Ik heb eerder geprocedeerd over dezelfde feiten voor belastingjaar 2015. Ik wijs u graag op de uitspraak van de rechtbank Zeeland — West Brabant van 21 november 2019 (BRE 18/5810), het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2020 (20/00005) en de Hoge Raad der Nederlanden van 12 november 2021 (21/00758). Het feitencomplex in de onderhavige procedure is hetzelfde als in belastingjaar 2015.
HR, 13-03-2026, nr. 24/00914
24/00914
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-03-2026
- Zaaknummer
24/00914
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑03‑2026
ECLI:NL:HR:2026:401, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:268
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026031308
NDFR Nieuws 2026/396
FutD 2026-0437
NTFR 2026/475 met annotatie van mr. P.T. van Arnhem
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/397
V-N 2026/14.4 met annotatie van Redactie
BNB 2026/69 met annotatie van P. Kavelaars
Beroepschrift 13‑03‑2026
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Beroepschrift in cassatie
[…]
Eiser tot cassatie
tegen
Staatssecretaris van Financiën / De Inspecteur van de Belastingdienst
Verweerder in cassatie
11 maart2024
1. Inleiding
1.
Op 31 januari 2024 ontving ik de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, met kenmerk 22/00793. Een kopie van deze uitspraak treft u aan als bijlage.
2.
Ik ben het niet eens met deze uitspraak. Het Gerechtshof heeft een aantal procedurele fouten gemaakt en het recht op een onjuiste wijze toegepast. Deze uitspraak wordt hierna aangeduid als ‘bestreden uitspraak’.
2. Wettelijk kader
3.
De bestreden uitspraak handelt over de vraag of ik als belastingplichtige in aanmerking kom voor de Inkomens Afhankelijke Combinatie Korting (hierna: IACK) in belastingjaar 2014.
4.
De IACK is geregeld in artikel 8.14a van de Wet op de Inkomstenbelasting (hierna: Wet IB). Deze bepaling luidt voorzover hier relevant als volgt:
‘Artikel 8.14a. Inkomensafhankelijke combinatiekorting
1.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:
- a.
hij een arbeidsinkomen heeft dat meer bedraagt dan € 5.072, dan wel hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek;
- b.
in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, en
- c.
hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lager arbeidsinkomen heeft dan zijn partner. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen een kind dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, voorde toepassing van onderdeel b beschouwd wordt ook op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen. ’
5.
Deze zaak gaat over de toepassing van artikel 8:14a lid 1, sub b, Wet IB op grond waarvan het kind op hetzelfde woonadres als belastingplichtige moet zijn ingeschreven in de ‘basisregistratie personen’ (hierna: ‘het inschrijvingsvereiste’). 1.
3. Feiten
6.
In de periode van 2007 tot en met 2013 heeft mijn gezin elk jaar de IACK ontvangen. Mijn partner en ik woonden en werkten in Nederland en het hele gezin stond op één adres ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP). In die periode kon op eenvoudige wijze worden voldaan aan het ‘inschrijvingsvereiste’.
7.
De woon- en werksituatie veranderde medio 2013 doordat mijn partner een nieuwe baan accepteerde in België. Mijn partner en ik besloten om het hoofdverblijf van het gehele gezin te verplaatsen naar België. Om de inkomenszekerheid voor het gezin te waarborgen besloten we om mijn vaste baan in Nederland voort te zetten. Aangezien ik vier dagen en nachten per week in Nederland op kantoor moest werken, hielden we de oude gezinswoning aan. Om die reden heb ik me in 2013 niet uitgeschreven uit de BRP, de kinderen daarentegen zijn sinds medio 2013 ingeschreven in Belgie.
8.
Een doorgaande week zag er in 2014 als volgt uit. Op zondagavond vertrok ik vanuit onze woning in Belgie naar Nederland voor mijn werk. Op donderdagavond vertrok ik dan weer vanuit Nederland terug naar mijn gezin. Op vrijdag en in het weekend verbleef ik bij mijn gezin en dat gold ook voor zon- en feestdagen en de vakanties. In wezen had ik in 2014 twee feitelijke verblijfplaatsen en twee woonadressen.
9.
Met de verhuizing was er verder niets veranderd aan de gezinssituatie. Ik voerde samen met mijn partner en kinderen een gezamenlijke huishouding. Ik droeg in 2014 zowel feitelijk als financieel zorg voor mijn kinderen binnen het gezin. Hieraan was niets veranderd ten opzicht van de periode vóórde verhuizing medio 2013.
10.
Naast de omstandigheid dat ik het grootste deel van de week voor mijn werk vier dagen per week in Nederland op kantoor moest zijn, waren er ook praktische overwegingen om inschrijving in het BRP te behouden. Ik onderging aldaar een medische behandeling, had er mijn zorgverzekering en maakte voor mijn vervoer gebruik van een auto met Nederlands kenteken. Dat laatste was van belang omdat ik daarmee iedere week op en neer reisde.
11.
Op termijn was mijn voornemen om mij duurzaam bij mijn gezin te vestigen in Belgie. Dit was afhankelijk van a) de vraag of de nieuwe baan van mijn partner goed zou bevallen en b) of ik zelf geschikt werk in België zou kunnen vinden. De nieuwe baan van mijn partner beviel haar goed en begin 2016 vond ik ook werk in België. Omdat ik niet langer in Nederland hoefde te verblijven voor mijn werk, heb ik me begin 2016 uitgeschreven uit de BRP. Sindsdien sta ik ingeschreven op het woonadres van mijn gezin in België. De Belastingdienst heeft vervolgens voor de belastingjaren vanaf 2016 de IACK aan mij toegekend. Vanaf dat moment stonden mijn kinderen en ik namelijk in Belgie ingeschreven op hetzelfde adres.
12.
Mijn partner en kinderen zijn medio 2013 ingeschreven in het ‘Rijksregister’ in België en uitgeschreven uit de BRP. In de BRP is melding gemaakt van hun nieuwe adres in België. Het was dus voor de Belastingdienst alleszins kenbaar dat sprake was van een internationale gezinssituatie.
13.
Ik had medio 2013 en ook in 2014 geen specifieke kennis van het bestaan van de IACK. Ik kende ook het ‘inschrijvingsvereiste’ van artikel 8.14a van de Wet IB niet. Ik ging er van uit dat de migratie van mijn gezin geen gevolgen zou hebben voor mijn belastingheffing en mijn inkomen.
14.
Bij mijn aangifte over belastingjaar 2014 zag ik in het aangifteprogramma van de Belastingdienst de vraag staan of ik als belastingplichtige samen met een kind jonger dan 12 jaar op hetzelfde adres was ingeschreven. Aangezien ik hieraan niet kon voldoen heb ik deze vraag bij de aangifte over 2014 negatief beantwoord.
15.
Ik ging er van uit dat er mogelijk een heffingskorting zou kunnen bestaan voor ouders met kinderen en dat deze vraag hiervoor relevant zou kunnen zijn. In mei 2016 heb ik vervolgens de aangifte voor het jaar 2015 met opzet foutief ingevuld en aangevinkt dat ik wel kinderen had die op mijn adres in Nederland waren ingeschreven. Dit was de enige manier om hier een discussie over te krijgen.
16.
Ik was er namelijk van overtuigd dat mijn gezinssituatie ten opzichte van vóór medio 2013 niet was veranderd. Ook vond ik dat ik evenals andere belastingplichtigen in Nederland met kinderen die zich in dezelfde situatie bevonden recht zou moeten hebben op eventuele heffingskorting of andere belastingvoordelen.
17.
Eerst in 2017 ben ik vanwege het voornemen van de Belastingdienst om mijn aanvraag voor 2015 af te wijzen bekend geworden met de precieze benaming van de IACK en het ‘inschrijvingsvereiste’.
4. Overzicht van de procedure
18.
Gelet op de bovengenoemde gang van zaken, heb ik de IACK voor belastingjaar 2014 in december van 2019 ‘aangevraagd’. Dat wil zeggen dat ik mijn eerdere belastingaangifte over 2014 heb gewijzigd door ‘foutief’ in te vullen dat ik in 2014 wèl met een kind op hetzelfde adres was ingeschreven in de BPR.
19.
Bij primaire beslissing van 15 januari 2020 heeft de Belastingdienst besloten om de IACK niet toe te kennen omdat niet was voldaan aan het ‘ inschrijvingsvereiste’. Op 24 februari 2020 heb ik bezwaar ingediend bij de Belastingdienst. Na een vooraankondiging van 18 maart 2020 heeft de Belastingdienst op 17 juni 2020 in een uitspraak op bezwaar (kenmerk […].) mijn bezwaren afgewezen. Op 29 juli 2020 heb ik beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank Zeeland — West Brabant. Na een behandeling van mijn beroep ter zitting op 6 januari 2022, heeft de Rechtbank bij uitspraak van 17 februari 2022 mijn beroep afgewezen.
20.
Vervolgens heb ik op 6 april 2022 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof. Het Gerechtshof heeft bij uitspraak van 31 januari 2024, met kenmerk 22/00793 op 31 januari 2024 mijn hoger beroep afgewezen (de ‘ bestreden uitspraak’).
5. Cassatiemiddelen
21.
Ik ben het niet eens met de uitspraak van het Gerechtshof met kenmerk 22/00793. Mijn cassatiemiddelen zien enerzijds op de gevolgde procedure en anderzijds op een foutieve materiele toepassing van het recht.
5.1. Procedurele gronden
22.
In overweging 3.1 onder 1 van de bestreden uitspraak is door het Gerechtshof een lijst met gronden opgesomd. Het lijkt er op dat het Gerechtshof de hogerberoep-gronden uit haar uitspraak over 2015 simpelweg heeft gekopieerd. Deze lijst komt daarmee niet volledig overeen met de gronden van mijn beroepschrift voor het belastingjaar 2014.
23.
Het Gerechtshof heeft uit eigen beweging de onderdelen a) — doel en strekking van de IACK en b) artikel 26 van het IVBPR en/of artikel 14 EVRM mee genomen in de beoordeling terwijl ik deze niet heb aangevoerd in hoger beroep.
24.
Vervolgens bespreekt het Gerechtshof in overweging 4.1 de gelijkenis van het feitencomplex met het belastingjaar 2015. De eerste en tweede zin zijn correct weergegeven. Het feitencomplex voor het jaar 2015 is gelijk aan dat van de onderhavige procedure voor het jaar 2014. Het Gerechtshof maakt vervolgens een fout in de laatste zin door op te merken dat mijn standpunten ‘ ten aanzien van de geschilpunten a,b,c […], d, e en f’ gelijk zijn ‘ aan de standpunten die belanghebbende tijdens de procedure over het jaar2015 heeft aangevoerd.’
