uitspraak hoort.4.
11. Gelet op art. 30 lid 2 UW kan de verdediging de rechtbank verzoeken om in het advies aandacht te besteden aan kwesties die voor de Minister van Justitie en Veiligheid van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van het verzoek.5.
12. In de onderhavige zaak heeft de verdediging de rechtbank verzocht om in het advies aandacht te besteden aan de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zijn verplichte Turkse militaire dienst nog niet heeft verricht, omdat deze omstandigheid naar het oordeel van de verdediging van belang is voor de beoordeling van de terugkeergarantie betreffende de opgeëiste persoon als bedoeld in art. 4 lid 2 UW. Ik begrijp het verzoek van de verdediging aldus dat zij wenst te bewerkstelligen dat de minister van Turkije een uitbreiding van de inmiddels verstrekte terugkeergarantie zal verlangen, zodat voorafgaand aan de uitlevering vaststaat dat de opgeëiste persoon niet eerst zal worden gedwongen zijn militaire dienstplicht in Turkije te vervullen, alvorens te worden teruggeleverd.
13. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank er gemotiveerd voor gekozen om hieromtrent niets op te nemen in haar advies aan de minister. De rechtbank heeft overwogen dat de terugkeergarantie is vermeld in de brief van de Turkse autoriteiten van 2 augustus 2022, waarin expliciet de naam van de opgeëiste persoon is genoemd. Voorts overweegt zij dat het niet haar taak is om de minister te adviseren over aangelegenheden die vallen buiten de aangelegenheden van de UW en de toepasselijke verdragen.
14. Uit art. 30 lid 2 UW vloeit evenwel voort dat de rechtbank, nadat zij de uitlevering toelaatbaar heeft geacht en daartoe aanleiding ziet, de minister in het advies kan wijzen op een ter zitting gebleken omstandigheid die relevant kan zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van het uitleveringsverzoek, zodat de minister in de gelegenheid wordt gesteld om deze te betrekken bij zijn oordeel. Gelet hierop is de door de rechtbank gegeven motivering naar mijn oordeel niet zonder meer begrijpelijk.
15. Het middel klaagt daarover terecht, maar tot cassatie hoeft dit niet te leiden. De eventuele (niet in cassatie te toetsen) inhoud van het advies van de rechtbank staat immers los van de beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering en een gebrekkige motivering van de afwijzing van een verzoek om een bepaalde omstandigheid in het advies aan de minister op te nemen, tast die beslissing dan ook niet aan. Een en ander neemt niet weg dat Uw Raad de minister in een nader advies alsnog op de door de verdediging aangevoerde omstandigheid zou kunnen wijzen.6.
Conclusie
16. Het middel is terecht voorgesteld, maar kan niet tot cassatie leiden.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑05‑2023
Zie Lestrade, in: T&C Internationaal Strafrecht, art. 30 Uitleveringswet, aant. 3 (online, actueel tot 21 maart 2023) en HR 04 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326, NJ 2006, 408.
Zie HR 1 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD5682, r.o. 6.7.
Zie Lestrade, in: T&C Internationaal Strafrecht, art. 30 Uitleveringswet, aant. 3 (online, actueel tot 21 maart 2023).
Vgl. HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326, m.nt. A.H. Klip.