Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.6.2.4
9.6.2.4 De Singaporese scheme of arrangement
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192572:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. nr. 9. Zie over deze herziening bijvoorbeeld Wan & McCormack 2019; Apáthy & Chua 2018; Wee 2018; Gopalan 2018.
Daarbij heeft de commissie ten eerste partijen in gedachten die tegenstemmen in de hoop om zo een groter deel van de taart te ontvangen. Ten tweede zou een minderheid binnen een klasse de totstandkoming van een scheme – hoewel zij fair worden behandeld – niet mogen blokkeren puur omdat zij een aparte klasse vormen. De commissie meent dat met de introductie van een cram down minder nadruk zal komen te liggen op de klassenindeling. Zie ILRC Insolvency Law Review Committee, Final Report 2013, §49 en 52. Zie kritisch over de door de ILRC aangevoerde argumenten voor invoering van een cross class cram down: Wee 2018, p. 574-575.
Insolvency Law Review Committee, Final Report 2013, p. 154-156.
In §8.6.1.2 kwam aan bod dat de Singaporese rechter kan besluiten om in een concreet geval de headcount test buiten beschouwing te laten. Zo kan een aanvankelijk tegenstemmende klasse toch als vóórstemmende klasse worden aangemerkt. Deze exercitie heeft hetzelfde effect als een cross class cram down. Zie over de verhouding tussen de twee routes: Gopalan 2018, §34.
s211(H)(1)(c) Companies Act (SGP). De vereiste meerderheid bestaat in beginsel uit een gewone meerderheid van de stemmende partijen binnen de klasse, die drie vierde van de waarde van de vorderingen of aandelen van die klasse vertegenwoordigt, vgl. s210(3AB)(a) en (b) Companies Act (SGP).
s211(H)(3)(a) en (b) Companies Act (SGP). Bij dit klassenoverstijgend meerderheidsvereiste kan de rechter het headcount-vereiste niet buiten werking stellen, in tegenstelling tot de vereiste meerderheid per klasse. Zie Gopalan 2018, §30 en nr. 472.
Zie eveneens kritisch over deze vereiste ‘overall’ meerderheid: Apáthy & Chua, die schrijven: “The requirement that the scheme of arrangement be approved by creditors reflecting at least 75% by value and 50% by number of schemed creditors (present and voting) as a whole also seems somewhat arbitrary. This potentially means that a cram down could only reliably be used where the dissenting creditors comprise a relatively small part of the capital structure (regardless of whether they can be demonstrated to be completely underwater or receiving a significantly better recovery than in liquidation).” Vgl. Apáthy & Chua 2018.
s211(H)(3)(c) Companies Act (SGP).
s211(H)(4)(a) Companies Act (SGP).
s211(H)(4)(b)(i) Companies Act (SGP) bepaalt dat het akkoord ten aanzien van de klasse zekerheidsgerechtigden één van de volgende drie behandelingen moet bevatten: “(A) provide for each creditor in the dissenting class to receive deferred cash payments totalling the amount of the creditor’s claim that is secured by the security held by the creditor, and preserve that security and the extent of that claim (whether or not the property subject to that security is to be retained by the company or transferred to another entity under the terms of the compromise or arrangement); (B) provide that where the security held by any creditor in the dissenting class to secure the creditor’s claim is to be realised by the company free of encumbrances, the creditor has a charge over the proceeds of the realization to satisfy the creditor’s claim that is secured by that security; or (C) provide that each creditor in the dissenting class is entitled to realise the indubitable equivalent of the security held by the creditor in order to satisfy the creditor’s claim that is secured by that security.” Deze waarborgen zijn materieel gelijk aan de waarborgen die het Amerikaanse recht voor een cross class cram down van zekerheidsgerechtigden stelt. Zie §1129(b) BC, waarover uitgebreid §9.6.3.
s211(H)(4)(b)(ii) Companies Act (SGP).
“(…) [while] jurisprudence from other jurisdictions may be relied by our Courts for guidance, our Courts will be free to develop jurisprudence on the use of cram-down provisions that would be suitable in the local context”, Ministry’s response to feedback from public consultation on the draft Companies (amendment) Bill 2017 to strengthen Singapore as an international centre for debt restructuring, 7 februari 2017 (te raadplegen via https://app.mlaw.gov.sg, laatst geraadpleegd 30 december 2019), §8.2.2. Zie hierover ook Gopalan 2018, §31-32.