25.
Het Gerechtshof geeft hiermee een onjuiste voorstelling van zaken. Mijn standpunten zijn inhoudelijk zeker niet gelijk aan de argumenten die ik bij het Gerechthof in de zaak over belastingjaar 2015 heb aangevoerd. Dit heb ik ook tijdens de zitting uitgelegd. Mijn argumenten en onderbouwing wijken sterk af van de procedure over 2015.
26.
Deze onjuiste vooronderstellingen leiden er vervolgens toe dat het Gerechtshof voor de beoordeling volledig aansluit bij zijn eerdere uitspraak over belastingjaar 2015 met kenmerk 20/00005 en verzuimt om nader onderzoek te doen. Dit ziet u terug in overweging 4.2 waarin het Hof stelt geen aanleiding te zien om voor 2014 anders te oordelen en simpelweg verwijst naar overweging 4.1 tot en met 4.9van zijn uitspraak van 31 december 2020 met kenmerk 20/00005.
27.
Dit ziet u ook terug in de zinsnede in overweging 4.2 die daarop volgt. Ik doel op de zin ‘Dat wat belanghebbende aanvoert over strijd met het burgerschap van de Unie maakt dat niet anders’. Even verderop volstaat het Gerechtshof in overweging 4.2 ten aanzien van mijn beroep op Verordening 883/2004 met de zin ‘Ook in de nader uitgewerkte standpunten inzake de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels in de EU ziet het Hof geen reden om thans anders te oordelen […]’.
28.
Deze schaarse motivering geeft er geen blijk van dat het Gerechtshof op zorgvuldige wijze onderzoek heeft gedaan naar de verschillende hoger beroepsgronden en argumenten die ik aan het Unierecht heb ontleend. Ik heb sterk de indruk dat het Gerechtshof mijn argumenten ten aanzien van het jaar 2014 in het geheel niet heeft onderzocht en deze niet individueel heeft beoordeeld. Hiermee is sprake van het onzorgvuldig voorbereiden van een uitspraak en beoordeling van mijn hoger beroep.
29.
In lijn met het bovenstaande is sprake van een gebrekkige motivering van het Gerechtshof. Uit overweging 4.2 valt niet op te maken waarom mijn argumenten ontleend aan het Unie recht door het Gerechtshof ter zijde zijn gesteld. Het is daarmee voor mij als burger onnavolgbaar waarom de vele Unie rechtelijke gronden geen doel treffen. Dit tast mijn recht aan om me te kunnen verdedigen en om op een goede manier cassatie in te kunnen stellen. Het is namelijk onduidelijk waarom het Gerechtshof nu precies de toepassing van het Unie recht ter zijde stelt. Op deze manier is het niet mogelijk om standpunten uitte wisselen en om de werkwijze van het Gerechtshof te toetsen op formele zorgvuldigheid en een juiste materiële toepassing van het recht.
30.
Het had vanwege de verwijzing naar de eerdere uitspraak over 2015 — en met name de verwijzing naar overweging 4.6- op de weg van het Gerechtshof gelegen om mijn argumenten die zien op Verordening 883/2004 nader te beoordelen en te motiveren. Overweging 4.6van de eerdere uitspraak over 2015 is namelijk dermate onnavolgbaar, dat een extra onderzoek en motivering door het Gerechtshof zeker op zijn plaats was. Het Gerechtshof heeft destijds namelijk erkend dat de Verordening van toepassing zou zijn, maar vervolgens op onnavolgbare wijze toegepast door enkel te kijken naar artikel 4 van Verordening 883/2004. De motivering van het Gerechtshof in overweging 4.2 van de bestreden uitspraak schiet ernstig te kort op dit punt. Het had gelet op mijn argumenten op de weg gelegen om ten aanzien van Verordening 883/2004 nader uit te leggen waarom de overige bepalingen niet van toepassing zijn. De motivering van het standpunt dat geen sprake is van schending van de Verordening blijft te kort en blijft onbegrijpelijk. Procedureel ben ik daardoor in mijn rechten van verdediging geschaad tijdens mijn hoger beroep over het jaar 2014.
31.
De bestreden uitspraak getuigt hiermee al met al niet van een onbevooroordeelde, zorgvuldige en onafhankelijke beoordeling van mijn geschil over belastingjaar 2014 ten opzichte van het jaar 2015. Deze niet onpartijdige opstelling is ook gebleken uit de samenstelling van het college van rechters waarop ik hieronder terug zal komen.
32.
Het Gerechtshof had in al haar wijsheid besloten om dezelfde rechter op mijn zaak te zetten. Rechter Cosijn die eerder over mijn geschil ten aanzien van belastingjaar 2015 heeft geoordeeld, zat tevens in het college van rechters wat moest oordelen over het onderhavige jaar 2014. Deze rechter heeft over belastingjaar 2015 voor mij negatief beslist.
33.
Zijn procesopstelling tijdens de zitting op 19 oktober 2023 was passief en getuigde daarmee niet van een onafhankelijke, kritische en onpartijdige opstelling. Ik had de sterke indruk dat hij zich ongemakkelijk voelde bij de ontstane situatie. Ook de procesopstelling van andere rechters was problematisch. Een rechter stelde een impertinente vraag of mijn gezin niet vanuit twee landen een tegemoetkoming had ontvangen. Ik heb dat opgevat als een beschuldiging van mogelijke fraude. Deze vraag was problematisch omdat de Belastingdienst eerder in de zaak over 2015 een vergelijkbare beschuldiging heeft geuit bij de Rechtbank.
34.
Aangezien de schijn van vooringenomenheid was gewekt en de rechterlijk onpartijdigheid in gevaar was gebracht, heb ik na de zitting van 19 oktober 2023 een wrakingsverzoek ingediend. Het Gerechtshof toonde zich tijdens de wrakingszitting weinig ontvankelijk voor mijn wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft mijn verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. 2.
35.
Ik had het wrakingsverzoek direct mondeling ter zitting op 19 oktober 2023 moeten indienen of vlak daarna. Ik had 3 weken de tijd genomen omdat ik weloverwogen wilde beslissen om tot een wrakingsverzoek te besluiten. Ook de voorbereiding daarvan kostte me tijd. Ik wijs er op dat artikel 8:16 Awb eist dat een verzoek vóórde einduitspraak moet zijn ingediend. Hieraan heb ik voldaan.
36.
Voor mij als burger blijft echter overeind staan dat rechter Cosijn zich had moeten verschonen en dat de rechterlijke onpartijdigheid in gevaar is gekomen. Als gevolg van zijn betrokkenheid heeft er helaas geen objectieve en onafhankelijke behandeling ter zitting plaatsgevonden. Ook uit de 1 op 1 aansluiting in overweging 4.2 van de bestreden uitspraak met de uitspraak van het Gerechtshof over 2015, toont aan dat er geen sprake is geweest van rechterlijke onpartijdigheid. Het Gerechtshof heeft zich er ten aanzien van o.a. de toepassing van het Unierecht wel heel makkelijk vanaf gemaakt.
37.
Vanwege de betrokkenheid van rechter Cosijn is het al met al niet onverwacht dat de uitspraak bijna 1 op 1 hetzelfde is. Het ligt in de menselijke aard van veel mensen om niet op eerder ingenomen standpunten terug te komen. Het Gerechtshof heeft het wrakingsverzoek mijns inziens dan ook ten onrechte afgewezen. De behandeling had door een andere rechter moeten gebeuren.
38.
In het algemeen valt de lengte van de bestreden uitspraak van het Gerechtshof op. Deze is extreem kort. Het Gerechtshof heeft veel van mijn hoger beroepsgronden inhoudelijk niet besproken en gemotiveerd weerlegd. Er is heel weinig onderbouwing opgenomen met verwijzingen naar rechtsbronnen. Als rechtszoekende heb ik daar recht op omdat ik anders mijn rechten niet goed kan verdedigen.
5.2. Onjuiste toepassing van het Unie recht
39.
Het Gerechtshof heeft het materiele recht van de Europese Unie op een onjuiste wijze toegepast.
40.
Ik ben van mening dat het Gerechtshof gelet op deze regelgeving had moeten uitgaan van de fictie dat mijn kinderen in 2014 woonachtig waren in Nederland. Het recht van de Europese Unie brengt met zich dat het ‘inschrijvingsvereiste’ opgenomen in artikel 8.14a lid 1, sub b niet aan mij kan worden tegengeworpen.
5.2.1. Verordening 883/2004 — en uitvoeringsverordening 987/2009
41.
Voorop dient te worden gesteld dat sprake was van een internationale situatie. Ik werkte in Nederland, mijn partner in België. Wat de woonsituatie betreft woonden mijn partner en kinderen in België en waren aldaar ingeschreven. Ik zelf had twee adressen waar ik verbleef, het adres in Nederland en het adres van mijn gezin in België. Omdat ik doorgaans voor mijn werk 4 dagen in Nederland verbleef was ik na de verhuizing ingeschreven gebleven in Nederland.
42.
De aanleiding voor het ontstaan van deze situatie was het accepteren van een baan door mijn partner in een andere lidstaat (namelijk België). Verder reisde ik in een doorgaande week één keer per week op en neer van België naar Nederland en was daarmee een grensarbeider in de zin van het Unierecht.
43.
Verordening EU 883/2004 en uitvoeringsverordening EU 987/2009bevatten een regeling voor de coördinatie van sociale zekerheidstelsels. Deze regeling heeft tot doel om het vrij verkeer te waarborgen en bij te dragen aan de levensstandaard en verbetering van de arbeidsomstandigheden. 3. Zij beogen te garanderen dat personen die zich binnen de Unie verplaatsen hun rechten en voordelen behouden. 4. Deze regels zijn van toepassing ongeacht of de onderdaan werknemer, grensarbeider, inactief of gezinslid is.
44.
De personele werkingssfeer wordt bepaald in artikel 2(1) van Verordening 883/2004. De Verordening is van toepassing op ‘onderdanen van een lidstaat, […], die in één van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden […]’. De regeling is van toepassing op mij als onderdaan van lidstaat Nederland, maar tevens op mijn partner en kinderen als ‘gezinsleden’. De regeling bepaalt dat mijn partner en mijn kinderen eveneens binnen de persoonlijke werkingssfeer vallen en zelf aanspraak kunnen maken op de bescherming die deze regeling biedt.
