De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.4.3.3:1.4.3.3 Hoofdstuk 9
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.4.3.3
1.4.3.3 Hoofdstuk 9
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369695:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.4.2 en hoofdstuk 8, waarin ter sprake kwam dat deze belangen slechts met het oog op bepaalde – door de wetgever geselecteerde – doelen opzij mogen worden gezet. Daarnaast dienen ook procedurele waarborgen in acht te worden genomen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 9 gaat verder waar hoofdstuk 8 eindigt. Waar hoofdstuk 8 bespreekt wat er in theorie aan (onmiddellijke) voorzieningen mogelijk is, bespreekt hoofdstuk 9 hoe bepaald moet worden welke (onmiddellijke) voorziening in een concreet geval mogen worden ingezet.
Het behandelt de vraag in hoeverre bij wijzigingen van de regels van de deelrechtsorde en van de personele bezetting van organen rekening moet worden gehouden met de belangen die gediend zijn met de bestaande situatie.
Het gaat veelal om een combinatie van maatschappelijke, persoonlijke en ideële belangen. Het gaat bijvoorbeeld om dwingendrechtelijk beschermde persoonlijke belangen (bijvoorbeeld van aandeelhouders en vermogensrechtelijke wederpartijen). Deze bescherming dient veelal tegelijkertijd een breder maatschappelijk belang. Door bescherming van vermogensrechtelijke wederpartijen wordt het handelsverkeer gediend, wat weer goed is voor de economie. Tevens faciliteert de wetgever partijen bij het naar eigen inzicht inrichten van de rechtspersoon en hun positie daarbinnen. Dat helpt hen weer om hun persoonlijke of ideële doelen na te streven. Dat dit mogelijk is, dient eveneens een breder maatschappelijk doel.
Dat impliceert dat de vormgeving van de vennootschap, zowel qua regels als qua personele bezetting van de organen, niet zonder meer opzij kan worden gezet.1 Ook niet indien vaststaat dat er een reden is om in te grijpen in de gang van zaken in de rechtspersoon en deze vaststelling is geschied met inachtneming van alle procedurele waarborgen. Een inbreuk op de maatschappelijke, persoonlijke en ideële belangen die schuilgaan achter de vormgeving van de rechtspersoon dient proportioneel te zijn.