Insolvency Law Review Committee, Final Report 2013, §49(2) op p. 155.
s211(H)(4)(a) Companies Act (SGP) bepaalt dat een scheme niet ‘fair and equitable is, tenzij “no creditor in the dissenting class receives, under the terms of the compromise or arrangement, an amount that is lower than what the creditor is estimated by the Court to receive in the most likely scenario if the compromise or arrangement does not become binding on the company and all classes of creditors meant to be bound by the compromise or arrangement”.
Zie nr. 544. De regering beoogde aan te sluiten met de ‘common law position’, zie Ministry’s response to feedback from public consultation on the draft Companies (amendment) Bill 2017 to strengthen Singapore as an international centre for debt restructuring, 7 februari 2017 (te raadplegen via https://app.mlaw.gov.sg, laatst geraadpleegd 30 december 2019), §8.3.1.
Wee 2018, p. 573.
Ministry’s response to feedback from public consultation on the draft Companies (amendment) Bill 2017 to strengthen Singapore as an international centre for debt restructuring, 7 februari 2017 (te raadplegen via https://app.mlaw.gov.sg, laatst geraadpleegd 30 december 2019), §8.4. In de consultatie was de volgende suggestie gedaan: “Therefore, a provision should be included, which allows for share capital to be transferred (or extinguished and reissued) to creditors or another party as part of a scheme without the approval of shareholders. This is subject to the Court being satisfied that the shareholders and subordinated debt holders do not have any real economic interest in the company.” De regering overwoog echter: “We have considered this concern and note the issue of a de facto shareholder veto is not uncommon in schemes involving debt-equity swaps, where shareholder approval is required to issue new shares. There is no present intention to provide powers for the Court to compel shareholders in creditor schemes to issue new share capital/transfer existing share capital in the manner suggested.”
s211(H)(4)(b)(ii)(B) Companies Act (SGP).
Apáthy & Chua 2018, p. 284; Wan & McCormack 2019, p. 27-30.
Wan & McCormack 2019, p. 27-30.
545. Zoals eerder aangestipt, is in 2017 de regeling van de scheme of arrangement in Singapore ingrijpend herzien.1 Zo is de regeling uitgebreid met een aantal op het Amerikaanse recht gebaseerde componenten. Eén van die nieuwe elementen is de mogelijkheid van een cross class cram down. De belangrijkste reden voor de introductie van dit mechanisme is volgens het Insolvency Law Review Committee (‘ILRC’) dat een klasse de totstandkoming van een scheme niet op onredelijke gronden moet kunnen tegenhouden.2 Wanneer de tegenstemmers ten minste ontvangen wat zij in geval van liquidatie zouden ontvangen en er geen sprake is van onredelijke discriminatie tussen klassen, zouden zij de totstandkoming van een scheme niet moeten kunnen dwarsbomen. De commissie was zich bewust van het feit dat een cross class cram down gepaard gaat met ingewikkelde waarderingsexercities. Vanwege deze consequentie was een minderheid van de commissie tegen de invoering van een cram down. Uiteindelijk beveelt de commissie de invoering van een cross class cram down aan, mits er “a high threshold of proof that the dissenting class is not going to be prejudiced by the cram-down” zal worden gehanteerd.3
s211(H) Companies Act (SGP) bevat de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn vooraleer een tegenstemmende klasse aan een scheme kan worden gebonden.4 Deze voorwaarden zijn geïnspireerd op de Amerikaanse regeling in §1129(b) BC, maar verschillen daar in diverse opzichten van. Het Singaporese recht stelt drie voorwaarden aan een cross class cram down. Ten eerste moet ten minste één klasse hebben ingestemd met het scheme-voorstel.5 Ten tweede moet de scheme draagvlak hebben onder een meerderheid van de crediteuren op wie de scheme betrekking heeft, die gezamenlijk ten minste 75% van de waarde van de totale uitstaande vorderingen waarop stemmen zijn uitgebracht vertegenwoordigen.6 Dit draagvlakvereiste beperkt het toepassingsbereik van de Singaporese cross class cram down tot die gevallen waarin er slechts een relatief kleine groep dwarsligt. Wanneer het vereiste draagvlak niet wordt gerealiseerd is een cross class cram down uitgesloten, ook wanneer het merendeel van die tegenstemmers out of the money is. In §9.3.1 besprak ik dat een draagvlakvereiste dat in het geheel geen rekening houdt met de (on)redelijkheid van tegenstemmen ten onrechte een fatale barrière kan vormen voor de totstandkoming van redelijke akkoorden.7