45.
De IACK valt binnen de materiële werkingssfeer omdat deze kan worden aangemerkt als een ‘gezinsbijslag’ in de zin van de artikel 1, onderdeel z, juncto artikel 3, lid 1, onderdeel j, van Verordening 883/2004. De IACK is in de praktijk de belangrijkste heffingkorting voor een belastingplichtige met kinderen tot 12 jaar en voldoet aan het criterium dat deze dient ter ‘tegemoetkoming van de gezinslasten’. De IACK voldoet verder aan de eisen die uit de rechtspraak voortvloeien dat deze zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften wordt toegekend. 5. Ik merk op dat de wijze van financiering niet ter zake doet. Het is niet van belang of de ‘gezinsbijslag’ via premiebijdragen, de algemene belastinginkomsten of een andere wijze wordt gefinancierd. Het feit dat de IACK via het belastingrecht wordt toegekend doet daarmee niet af aan de kwalificatie van ‘gezinsbijslag’. 6.
46.
Gelet op het voorgaande valt de onderhavige casus zowel binnen de personele- als materiële werkingssfeer van Verordening 883/2004 en Uitvoeringsverordening 987/2009.Vervolgens is de vraag wat dit precies betekent voor de Belastingdienst als ‘bevoegd orgaan’ in de zin van deze Verordeningen.
Artikel 11 — de wetgeving van één lidstaat is van toepassing
47.
Artikel 11, eerste lid, van Verordening 883/2004 stelt als hoofdregel dat ‘degene op wie deze verordening van toepassing is, […] slechts aan de wetgeving van één lidstaat [is] onderworpen.’ Dit betekent dat de wetgeving van één lidstaat van toepassing is.7. In casu is dit de wetgeving van Nederland omdat ik in 2014 als Rijksambtenaar werkzaam was.8.
48.
Mijn recht op de IACK mag enkel door de Nederlandse wetgeving worden beheerst. Het exclusief aanwijzen van één stelsel door Verordening 883/2004 brengt met zich dat er géén ruimte is om de IACK afhankelijk te stellen van de wetgeving van een andere lidstaat. De situatie van mijzelf als belastingplichtige, die van mijn partner en mijn kinderen mag slechts aan de Nederlandse wetgeving zijn onderworpen.
49.
Het Gerechtshof stelt zich in overweging 4.6- 4.7 van de bestreden uitspraak op het standpunt dat ik mij in 2014 had kunnen inschrijven in België. Deze benadering kan gelet op artikel 11 van Verordening 883/2004 echter niet worden gekozen. Het Gerechtshof (en eerder ook de Belastingdienst als ‘bevoegd orgaan’ 9.) stelt de uitkering daarmee immers afhankelijk van de wetgeving en praktijken van EU lidstaat België. Dat kan gelet op artikel 11 van Verordening 883/2004 niet de bedoeling zijn.
50.
Ik wijs op overweging 11 van Verordening 883/2004 die deze hoofdregel nader toelicht. Hier staat ten aanzien van artikel 5 dat ‘De gelijkstelling van feiten of gebeurtenissen die zich in een lidstaat voordoen kan in geen geval tot gevolg hebben dat een andere lidstaat bevoegd is, of dat diens wetgeving van toepassing wordt.’ Overweging 15 van Verordening 883/2004 bevestigt dat de doelstelling van artikel 11 is ‘om de samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, te vermijden’.10.
51.
Op grond van artikel 11 van Verordening 883/2004 en de doelstellingen van deze Verordening kan het Gerechtshof (en eerder de Belastingdienst) ‘het inschrijvingsvereiste’ in mijn zaak niet toepassen zoals dat in de bestreden uitspraak is gedaan. De Belastingdienst mag niet eisen dat ik mij inschrijf in het bevolkingsregister in België om in aanmerking te kunnen komen voor de IACK. Deze aanpak leidt er immers toe dat er twee stelsels van nationale wetgeving van toepassing worden, enerzijds de regels in de Wet IB en anderzijds de Belgische wetgeving inzake de inschrijving in het bevolkingsregister. Dit is niet toegestaan. Ik wijs er op dat mijn casus vanwege de grensoverschrijdende elementen ook laat zien dat er de nodige ‘verwikkelingen’ voortvloeien uit de aanpak van de Belastingdienst.
Artikel 4 — gelijke behandeling
52.
Een belangrijke bepaling in verordening 883/2004 betreft artikel 4. De Belastingdienst mag mij op grond van deze bepaling niet discrimineren. Artikel 4 stelt:
‘Tenzij in deze verordening anders bepaald, hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.’
53.
De Belastingdienst mag mij als belastingplichtige (en ook mijn partner en kinderen) niet direct discrimineren op basis van nationaliteit. Het is ook niet toegestaan om indirect op basis van een andere factor te discrimineren. Het Hof heeft in het arrest Bocero ten aanzien van indirecte discriminatie verduidelijkt dat ‘als indirect discriminerend worden beschouwde voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk of in de meeste gevallen migrerende werknemers treffen, alsook de zonder onderscheid van toepassing zijnde voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen dan migrerende werknemers, of die in het bijzonder voorlaatstgenoemden nadelig kunnenuitvallen.’11.
54.
Ik ben van oordeel dat de Belastingdienst artikel 4 van de Verordening heeft geschonden omdat sprake is van discriminatie. Het ‘inschrijvingsvereiste’ lijkt op het eerste gezicht neutraal te worden toegepast. Dit is echter op grond van de Verordening en de jurisprudentie niet voldoende. Er mag namelijk ook geen sprake zijn van voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen of voorwaarden die nadelig uitpakken voor met name migrerende werknemers.
55.
Voor de beoordeling of artikel 4 is geschonden is van belang om te bepalen met welke situatie mijn gezinssituatie in 2014 moet worden vergeleken. Mijns inziens is dat de situatie waarin mijn gezin zich bevond in de periode 2007 tot medio 2013. Dit is de situatie voorafgaand aan de verhuizing waarin mijn partner en ik op één adres samen met de kinderen waren ingeschreven in de BRP. Mijn gezinssituatie in 2014 kan ook worden vergeleken met elk ander gezin wat in dat jaar geen gebruik maakte van het vrije verkeer binnen de Unie en om die reden niet over twee adressen beschikte en op één adres in Nederland woonde. Indien mijn partner medio 2013 geen nieuwe baan in België had gevonden, was dat ook de woonsituatie van het gezin in 2014 geweest. We hadden dan met zijn allen op één adres in Nederland in de BRP ingeschreven gestaan en eenvoudig aan het inschrijvingsvereiste kunnen voldoen.
56.
In de kern maakt de Belastingdienst onderscheid tussen een belastingplichtige met zijn gezin in Nederland (mijn situatie in de periode 2007-medio 2013) en een belastingplichtige met zijn gezin in het buitenland, terwijl in beide gevallen het kind tot ‘het huishouden behoort’ van de belastingplichtige. De Belastingdienst maakt middels het niet toekennen van de IACK ten onrechte onderscheid op basis van de locatie waar het kind is ingeschreven. Dit treft in het bijzonder de belastingplichtige waarvan de gezinsleden hebben besloten om te migreren. Dit is een vorm van discriminatie. Dit terwijl in beide gevallen sprake is van het ‘tot het huishouden behoren’ zoals in de parlementaire geschiedenis van de IACK is aangeduid.
57.
De Belastingdienst maakt zich ook schuldig aan indirecte discriminatie doordat de IACK wordt gefinancierd middels premies, bijdragen en/of belastingafdracht zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de woonplaats van de kinderen van de belastingplichtige. De Belastingdienst kent vervolgens een belastingplichtige waarvan het kind in een andere lidstaat woont de IACK niet toe terwijl zij dat wel doet aan de belastingplichtige waarbij het kind in Nederland woont.
Artikel 5 — gelijkstelling van feiten en gebeurtenissen
58.
Artikel 4 van Verordening EU 883/2004 bevat de zinsnede ‘Tenzij in de verordening anders is bepaald’. Dit betekent dat Verordening 883/2004 bijzondere regels mag stellen en dat gebeurt onder andere in artikel 5. Deze bijzondere regel gaat vóórop het in artikel 4 opgenomen algemene recht op gelijke behandeling.
59.
Op grond van artikel 5 sub b, van Verordening 883/2004 geldt dat de bevoegde lidstaat rekening moet houden met feiten en gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen: Artikel 5, sub b luidt:
‘indien de wetgeving van de bevoegde lidstaatrechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, houdt die lidstaat rekening met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan.’ 12.
60.
De Belastingdienst had op grond van artikel 5, sub b, van Verordening 883/2004 rekening moeten houden met feiten en gebeurtenissen die zich in 2014 in België hebben voorgedaan. Dit geldt voor mijn verblijf in België bij mijn gezin alwaar mijn kinderen tot mijn huishouden behoorden. Dit geldt ook voor het gezamenlijk voeren van een huishouding. De Belastingdienst had echter gelet op de tekst van artikel 5 moeten doen alsof mijn gezin zich in Nederland bevond en ik aldaar samen met hen een huishouding voerde. De stelling kan ook worden betrokken dat de Belastingdienst rekening moest houden met de inschrijving van mijn kinderen in het bevolkingsregister in België. Dat mijn kinderen in België waren ingeschreven, is bovendien kenbaar voor de Belastingdienst omdat dit in de BRP staat vermeld. Het was bovendien voor de Belastingdienst kenbaar dat ik met hen in 2014 een gezamenlijke huishouding voerde. Dit blijkt immers uit de voorbereiding van de beslissing op bezwaar.
Artikel 7 en 67 — opheffing van regels inzake de woonplaats
61.
Naast artikel 5 bevatten artikel 7 en 67 van Verordening 883/2004 enkele bijzondere regels die voorgaan op artikel 4 en 5. Ingevolge artikel 7 dienen regels inzake de woonplaats te worden opgeheven. Artikel 7 van Verordening 883/2004 luidt:
‘Tenzij in deze verordening anders bepaald, kunnende uitkeringen verschuldigd op grondvandewetgevingvanéénofmeerlidstatenofopgrondvandezeverordening, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaardop grond van het feit dat de rechthebbende of de leden van zijn gezin in een andere lidstaat wonen dan die waar zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.’
62.
