Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, en HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1348. Zie ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.
HR, 03-03-2026, nr. 23/02071
ECLI:NL:HR:2026:331
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-03-2026
- Zaaknummer
23/02071
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:331, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1348
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:3023
ECLI:NL:PHR:2025:1348, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:331
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt en diefstal van elektriciteit. 1. Kan klacht gericht tegen beslissing van hof in samenhangende strafzaak worden aangemerkt als cassatiemiddel? 2. Motivering grondslag van ontnemingsvordering. Is ontnemingsmaatregel enkel gebaseerd op bewezenverklaring? 3. Kostenverweer. Heeft hof (volledige) investeringskosten en kosten voor gestelde 2 kweekperioden voldoende meegenomen? Ad 1. Als middel a.b.i. wet kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak (hier: in ontnemingszaak) heeft gewezen. Klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. Ad 2. en 3. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02070.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02071 P
Datum 3 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2023, nummer 22-001678-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat H. Akbaba bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bevat een klacht die is gericht tegen de beslissing van het hof in de strafzaak die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 23/02070 en die samenhangt met deze ontnemingszaak. Als een cassatiemiddel als in de wet bedoeld, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak – hier: de ontnemingszaak – heeft gewezen. De klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
3. Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/02070, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. Die zaak wordt onder meer wat betreft de strafoplegging teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag. Dat hof zal in die zaak beoordelen of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026.
Conclusie 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Profijtontneming uit hennepkwekerij. Drie middelen falen, (1) omdat geklaagd wordt over kwesties die in de strafzaak thuishoren, (2) omdat het de ontnemingsrechter vrijstond zich te baseren op uitsluitend de bewezenverklaring in de stafzaak, en (3) omdat over de aftrek van investeringskosten ter zitting geen uos is ingenomen. De conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met de strafzaak, 23/02070.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02071 P
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 16 mei 2023 (parketnr. 22-001678-21) het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden bevestigd, en daarmee het door de betrokkene wederrechtelijk vergregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 36.025,90 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 720 dagen.
2. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene 23/02070. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. H. Akbaba, advocaat in Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
De strafzaak
4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag de betrokkene bij arrest van 16 mei 2023 veroordeeld ter zake van, samengevat, het opzettelijk telen en het opzettelijk aanwezig hebben van 339 hennepplanten (feit 1) en gekwalificeerde diefstal van elektriciteit (feit 2).
Het eerste ‘middel’
5. Het eerste ‘middel’ strekt tot vernietiging van de uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de strafzaak gegrond worden bevonden.
6. Het is vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1.In een ontnemingszaak kan derhalve niet worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de strafzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak.2.In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het namens de betrokkene aangevoerde is dus niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.3.
Het tweede middel
7. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de grondslag van de ontnemingsvordering. Aangevoerd wordt dat “de ontnemingsmaatregel enkel [is] gebaseerd op de bewezenverklaring van het strafbare feit”, terwijl de betrokkene “geen enkele bemoeienis [heeft] gehad met de hennepkwekerij”. Volgens de steller van het middel is dus ook geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel.
8. De klacht dat de betrokkene geen bemoeienis zou hebben gehad bij de hennepkwekerij, ziet op (een gesteld gebrek in de motivering van) de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht een klacht met een gelijkluidende strekking in de strafzaak succes hebben, dan doet het al genoemde artikel 511i Sv zijn werk.
9. Dan de klacht dat de ontnemingsmaatregel enkel is gebaseerd op de bewezenverklaring. Ook die klacht faalt, want het staat de ontnemingsrechter vrij om de ontnemingsmaatregel uitsluitend daarop te gronden. Hoewel de ontnemingsprocedure volgens de wettelijke regeling een zelfstandige procedure betreft, mag immers niet uit het oog worden verloren dat de ontnemingsprocedure een afsplitsing (een ‘sequeel’) is van de strafzaak waarin de veroordeling is uitgesproken. De rechter die over een ontnemingsvordering moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Die gebondenheid komt vooral tot uiting bij de bewijsvraag. De gedragingen die in de strafzaak bewezen zijn verklaard, staan in de ontnemingsprocedure vast.4.
10. Het middel faalt.
Het derde middel
11. Het derde middel bevat de klacht dat door het hof “de volledige investeringskosten en de kosten voor de gestelde 2 kweekperioden onvoldoende zijn meegenomen”.
12. De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep van 2 mei 2023 (blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, p. 5) desgevraagd verklaard: “Ik wil uw hof vragen om de pleitnota ter terechtzitting in eerste aanleg als voorgehouden te beschouwen.” Bovendien merkte de verdediging (blijkens het proces-verbaal van die zitting, p. 6) op: “Ik verwijs naar de toelichting grieven d.d. 28 april 2023, deze fungeert als pleitnota.” Volgens het proces-verbaal van de zitting heeft (de voorzitter van) het hof noch op het een, noch op het andere expliciet gereageerd, dan wel beslist.
13. Hieruit leid ik af dat ter zitting géén (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt is ingenomen over (volledige) investeringskosten die de betrokkene over twee kweekperiodes zou hebben gemaakt. Daarop stuit het middel reeds af.5.
Slotsom
14. Het eerste ‘middel’ is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak niet binnen een termijn van twee jaar na het instellen van cassatieberoep uitspraak zal doen. De rechter naar wie de strafzaak m.i. moet worden verwezen, zal hierop acht dienen te slaan. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑12‑2025
Vgl. de conclusie a-g Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4) evenals de conclusie van zijn hand van 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:461, onder 11.
Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:846.
A-g Keulen bespreekt deze materie uitgebreid in zijn conclusie van 16 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1071, waarnaar ik graag mag verwijzen.
Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6894, NJ 2010/534.