Ten derde moet de scheme ‘fair and equitable’ zijn en mag er geen sprake zijn van ‘unfair discrimination’.8 Laatstgenoemde begrippenparen zijn afkomstig uit het Amerikaanse recht. De Singaporese wet bevat enkele nadere voorschriften over wat als fair and equitable heeft te gelden. Zo moeten crediteuren op basis van de scheme minstens aanspraak kunnen maken op hetgeen zij zouden ontvangen wanneer de scheme niet tot stand zou komen, wil het plan fair and equitable zijn.9 Onder de fair and equitable-noemer valt ook het Singaporese equivalent van de absolute priority rule. Op basis van deze regel moeten zekerheidsgerechtigde crediteuren kortgezegd de waarde van hun zekerheid behouden,10 terwijl tegenstemmende klassen volledig moeten worden betaald alvorens een lager gerangschikte klasse crediteuren of aandeelhouders enige waarde zou mogen toekomen.11 Tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt dat de wet slechts een “baseline standard” bevat en dat het mogelijk is dat een plan niet fair and equitable is, ook al is aan de wettelijke voorschriften voldaan. De Singaporese rechter heeft veel vrijheid. Zo wordt in de Companies Act niet nader uitgewerkt wanneer sprake is van unfair discrimination. De rechter heeft hier de nodige beslissingsvrijheid. Hij kan zich laten inspireren door de Amerikaanse rechtspraak, gehouden is hij daartoe niet.12
De Singaporese wetgever heeft zich gerealiseerd dat een cross class cram down gepaard gaat met ingewikkelde waarderingsexercities. De rechter mag daarom een deskundige benoemen die hem helpt met het vaststellen van het bedrag dat een bepaalde crediteur zou ontvangen “in the most likely scenario if the compromise or arrangement does not become binding”. Het Insolvency Law Review Committee stelde als relevante maatstaf bij de beantwoording van de vraag of een partij onredelijk dwarsligt de liquidatiewaarde voor.13 De wettelijke regeling sluit echter aan bij de waarde die de crediteuren zouden krijgen in het scenario dat als het meest waarschijnlijke zou volgen op het mislukken van de scheme.14 Zij hanteert het ‘next best alternative’, net zoals de Engelse regering.15 De kritiek die in nr. 544 op het Engelse voorstel is geleverd, geldt dus ook voor de Singaporese regeling. Deze standaard benadeelt junior crediteuren.
546. Een wezenlijke beperking van de Singaporese regeling is dat met s211(H) Companies Act slechts tegenstemmende klassen van crediteuren kunnen worden gebonden aan de scheme. Er bestaat geen mogelijkheid het akkoord op te leggen aan tegenstemmende klassen van aandeelhouders.16 De regering heeft dit onder ogen gezien, maar meent dat aandeelhouders geen de facto vetorecht hebben: “In any event, subsection 4(b)(ii)(B) is unlikely to create a veto for shareholders. The section protects dissenting creditors by ensuring that shareholders (who by reason of being last in the distribution of dividends in a liquidation scenario) do not receive any property over the dissenting creditor class.”17 De wet bepaalt inderdaad dat een tegenstemmende klasse crediteuren slechts gebonden kan worden aan een scheme indien zij volledig wordt voldaan, en, indien dat niet mogelijk is, dat de lager gerangschikte aandeelhoudersklasse geen belangen in de vennootschap mogen krijgen of houden.18 Er bestaat echter geen mogelijkheid de klasse aandeelhouders te dwingen hun belangen op te geven. Een succesvolle cross class cram down lijkt dus afhankelijk te zijn van de vrijwillige medewerking van aandeelhouders. Werken zij niet mee door hun aandelenbelangen prijs te geven, dan is niet voldaan aan s211(H)(4)(b)(ii)(B) Companies Act (SGP), waardoor er geen homologatie plaats kan vinden.19 Het ontbreken van de mogelijkheid een klasse out of the money-aandeelhouders te dwingen hun belang op te geven, is een belangrijk manco van de Singaporese regeling. De beperking kan mogelijk verklaard worden uit het feit dat het merendeel van de Singaporese ondernemingen, ook beursgenoteerde ondernemingen, vrijwel geheel door families of door de staat worden gecontroleerd. Wan & McCormack hebben erop gewezen dat de huidige regeling het risico met zich brengt dat aandeelhouders slechts herstructureringen voorstellen die hen in staat stellen controle over de onderneming te behouden en/of waarde van de concurrente crediteuren naar de aandeelhouders overhevelen.20