De IACK mag dus niet worden verminderd of geschorst op grond van het feit dat de leden van mijn gezin zich in een andere lidstaat woonden. Dit is echter wel wat de Belastingdienst feitelijk heeft gedaan, zij heeft vanwege de verhuizing en de uitschrijving van de kinderen in Nederland de IACK niet aan mij als rechthebbende toegekend. Het ‘inschrijvingsvereiste’ lijkt neutraal te worden toegepast maar is in wezen een verkapt woonplaatsvereiste wat op grond van artikel 7 van Verordening 883/2004 buiten toepassing moet worden verklaard.
63.
Verder bepaalt artikel 67 van Verordening 883/2004 dat ik als rechthebbende met gezinsleden die een andere lidstaat wonen:
‘Een persoon heeft recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden.’
64.
Deze bepaling is erg duidelijk: de Belastingdienst had rekening moeten houden met het feit dat ik kinderen had die in Belgie woonden. Zij had moeten doen alsof mijn kinderen niet in België woonden maar in Nederland. Het Hof van Justitie heeft ten aanzien van deze bepaling herhaaldelijk geoordeeld dat dit als beginsel vaststelt dat ‘een persoon voor zijn gezinsleden die wonen in een andere lidstaat dan die welke bevoegd is voor de uitkering van de gezinsbijslagen, recht heeft op die bijslagen alsof deze gezinsleden in laatstbedoelde lidstaat woonden’.13. Dit betekent dat geabstraheerd moet worden van de feitelijke situatie en dit betekent dientengevolge de inschrijving in eventueel betrokken bevolkingsregisters niet langer relevant is. Verder heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat artikel 73 van Verordening 1408/71 — de voorganger van artikel 67 — ‘het voor migrerende werknemers gemakkelijker moet maken om gezinsbijslagen te ontvangen in hun land van tewerkstelling, wanneer hun gezin zich niet ook in dat land heeft gevestigd, en in het bijzonder moet verhinderen dat een lidstaat de toekenning of het bedrag van gezinsbijslagen kan laten afhangen van de voorwaarde dat de gezinsleden van de werknemer in de uitkerende lidstaat wonen ’,14. Deze bepaling heeft tot doel, de gezinsleden van een aan de wetgeving van een lidstaat onderworpen werknemer, die in een andere lidstaat wonen, de toekenning te garanderen van de in de toepasselijke wetgeving van de eerste staat voorziene gezinsbijslagen. 15.
65.
Ik wijs ook op artikel 60 van Verordening 987/2009,wat enkele bijzondere regels stelt. Bij toepasssing van artikel 67van Verordening 883/2004 stelt deze bepaling dat er:
‘wordt rekening gehouden met de situatie van het gehele gezin alsof alle betrokkenen onderworpen zijn aan de wetgeving van de betrokken lidstaat en er verblijven, vooral wat het recht van een persoon om deze uitkeringen aan te vragen betreft.’
66.
De derde volzin van artikel 60, eerste lid, van Verordening 987/2009stelt dat:
‘Indien een persoon die gerechtigd is om de uitkeringen aan te vragen dit recht niet uitoefent, houdt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is rekening met een aanvraag om gezinsuitkeringen die is ingediend door de andere ouder’.
67.
Hieruit volgt dat indien ik zelf de IACK niet had aangevraagd, mijn partner dit had kunnen doen. Het Hof van Justitie heeft bevestigd dat beide ouders aanspraak kunnen maken op een ‘gezinsbijslag’. 16. Mijn partner had dus ook de IACK kunnen aanvragen en deze kunnen ontvangen terwijl ze niet in Nederland woonde in 2014. Indien zij dat had gedaan, was aan het ‘inschrijvingsvereiste’ voldaan omdat mijn partner en mijn kinderen op één en het zelfde adres in België stonden ingeschreven.
68.
Het Hof heeft tevens bepaald dat een kind als ‘gezinslid’ zich rechtstreeks op artikel 73 — het huidige artikel 67van Verordening 883/2004 — kan beroepen om zo om toekenning van gezinsbijslag te verzoeken. 17. Het ging daarbij om een situatie waarbij de vader, woonachtig en werkzaam in Oostenrijk, zelf niet gebruik had gemaakt van zijn vrij verkeer. De moeder daarentegen had zich na een echtscheiding samen met haar dochter van Oostenrijk naar Frankrijk verplaatst. De feiten vertonen daarmee enige parallelen met de situatie van mijzelf en mijn gezin in 2014.
69.
Het Hof stelt voorop dat artikel 73 beoogt om de toekenning van de in de toepasselijke wetgeving voorziene gezinsbijslag te garanderen aan de gezinsleden die in een andere dan de bevoegde lidstaat wonen. In casu was duidelijk dat indien het kind in Oostenrijk — het land van de vader — was blijven wonen, zij aanspraak had op de gezinsbijslag uit Oostenrijk. Alleen omdat de moeder met haar kind gebruik had gemaakt van haar vrij verkeer en was verplaatst vanuit Oostenrijk naar Frankrijk, kon het kind op grond van de Oostenrijkse regel geen aanspraak maken en haar rechten niet uitoefenen. Het Hof oordeelde dat het irrelevant was dat de vader zijn recht op vrij verkeer als werknemer niet had uitgeoefend. Het Hof oordeelde verder dat Verordening 1408/71 rechtstreeks van toepassing is op gezinsleden ‘wanneer een gezinslid van een werknemer in een andere lidstaat woont dan de werknemer’. Dit geldt ook indien de verplaatsing van het kind van de werknemer, dat een gezinslid is van deze werknemer, het gevolg is van de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de moeder. 18.
70.
Dit betekent dat Verordening 883/2004 van toepassing is indien a) de moeder en het kind gezamenlijk of b) wanneer enkel het kind zich verplaatst binnen de Unie. Indien deze jurisprudentie wordt vertaald op mijn situatie in 2014 geldt dat indien mijn partner de IACK niet zou hebben aangevraagd, mijn kinderen dit hadden kunnen doen. Gelet op de praktische situatie in de zaak Humer is binnen deze redenering geen ruimte voor de toepassing van een inschrijvingsvereiste. De dochter woonde in Frankrijk en de vader in Oostenrijk, en desondanks kende het Hof een recht op de gezinsbijslag toe aan het kind omdat zij ‘gezinslid’ was van de vader die woonachtig was in Oostenrijk.
71.
Het doel van Verordening 883/2004 — en het Unie recht — is blijkbaar dat de ‘gezinsbijslag’ in praktische zin ‘terecht komt’ bij de ouder die feitelijk en financieel zorg draagt voor het kind of dat de ‘gezinsbijslag’ ten dienste staat van het kind zelf. Het stelsel van Verordening 883/2004 en Verordening 987/2009heeft in wezen tot doel dat de ‘gezinsbijslag’ ten goede komt van het gehele gezin om bij te dragen aan het gezinsbudget en de lasten te verlichten van de persoon die het kind daadwerkelijk onderhoudt. 19. Ook het doel van Verordening 883/2004 laat geen ruimte voor een formele toepassing van een inschrijvingsvereiste.
72.
Artikel 60, tweede lid, van Verordening 987/2009bepaalt verder:
‘Het orgaan waar bij een aanvraag overeenkomstig lid 1 is ingediend, onderzoekt deze op grond van de gedetailleerde informatie die door de aanvrager is verstrekt, rekening houdend met de algehele feitelijke en wettelijke situatie van het gezin van de aanvrager.’
73.
De Belastingdienst had als ‘bevoegd orgaan’ in de zin van Verordening 883/2004 rekening moeten houden met de ‘algehele feitelijk een wettelijke situatie van mijn gezin’. Dit heeft zij nagelaten. Zij heeft enkel de BRP in Nederland geraadpleegd, gezien dat mijn kinderen in België stonden ingeschreven en vastgesteld dat er geen kind op mijn woonadres in Nederland was ingeschreven. Door enkel op deze formele grond de IACK niet toe te kennen handelt de Belastingdienst in strijd met artikel 60, tweede lid, van Verordening 987/2009. Zij had nader onderzoek moeten doen en rekening moeten houden met de algehele feitelijke situatie van mijn gezin. Het is simpelweg niet mogelijk om enkel op basis van het inschrijvingsvereiste te beoordelen of ik als belastingplichtige aanspraak had op de IACK. Ik wijs uw Gerechtshof er op dat de feitelijke situatie voor de Belastingdienst weldegelijk transparant was in de bezwaarprocedure. Ik heb daarin telkenmale toegelicht dat ik zowel feitelijk als financieel zorg droeg voor mijn kinderen. Ik heb ook meermaals toegelicht dat ik met hen een gezamenlijke huishouding voerde. Aan dat laatste was met de verhuizing medio 2013 niets veranderd. Ook na de verhuizing vormde ik met mijn kinderen een gezin met een gezamenlijke huishouding.
74.
Ik wijs tot slot op artikel 1, onderdeel i, van Verordening 883/2004. Dit bepaalt wat onder ‘gezinslid ’ moet worden verstaan. Onderdeel 3 hiervan stelt:
‘Indien een persoon volgens de onderdelen 1 en2 toepasselijke wetgeving slechts als gezinslid of huisgenoot wordt beschouwd wanneer hij bij de verzekerde of de gepensioneerde inwoont, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indiende betrokkene in hoofdzaak op kosten van de verzekerde of de gepensioneerde wordt onderhouden; ’
75.
Toegepast op mijn geval had de Belastingdienst het ‘inschrijvingsvereiste’ buiten toepassing moeten laten. Het ‘inschrijvingsvereiste’ brengt in de praktijk met zich dat een kind pas als ‘gezinslid’ of ‘huisgenoot’ wordt aangemerkt indien mijn kind op mijn adres in Nederland had ingewoond. Verordening 883/2004 stelt echter dat mijn kind als ‘gezinslid’ moet worden beschouwd indien ik als vader het kind financieel onderhoud. Dat laatste was in 2014 het geval en staat niet ter dicussie. Ook om die reden diende de Belastingdienst het ‘inschrijvingsvereiste’ buiten toepassing te laten. 20.
Het kan niet zo zijn dat de Belastingdienst het bestaan van mijn ‘gezinsleden’ wegwuift met een enkel beroep op het ‘inschrijvingsvereiste’.
76.
Graag wijs ik uw Hoge Raad op de recente uitspraak van het Hof van Justitie van 16 juni 2022 in zaak C-328/20 Commissie tegen Oostenrijk. Het Hof van Justitie bepaalde daarin dat artikel 4 en artikel 7 en 67gelijktijdig op een casuspositie van toepassing kunnen zijn. In die zaak bepaalde het Hof van Justitie dat Oostenrijk een ‘kinderbijslag’ en een ‘kinderaftrek’ niet mocht verminderen gelet op het feit dat het kind in een andere lidstaat woonachtig was. Deze vermindering werd door het Hof veroordeeld als zijnde in strijd met zowel artikel 7 en 67van Verordening 883/2004 als artikel 4 van deze verordening. Het Hof vond dat de gezinsbijslag hetzelfde moet zijn voor een kind ongeacht of deze nu woonachtig was in Oostenrijk of in een andere lidstaat.21.
Tussenconclusie
77.
Op grond van Verordening EU 883/2004 en Verordening 987/2009 kan er maar één conclusie zijn. Het Gerechtshof heeft in mijn geval de artikelen 1, onderdeel i, 4, 5, 7, 11 en 67 van Verordening 883/2004 en artikel 60 van Verordening 987/2009 op onjuiste wijze toegepast. De Belastingdienst had moeten doen alsof mijn kinderen in 2014 in werklidstaat Nederland woonden. Door de IACK niet toe te kennen heeft de Belastingdienst naast de tekst tevens in strijd gehandeld met de doelstelling van deze Verordeningen om gezinsbijslagen ten goede te laten komen aan het gezin.
78.
Verordening 883/2004 en 987/2009kennen een uitputtende regeling die geen ruimte biedt om het ‘inschrijvingsvereiste’ als voorwaarde te stellen voor toekenning van de IACK. Het is vaste jurisprudentie dat restrictieve voorwaarden betreffende de toekenning of het bedrag van de gezinsbijslagen, die de werknemer kunnen verhinderen of ervan kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, in strijd zijn met het Unierecht en buiten toepassing moeten worden gelaten. 22.
79.
Ik ben van oordeel dat de toepassing van ‘het inschrijvingsvereiste’ ertoe leidt dat indien een belastingplichtige gebruik wil maken van zijn vrije verkeer in wezen het kind altijd mee moet verhuizen naar de werklidstaat. Dit kan mijns inziens niet de bedoeling zijn. Ik wijs er op dat ik na mijn inschrijving in 2016 in België mij niet meer kan verplaatsen naar (of inschrijven in) een andere lidstaat (of Nederland) zonder de IACK te verliezen. Dit belemmert in potentie het vrije verkeer en dat kan niet de bedoeling zijn.
80.
Ook vanuit het perspectief van mijn gezinsleden (mijn partner en kinderen), leidt de door de Belastingdienst voorgestane toepassing van het ‘inschrijvingsvereiste’ ertoe dat noch mijn partner noch mijn kinderen zich naar een andere lidstaat kunnen verplaatsen om zich daar vervolgens ook in te schrijven, zonder dat het gezin daardoor de IACK kwijt raakt. Dit belemmert het (potentiële) vrije verkeer van mijn partner en kinderen. Ook vanwege deze potentiële belemmerignen kan het inschrijvingsvereiste in een grensoverschrijdende situatie binnen de Unie niet worden toegepast.
5.2.2. Schumacker jurisprudentie
81.
Het Gerechtshof getuigt in overweging 4.4 en 4.5van de bestreden uitspraak verder van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de Schumacker jurisprudentie.
82.
Ik zou geen aanspraak op deze jurisprudentie kunnen maken omdat ik in 2014 niet in het buitenland woonachtig was. Zoals ik heb toegelicht had ik in 2014 twee woon- en verblijfplaatsen. Ik bracht in een doorgaande werkweek 3 dagen per week door bij mijn gezin in Belgie en daarnaast verbleef ik ook tijdens feestdagen en vakanties bij mijn gezin. Ik wijs er op dat naast mijn gezinsleven een groot deel van mijn sociale leven zich in Belgie afspeelde. Deze omstandigheid maakt dat het verdedigbaar is dat ik in 2014 mijn hoofdverblijfplaats in Belgie had. Het feit dat ik in Nederland werkte, aldaar doorgaans 4 dagen per week verbleef en ook was ingeschreven, maakt niet dat ik in Nederland woonplaats had.
83.
Het Gerechtshof gaat in overweging 4.5uitvan een onjuiste rechtsopvatting dat het ‘inschrijvingsvereiste’ zich prima zou verhouden tot de Schumacker-doctrine. Ik ben van oordeel dat een dergelijk vereiste juist op gespannen voet staat met deze doctrine.
84.
Het Hof van Justitie heeft in zaak C-279/93Schumacker namelijk gesteld dat in een situatie van belastingheffing voor de inkomstenbelasting door het werkland rekening moet worden gehouden met de gezinssituatie in een andere lidstaat (zie ov. 28,29 en 36). Dit geldt juist wanneer deze situatie relevant is voor een eventuele belastingvermindering om discriminatie ten opzichte van andere belastingplichtigen in het werkland te voorkomen. Er bestaan in 2014 geen objectieve zwaarwegende redenen om mij verschillend te behandelen ten opzichte van een belastingplichtige in Nederland waarbij wel rekening wordt gehouden met diens persoonlijke- en gezinssituatie (vgl. ov. 37).
85.
Volgens de Schumacker-jurisprudentie is in beginsel de woonlidstaat bevoegd om bij de belastingheffing rekening te houden met de persoonlijke- en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige. Het is verdedigbaar dat dit gelet op mijn verblijf- en gezinssituatie in 2014 België was. Het Hof heeft echter bepaald dat dit anders is indien de belastingplichtige geen inkomsten verwerft in zijn ‘woonlidstaat’ maar het grootste deel van zijn inkomen verwerft in zijn ‘werklidstaat’. De redenering is dan dat de ‘woonstaat’ in het kader van de belastingheffing vanwege het ontbreken van inkomsten in die lidstaat geen rekening kan houden met de persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige. 23.
86.
Deze situatie deed zich voor in mijn geval. In 2014 genoot ik namelijk geen inkomsten in België en deze lidstaat kon daarom geen rekening houden met mijn gezinssituatie. Belgie kent overigens ook geen met de IACK vergelijkbare regeling en kon ook om die reden geen rekening houden met mijn situatie. Gelet op de Schumacker jurisprudentie, had de Belastingdienst in 2014 wel rekening moeten houden met mijn persoonlijke- en gezinssituatie in België. Zoals zij dat ook had gedaan in de periode daarvoor of zou hebben gedaan indien mijn partner en mijn kinderen (noch ik als rechthebbende) geen gebruik hadden gemaakt van het vrije verkeer binnen de Unie.
87.
Er bestaat namelijk gelet op de achtergrond van het ‘inschrijvingsvereiste’ in de kern geen objectief verschil tussen mijn situatie in 2014 en die van 2009 tot en met 2013 aan de orde was en de IACK wel is toegekend. Er is ook geen objectief verschil met de situatie waarbij een belastingplichtige met zijn gezin op één adres in Nederland een gezamenlijke huishouding voert en de situatie met twee woonadressen waarvan in 2014 in mijn geval sprake was.
88.
De discriminatie is in mijn geval gelegen in het feit dat in 2014 door de Belastingdienst geen rekenning is gehouden met mijn persoonlijke- en gezinssituatie. 24. Dit betekent dat ik veel zwaarder ben belast dan een belastingplichtige die met zijn gezin op één adres in Nederland woont. De Belastingdienst past hiermee verschillende regels toe op in de kern gelijke feitelijke situaties waarin een belastingplichtige en zijn kind tot hetzelfde huishouden behoren.
89.
Ik wijs er op dat volgens het Hof van Justitie van discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen slechts sprake kan zijn indien, ongeacht het feit dat de twee categorieën belastingplichtigen in verschillende lidstaten verblijven, wordt vastgesteld dat zij zich, gelet op het doel en de inhoud van de betrokken nationale bepalingen, in een vergelijkbare situatie bevinden. 25. Dit betekent dat met name naar het doel en de inhoud van de IACK moet worden gekeken. In 2014 bevonden ik en mijn gezin zich gelet op het doel en de inhoud van de IACK in een vergelijkbare situatie als in de periode 2009 tot en met 2013. Mijn feitelijke situatie was ook soortgelijk aan elke andere belastingplichtige die op één adres in Nederland een gezamenlijke huishouding voert. 26.
90.
Het Hof van Justitie heeft verduidelijkt dat de in het arrest Schumacker geformuleerde rechtspraak zich uitstrekt tot alle belastingvoordelen die verband houden met de fiscale draagkracht van een niet-ingezetene die in de woonlidstaat noch in de werklidstaat worden verleend en dat daarbij alle aspecten van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige naar behoren in aanmerking moeten worden genomen. 27. Doordat de Belastingdienst dat niet heeft gedaan, heeft zij het Unierecht geschonden.
91.
Voor deze discriminatie of belemmering door de Belastingdienst bestaat mijns inziens geen enkele objectieve rechtvaardiging. Volgens het Hof van Jusitie is een maatregel waarbij door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden worden beperkt, slechts toelaatbaar indien deze een met het Verdrag verenigbaar legitiem doel nastreeft en wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. In dat geval is tevens vereist dat de toepassing van de betrokken maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en de maatregel niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.28. In het onderhavige geval wordt niet aan deze voorwaarden voldaan.
Tussenconclusie
92.
De Schumacker-jurisprudentie brengt met zich mee dat de werklidstaat — in dit geval Nederland — bij de belastingheffing rekening had moeten houden met mijn gezinssituatie en het feit dat ik kinderen had waarvoor ik feitelijk en financieel zorg droeg en daarmee een gezamenlijke huishouding voerde. De Belastingdienst heeft dit nagelaten. Anders dan het Gerechtshof in overweging 4.5van de bestreden uitspraak stelt, kan de Belastingdienst zich niet verschuilen achter het ‘inschrijvingsvereiste’ om de toekenning van de IACK aan mij over belastingjaar 2014 achterwege te laten. Het kan niet zo zijn dat de Belastingdienst simpelweg de feitelijke situatie en het feit dat ik feitelijk en financieel zorg draag voor mijn kinderen en daarmee een gezamenlijke huishouding voert volledig negeert. Door dat te doen discrimineert de Belastingdienst mij als belastingplichtige ten opzichte van anderen die werk en zorg voor kinderen combineren.
5.2.3. Strijd met het vrije verkeer en het burgerschap van de Unie
93.
Binnen de Europese Unie bezit ieder onderdaan het recht om in een ander land te gaan werken en aldaar te verblijven op grond van artikel 45VWEU (vrij verkeer van werknemers). Elke onderdaan heeft los daarvan ook het recht om zich op grond van artikel 20 VWEU (burgerschap van de Unie) naar het grondgebied van een andere lidstaat te verplaatsen en aldaar te verblijven.
94.
Mijn partner heeft gebruik gemaakt van haar rechten om als werknemer naar een andere lidstaat te verhuizen en om aldaar te verblijven. De niet toekenning van de IACK leidt tot een ongerechtvaardigde beperking van haar rechten op vrij verkeer als werknemer. Als gevolg van de verhuizing kon mijn partner (en mijn kinderen) geen aanspraak meer maken op de IACK. Dit levert voor mijn partner (en mijn kinderen) een groot financieel nadeel op. Zij zijn allen bestraft als gevolg van de gebruikmaking door mijn partner van haar recht op vrij verkeer van werknemers. Er is daarmee sprake van een belemmering van het vrij verkeer van werknemers.
95.
Ook mijn eigen situatie valt binnen de reikwijdte van artikel 45VWEU. Medio 2013 heb ik me weliswaar niet definitief als werknemer verplaatst naar België om daar een baan te betrekken en mij aldaar permanent te vestigen. Wel voegde ik me als gezinslid bij mijn partner en mijn kinderen om aldaar zoveel mogelijk tijd door te brengen bij mijn gezin in België.
96.
Naast ‘werknemer’ was ik vanwege het wekelijks reizen tussen Nederland en België tevens ‘grensarbeider’ in de zin van dat zelfde Unie recht. Een ‘grensarbeider’ betreft ‘eenieder die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat maar die woont in een andere lidstaat, waarnaar hij in beginsel dagelijks of ten minste éénmaal per week terugkeert’.29. De niet-toekenning van de IACK in 2014 heeft mijn eigen rechten op vrij verkeer als werknemer en 'grensarbeider’ belemmerd.
97.
Als uitgangspunt dient te gelden dat de Belastingdienst zich bij de belastingheffing moet houden aan het Unie recht. 30. Op grond van artikel 45, tweede lid, VWEU is discriminatie tussen werknemers die ingezetene of niet ingezetene zijn vanuit het perspectief van de werklidstaat verboden. Dit ziet op grond van de tekst mede op de beloning en daarmee ook de belastingheffing. Een onderdaan van een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, mag bij de belastingheffing niet ongunstiger worden behandeld dan een onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van het vrije verkeer. De voorwaarde hiervoor is wel dat deze belastingplichtigen verder in dezelfde omstandighedenen verkeren. 31. Deze benadering geldt ook in geval sprake is van de toepassing van artikel 20 VWEU inzake het burgerschap van de Unie.
98.
Elke onderdaan van de Unie bezit namelijk ook de hoedanigheid van ‘burgerschap van de Unie’ zoals neergelegd in artikel 20 VWEU. Mijn partner, mijn kinderen en mijzelf hebben het recht op het grondgebied van andere lidstaten te reizen en te verblijven. Het is vaste jurisprudentie dat deze bepaling zich verzet tegen nationale maatregelen die het effectieve genot hiervan beperken.
99.
Een belastingmaatregel kan een belemmerend effect hebben op het burgerschap van de Unie, het vrij verkeer van personen en dat van werknemers. Het Hof heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat artikel 18 EG (nu artikel 21 VWEU) zich verzet tegen een hogere belastingheffing van een belastingplichtige die naar een andere lidstaat was verhuisd ten opzichte van een belastingplichtige die dat niet had gedaan en in de eigen lidstaat was blijven wonen. Het Hof hechtte daarbij belang aan de omstandigheid dat deze belastingplichtige zich objectief gezien in dezelfde situatie bevond als de belastingplichtige die geen gebruik had gemaakt van zijn recht om zich naar een andere lidstaat te verplaatsen. De belastingplichtige die van zijn recht gebruik maakt dient dan van dezelfde belastingverminderingen gebruik te kunnen maken als een belastingplichtige die dat niet heeft gedaan. 32.
100.
Het Gerechtshof merkt in overweging 4.2 van de bestreden uitspraak op dat het ‘inschrijvingsvereiste’ het burgerschap van de Unie niet belemmert en voegt daaraan toe dat het VWEU een burger van de Unie geen garantie biedt dat een overbrenging van de woonplaast naar een andere lidstaat fiscaal neutraal is. Deze stellingname kan gelet op het bovenstaande randnummer en de daarin vermelde jurisprudentie niet worden gevolgd.
101.
Doordat mijn partner en kinderen gebruik hebben gemaakt van hun recht als burger van de Unie om naar België te reizen en te verblijven werd niet voldaan aan ‘het inschrijvingsvereiste’en hebben zij hun zelfstandige aanspraak op de IACK verloren. Dit levert een belemmering op van hun rechten als burger van de Unie.
102.
Ook voor mijn persoon geldt dat artikel 20 VWEU is geschonden. Ik verbleef regelmatig in België. De fysieke locatie waar de kinderen tot mijn huishouden behoorde was met de verhuizing verplaatst van Nederland naar België. Vanwege deze feiten ben ik als belastingplichtige geconfronteerd met een hogere belastingheffing in vergelijking tot een belastingplichtige die geen gebruik heeft gemaakt van zijn rechten op grond van het burgerschap van de Unie en die met zijn kinderen een gezamenlijke huishouding is blijven voeren in Nederland. Objectief gezien verschilt mijn situatie waarin de kinderen in 2014 tot mijn huishouden behoorden op de locatie van mijn kinderen in België niet met de situatie van een belastingplichtige waarbij de kinderen tot het huishouden behoren op het woonadres van het gezin in Nederland. Er is sprake van dezelfde situaties, die door de Belastingdienst verschillend worden behandeld.
103.
Artikel 20 VWEU beoogt tevens om potentiële belemmeringen te voorkomen. Voor een geslaagd beroep op deze bepaling is het niet nodig dat de persoon zich ook daadwerkelijk verplaatst of gebruik maakt van zijn recht op reizen en verblijf in een andere lidstaat.33. Dit artikel beoogt dus ook het potentiële gebruik te beschermen. Ik heb me in 2016 ingeschreven in België omdat ik daar een baan had gevonden. Ik voldoe sindsdien aan ‘het inschrijvingsvereiste’ en heb de IACK vanaf dat belastingjaar wel van de Belastingdienst ontvangen. Het ‘inschrijvingsvereiste’ belemmert echter in potentie mijn recht op vrij verkeer op grond van het burgerschap van de Unie, omdat ik me niet naar een andere lidstaat (of opnieuw naar Nederland) kon verplaatsen en inschrijven, zonder de IACK te verliezen. Dit levert een potentiële belemmering op van mijn recht op vrij verkeer op grond van het burgerschap van de Unie die niet is toegestaan.
104.
Uitgaand van deze belemmerende effecten is het de vraag of deze mogelijk gerechtvaardigd kunnen zijn. Ik zie niet in welk algemeen belang er gediend zou zijn met het inschrijvingsvereiste van de IACK. Het stellen van het inschrijvingsvereiste voor de IACK is niet proportioneel noch evenredig gelet op de omstandigheden van mijn geval. Het inschrijvingsvereiste is geen geschikt of passend criterium om een aanvraag voor de IACK materieel te kunnen beoordelen.
105.
Er is gelet op het bovenstaande sprake van een ongerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van werknemers en het Burgerschap van de Unie.
5.2.4. Schending van het rechtop het familie-en gezinsleven
106.
Artikel 7 en 33 van het Handvest van de Grondrechten van de EU geven recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Het Handvest van de Unie is sinds het Verdrag van Lissabon primair recht geworden (zie art. 6(1) VEU). Burgers die een recht op vrij verkeer hebben, zoals mijn partner, mijn kinderen en ikzelf — op grond van vrij verkeer van werknemers en/of het burgerschap van de unie — doen dat onder bescherming van de grondrechten van de EU.
107.
Ik ben van mening dat met het niet toekennen van de IACK het recht op het familie- en gezinsleven zoals opgenomen in het Handvest zijn beperkt. Aangezien de IACK een belangrijke (lees hoge) heffingskorting betreft voor een belastingplichtige met een gezin, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de niet toekenning van deze gezinsbijslag een negatieve impact heeft op het gezinsleven en op de invulling van de relatie tussen ouder en kind. Ik merk daarbij op dat kinderen financieel afhankelijk zijn van hun ouder.
108.
Graag verwijs ik ook naar artikel 8 van het EVRM. Elk gezin geniet bescherming op zowel juridisch, economisch als sociaal vlak. Doordat de Belastingdienst de IACK in 2014 niet heeft uitgekeerd, beperkt zij het gezinsinkomen en dit leidt tot een ongerechtvaardigde belemmering van en inmenging op het recht op family life in de zin van artikel 8, lid 2 EVRM. Het inschrijvingsvereiste is niet noodzakelijk voor de nationale — of openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
109.
Ik beroep mij aanvullend op de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten, die enerzijds gelijkheid voor de wet gebieden en anderzijds elke discriminatie verbieden.
5.2.5. Het beginsel van loyale samenwerking (gemeenschapstrouw)
110.
Het Nederlandse beleid inzake het heffen van belasting en het toekennen van heffingskortingen dient in lijn te zijn met het EU recht en de genoemde fundamentele vrijheden van vrij verkeer en het burgerschap van de Unie. Het beleid dient ook in lijn te zijn met het uitgangspunt van non-discriminatie en het recht op een gezinsleven zoals neergelegd in het EU Handvest van de grondrechten.
111.
Uitgangspunt in het EU recht is dat de lidstaat gehouden is om de doelstellingen van het EU recht te helpen verwezenlijken. Dit is het beginsel van ‘loyale samenwerking’ zoals is vastgelegd in artikel 4, lid 3 VEU. Krachtens deze bepaling dienen lidstaten alle maatregelen te nemen om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij dienen de vervulling van de taken van de Unie te vergemakkelijken en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.
112.
Deze bepaling richt zich tot de gehele lidstaat en omvat de Belastingdienst, het Gerechtshof en eveneens uw Hoge Raad als hoogste nationale rechter. Aangezien het ‘inschrijvingsvereiste’ in mijn geval in 2014 in strijd is met het Unie recht, dient dit vereiste door u als Hoge Raad buiten toepassing te worden verklaard. Enkel op deze wijze is het mogelijk om de genoemde waarborgen van vrij verkeer en het burgerschap te verwezenlijken.
113.
Ik wijs er op dat uw Hoge Raad gehouden is om over te gaan tot de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op grond van het Unie recht. Er bestaat ook een gehoudenheid om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen indien dat nodig zou zijn om de onderhavige casus te beoordelen.
5.2.6. Het stellen van prejudiciële vragen
114.
Onderhavige casus is feitelijk en juridisch complex en roept een groot aantal vragen op over de verenigbaarheid van het ‘inschrijvingsvereiste’ opgenomen in artikel 8.14a van de Wet IB met het Unie recht. Zoals hierboven betoogd valt de casus binnen de materiële werkingssfeer van het Europese recht. Concreet is de vraag hoe het ‘inschrijvingsvereiste’ zich verhoudt tot het vrij verkeer van werknemers met bijbehorende verblijfsrechten (artikel 45VWEU), de regels inzake de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Verordening 883/2004 en Verordening 857/2009), de bepalingen inzake het Burgerschap van de Unie (artikel 18–22 VWEU) en het Handvest van de grondrechten (artikel 7, 20,21, 33).
115.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is op grond van artikel 267 VWEU bij uitsluiting bevoegd om , bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de uitlegging en de toepassing van het Europese recht in een concrete situatie. Indien uw Hoge Raad van oordeel is dat het voor een beslissing noodzakelijk is voor het wijzen van een vonnis dat een vraag die raakt aan de uitleg en toepassing van het recht van de Europese Unie eerst door het Hof van Justitie wordt beantwoord, bestaat er voor uw Hoge Raad een verplichting om dergelijke vragen te stellen.
116.
Een dergelijke verplichting bestaat niet indien de rechtsvraag reeds eerder door het Hof van Justitie is beantwoord (acte clair). Mijn indruk is dat in onderhavige casus ernstig moet worden getwijfeld aan de Europees rechtelijke houdbaarheid van het ‘inschrijvingsvereiste’. Deze twijfel wordt bevestigd door de brief van 3 mei 2021 van de Staatsecretaris aan de Tweede Kamer over de IACK in geval van een buitenlandse belastingplichtige. 34. De Staatssecretaris merkt in deze brief die gaat over de gelijke behandeling van een binnenlands belastingplichtige ten opzichte van sommige buitenlandse belastingplichten het volgende op:
‘Punt van aandacht was bijvoorbeeld dat er op het gebied van de heffingskortingen, zeker in grensoverschrijdende gevallen, inmiddels een complex geheel is ontstaan. Ook zijn er op dit punt nog onzekerheden rond het EU-recht die mogelijk ook kunnen doorwerken naar het recht op heffingskortingen, waaronder de IACK. ’
117.
Ik leid hieruit af dat er binnen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst onzekerheid is over de toepassing van de IACK in een grensoverschrijdend geval binnen de Unie. Genoemd punt komt overigens ook terug in een Nota naar aanleiding van het Verslag.35.
118.
Gelet op het bovenstaande richt ik het dringende verzoek aan uw Hoge Raad om prejudiciële vragen te stellen.
5.3. Onjuiste toepassing van het nationale recht
119.
Er bestaan een aantal nationaalrechtelijke gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak moeten leiden.
120.
Ik wijs er op dat uit de parlementaire geschiedenis van de IACK volgt dat vóórdat ‘het inschrijvingsvereiste’ werd ingevoerd enkel het vereiste gold dat sprake moest zijn van ‘behoren tot hetzelfde huishouden’ en dat met de introductie van het ‘inschrijvingsvereiste’ dit criterium is vervangen met als doel de regeling te vereenvoudigen. De wetgever heeft met het ‘inschrijvingsvereiste’ geen aanvullende of verzwarende regeling beoogd. De wetgever heeft niet bedoeld om een strengere eis te stellen of om de IACK te onthouden aan een belastingplichtige terwijl aannemelijk is dat het kind het hele jaar tot het huishouden van de belastingplichtige heeft behoord. 36. De Belastingdienst en het Gerechthof had op die grond de IACK aan mij moeten toekennen over 2014.
121.
Verder wijs ik uw Hoge Raad op het recente ‘Besluit heffingskortingen’ van 20 september 2023 (Staatscourant 24923) waarin de Minister een aantal situaties goedkeurt waarin niet is voldaan aan het ‘inschrijvingsvereiste’ en waarin de belastingplichte toch in aanmerking komt voor de IACK. Wat daarbij opvalt is dat de Minister het besluit motiveert met de opmerking dat de situaties voldoen aan het doel en de strekking van de IACK.
122.
In mijn optiek valt mijn situatie uit 2014 aan de voorwaarden van goedkeuring zoals deze zijn vervat in par. 4.5van dat besluit. Ik wijs er bovendien op dat mijn situatie in belastingjaar 2014 volledig beantwoordt aan doel en strekking van de IACK.
123.
In 2014 voerde ik gedurende meer dan 6 maanden een gezamenlijke huishouding met mijn kinderen. Dit gebeurde in onze woning in België alwaar ik van vrijdag tot en met zondag bij de kinderen verbleef. Mijn kinderen stonden niet in het BRP ingeschreven in Nederland. Ik stond daar nog wel ingeschreven omdat ik dat jaar voor mijn werk 4 dagen per week in Den Haag moest zijn. Mijn kinderen konden zich niet inschrijven bij het BRP van de gemeente Den Haag, zij waren ingeschreven bij de gemeente in België. Aan de overige voorwaarden voor de IACK is in 2014 voldaan. Ik was de minst verdienende ouder en combineerde de zorg voor jonge kinderen met mijn werk. Op die grondslag kom ik tot de conclusie dat mijn situatie onder het goedkeuringsbeleid van de Minister valt. Indien uw Hoge Raad beslist dat dit niet het geval is doe ik een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Indien de Minister voor bepaalde gevallen in het ‘Besluit heffingskortingen’ aan bepaalde gevallen ontheffing verleent van het ‘inschrijvingsvereiste’ dient dit ook te gelden voor mijn casus in 2014.
124.
Ik ben van mening dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht een derogerende of interpretatieve werking kunnen hebben. Wetgeving kan niet vooraf alle bestaande of voorkomende gevallen uitputtend voorzien. Er kan niet met alle mogelijke omstandigheden rekening worden gehouden. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur bieden gelegenheid voor uw Hoge Raad om in een concrete situatie maatwerk te kunnen leveren. Ik nodig uw Hoge Raad uit om dat ook te doen.
125.
De bestreden uitspraak kan vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel niet in stand blijven. Het ‘inschrijvingsvereiste’ kan vanwege de schending van deze algemene beginselen en gelet op de omstandigheden van mijn geval in 2014 niet aan mij en mijn gezin worden tegengeworpen.
126.
Belangrijk is de bevinding dat dat mijn situatie in 2014 materieel voldeed aan het doel en de strekking van de IACK. Ik was in dat jaar de minstverdienende ouder en combineerde mijn werk met zowel de feitelijke als financiële zorg voor een kind jonger dan twaalf jaar.
127.
Er is in onderhavige zaak in het bijzonder sprake van strijd met het in artikel 3:4, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. In gevolge deze bepaling mogen de voor mij als belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dit roept de vraag op of er een redelijke verhouding bestaat tussen middel en doel.
128.
Daar is mijns inziens geen sprake van omdat de niet toekenning van de IACK een groot financieel nadeel voor mij (en mijn gezin) met zich bracht. Het niet voldoen aan het formele ‘inschrijvingsvereiste’ kan mijns inziens niet zwaarder wegen ten opzichte van andere belangen. Mijn situatie voldeed immers materieel aan het doel en de strekking van de IACK. De weigering om de IACK toe te kennen leidt tot gevolgen die voor mij (en mijn gezin) disproportioneel zijn. Het is onduidelijk en onnavolgbaar welk hoger dan wel zwaarwegender belang hiermee is gediend.
129.
In de bestreden uitspraak gaat het Gerechtshof in overweging 4.3 in op het evenredigheidsbeginsel. Het Gerechtshof maakt daarin de fout dat het evenredigheidsbeginsel ook in het Unie recht is vastgelegd als een fundamenteel rechtsbeginsel. Het ‘inschrijvingsvereiste’ en elke wet in formele zin kan mijns inziens zeer wel worden getoetst aan het internationale recht. Anders dan het Gerechtshof oordeelt in diezelfde overweging denk ik dat er in mijn situatie weldegelijk sprake is van bijzondere omstandigheden die er toe moeten leiden dat het ‘inschrijvingsvereiste’ ook op grond van nationaal recht buiten toepassing moet blijven. Op de eerste plaats heeft de wetgever met alle waarschijnlijk mijn situatie in 2014 niet heeft kunnen voorzien. De wet voorziet voorzover ik begrijp niet in een regeling waarbij sprake is van 2 woonadressen en de gezamenlijke huishouding plaatsvindt op het woonadres van de kinderen in het buitenland. Daarnaast geldt dat de toepassing in mijn geval leidt tot een onbillijke uitkomst, althans strijd met een aantal fundamentele rechtsbeginselen. Dit heeft met name te maken met de hoogte van de heffingskorting en het feit dat mijn feitelijke situatie voldeed aan doel en strekking van de door de wetgever beoogde regeling. Het Gerechtshof kan op dit punt niet worden gevolgd.
130.
Indien het ‘inschrijvingsvereiste’ tot doel heeft om te voorkomen dat beide ouders de IACK wordt verleend, merk ik op dat een situatie van dubbele toekenning van de IACK zich niet kon voordoen. Mijn partner viel in 2014 immers niet onder de Wet IB en België kent geen met de IACK vergelijkbare heffingskorting.
131.
Het ‘inschrijvingsvereiste’ is geen passend en daarmee een ongeschikt criterium om vast te stellen of een belastingplichtige in aanmerking komt voor de IACK. Het is een fictie waaruit niet kan worden afgeleid of een belastingplichtige de zorg voor een kind jonger dan 12 jaar combineert met zijn werk. Een fictie die in mijn geval in strijd is met de werkelijke situatie. Dit vereiste is daarmee geen adequaat differentiatie criterium.
132.
Er dient onderzoek naar de feiten plaats te vinden om de vraag te beantwoorden of de feitelijke situatie beantwoordt aan het doel en de strekking van de IACK. De Belastingdienst heeft dit nagelaten.
133.
Er is ook sprake van strijd van de uitspraak met het gelijkheidsbeginsel. Ik maak daarbij de vergelijking met de gezinssituatie tot en met 2013 waarin de Belastingdienst wel de IACK heeft toegekend (aan mijn partner). Daarnaast wordt het gelijkheidsbeginsel o.a. geschonden ten opzichte van 1) andere gezinnen waarbij ouder en kind op hetzelfde adres zijn ingeschreven in Nederland en 2) het beleid voor co-ouderschap waarbij het ‘inschrijvingsvereiste’ niet wordt gesteld en de combinatie van feitelijke en financiële zorg met een baan op alternatieve wijze kan worden aangetoond (door vastlegging in een ouderschapsplan) zie zie artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
134.
De regeling voor co-ouders is een regeling voor veel voorkomende situaties waarin eveneens niet voldaan kan worden aan het 'inschrijvingsvereiste'. Aangezien voor deze situaties een begunstigend beleid of regeling bestaat, dient er mijns inziens ook voor mijn geval in 2014 op een vergelijkbare manier van het ‘inschrijvingsvereiste’ worden afgeweken. Indien voor andere gevallen een uitzondering wordt gemaakt op het ‘inschrijvingsvereiste’ dient dit ook te gebeuren voor mijn situatie in 2014. De situaties zijn niet identiek maar met name de regeling voor co-ouders is vergelijkbaar, met name omdat daarbij in de jurisprudentie het zogenaamde 3 dagen criterium is ontwikkeld. De feiten van mijn casus vertoont daar enige gelijkenis mee omdat ik zelf in een doorgaande week 3 dagen samen met mijn kinderen een huishouden voerde in België.
135.
Van belang is tot slot dat de uitspraak in strijd is met het ‘rechtszekerheidsbeginsel’. Ik dien als burger vooraf te kunnen weten waar ik rechtens aan toe ben. De toepassing van de IACK dient vooraf voorzienbaar te zijn. Ik ging er van uit dat mijn materiële situatie van zorg en werk leidend was voor het recht op eventuele heffingskortingen. Het was volledig onverwacht dat niet de materiële situatie maar een formeel inschrijvingsvereiste bepalend zou zijn voor mijn recht op de IACK. De wijze waarop dit uitpakt in de onderhavige internationale situatie waarin sprake is van migratie, was van te voren niet duidelijk en kenbaar voor mij als burger. Het was onmogelijk om hiermee vooraf rekening te houden.
136.
Ik ging er vanuit (en mocht daar ook vanuit gaan) dat omdat mijn gezinssituatie niet wezenlijk veranderde ik als ouder gebruik kon blijven maken van belastingvoordelen die ook voor andere belastingplichtigen die hun werk met de zorg van jonge kinderen combineren (automatisch) gelden. Vanwege strijd met het rechtszekerheidsbeginsel kan het niet voldoen aan het ‘inschrijvingsvereiste’ in deze zaak niet aan mij (en mijn gezin) worden tegengeworpen.
137.
Ik merk aanvullend op dat ik -voor belastingjaar 2016 — door de Belastingdienst voor de keuze ben gesteld om al dan niet te kiezen voor de status van ‘kwalificerend buitenlands belastingplichtige’. In de communicatie over deze status wordt door de Belastingdienst onderstreept dat enkel met de keuze voor deze status recht op de Nederlandse heffingskortingen kan ontstaan. De Belastingdienst stelt concreet op haar website:
‘Het komt hierop neer: woont u buiten Nederland en betaalt u over bijna uw hele inkomen belasting in Nederland? Dan hebt u ook recht op de voordelen die daarbij horen. U hebt dan dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als inwoners van Nederland.’ 37.
138.
Ik heb voor deze status gekozen omdat ik 1) mijn volledige inkomen vanuit Nederland bleef ontvangen en daarbij 2) geen heffingskortingen (zoals de IACK) wilde mis lopen. Hiermee beoogde ik een zelfde behandeling te verkrijgen als ware ik een belastingplichtige in Nederland. En de Belastingdienst belooft dat ook. Ik herinner uw Hoge Raad er aan dat ik in 2019 de IACK heb aangevraagd. De toezegging van de Belastingdienst uit 2016 dat ik in aanmerking kom voor de heffingskortingen impliceert dat de Belastingdienst rekening houdt met mijn gezinssituatie als ware deze volledig in Nederland gelegen. Gelet op de informatie die de Belastingdienst hierover zelf verstrekt heeft, mag ik er op vertrouwen dat de Belastingdienst hier ook daadwerkelijk naar handelt. Dit heeft zij ook gedaan vanaf mijn aangifte over belastingjaar 2016. Mijn situatie in 2014 wijkt wat betreft mijn inkomsten (volledig afkomstig uit Nederland) en belangrijker mijn gezinssituatie niet wezenlijk af van mijn situatie in 2016. Vanwege het gewekte vertrouwen en de toepassing van de IACK vanaf belastingjaar 2016 kan de Belastingdienst het ‘inschrijvingsvereiste’ in 2014 niet aan mij tegenwerpen. Zij had ook over 2014 rekening moeten houden met mijn gezinssituatie en de IACK ook voor dat belastingjaar aan mij moeten toekennen.
139.
Tot slot wil ik uw Hoge Raad graag aandacht vragen voor de regeling omtrent de inschrijving bij een gemeente in Nederland. Mijn stelling is dat ik op grond van de Nederlandse wetgeving ingeschreven moest blijven in Nederland. De omstandigheid dat ik me in 2014 niet heb ingeschreven in België kan niet aan mij worden verweten.
140.
In de Wet basisregistratie personen (Wet Brp) lijken met name de artikelen 1.1 sub o, ten aanzien van ‘het woonadres’ en de artikelen 2.21 en 2.43 die zien op de ‘aangifte van vertrek’ relevant.
Artikel 1.1. sub o, Wet Brp bepaalt ten aanzien van het woonadres:
‘het woonadres:
- 1o.
het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten:’
Artikel 2.21, eerste lid, Wet Brp luidt:
‘Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.’
Artikel 2.43, eerste lid, Wet Brp stelt:
‘De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.’
103.
Uit het bovenstaande volgt dat in de Nederlandse regeling de situatie van het aantal dagen van verblijf doorslaggevend is. Gelet op mijn feitelijke situatie van wonen en verblijven van 4 dagen en nachten per week in Nederland kan mijn adres in Nederland als woonadres worden beschouwd. 38.
104.
Verder volgt uit de Wet Brp pas een verplichting om mij uitte schrijven bij de gemeente in Nederland indien ik tenminste twee derde van de tijd in België zou hebben verbleven. Mijn feitelijke verblijf in 2014 in België was echter minder dan twee derde van de tijd.
105.
Gelet op deze wettelijke regeling voor de inschrijving bij de gemeente kan mij niet worden verweten dat ik in Nederland ingeschreven ben gebleven. Nederland was de plaats waar ik gedurende een jaar de meeste malen overnachtte. Daarnaast had ik aldaar ook mijn ‘woonadres’. Ik heb destijds gehandeld naar wat de wet voorschrijft. Het kan niet zo zijn dat de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat ik in strijd met deze Nederlandse wetgeving moet handelen om in aanmerking te komen voor de IACK.
106.
Ik herhaal op deze plek ook mijn beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet op mijn feitelijke situatie van werk en verblijf in Nederland in combinatie met de geldende wet- en regelgeving in Nederland, mocht ik er van uitgaan dat ik ingeschreven moest blijven in de BRP. Ik wijs er ook op dat de wetgever met ‘het inschrijvingsvereiste’ een standaardsituatie heeft beoogd te regelen. De wetgever heeft mijn geval waarbij sprake was van een internationale situatie met verschillende verblijfplaatsen van de belastingplichtige en mijn kinderen niet vooraf kunnen voorzien. Ook om die reden kan het niet-inschrijven bij de gemeente in België niet aan mij worden verweten.
107.
In de procedure bij het Gerechtshof heb ik uitgelegd dat ik me naar alle waarschijnlijkheid niet kon inschrijven bij de Gemeente in België. Ik verwijs naar paragraaf 5 , rnr 92–103 die u op deze plaats als ingelast en ingevoegd kunt beschouwen. Het Gerechthof concludeert in overweging 4.7 dat mijn betoog op dit punt niet op gaat. Zonder eigen onderzoek te doen concludeert het Gerechtshof dat inschrijving bij de gemeente in België mogelijk was. Zoals ik omstandig heb uitgelegd en ook heb onderbouwd stelt de gemeente een aantal eisen voor inschrijving. In 2014 kon ik niet aan die eisen voldoen en zou inschrijving ook niet overeen zijn gekomen met de tijd die ik in België verbleef. Die was maar 3 dagen per week. In 2016 kon ik wel aan die eisen voldoen en werd ook mijn verblijf in België anders. In plaats van 3 dagen per week verbleef ik er 7 dagen omdat ik daar een baan had gevonden. Het Gerechtshof kan niet uit de door mij en de gemeente Hoeilaart aangeleverde informatie en de veranderde situatie in 2016 afleiden dat ik me in 2014 toch in België zou hebben kunnen inschrijven. Deze stelling is in de bestreden uitspraak niet goed onderbouwd.
6. Conclusie
141.
Op grond van de aangevoerde cassatie middelen concludeer ik dat de bestreden uitspraak van het Gerechtshof van 31 januari 2024 met kenmerk 22/00793 niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.
142.
Ik verzoek u om verweerder in cassatie te veroordelen in de proceskosten voor het voeren van het geding.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑03‑2026
Zie beslissing van de wrakingskamer d.d. 18 december 2023, nummer 200.334.465/01
Zie ov. 1 Verordening 883/2004.
Zie ov. 13 Verordening 883/2004
Zie o.a. C-78/91 Hughes ov. 14-22; C-449/16,Martinez Silva, ov. 20, 22, 23; C-177/12, Lachheb, ov 30.
Zie o.a. C-449/16,Martinez Silva, ov. 21 en C-177/12, Lachheb, ov.28, 32, 35.
Zie zaak C-192/21, waar de AG in ov. 32 stelt dat sprake is van ‘het algemene beginsel dat slechts één wet van toepassing is.’
Op grond van Verordening 883/2004 wordt het ‘bevoegde orgaan’ gedefinieerd als
Zie ov. 15 Verordening 883/2004
Zie C-398/18, Bocero, ov.41 en daar vermelde rechtspraak.
Deze bepaling is door het Hof aangemerkt als een ‘bijzondere uitdrukking van het algemene beginsel van non-discriminatie’, zie C-769/18, Caisse d'assurance, ov. 44. Het Hof heeft dit tevens aangemerkt als een bijzondere uitdrukking van het gelijkheidsbeginsel, zie C-398/18, Bocero, ov. 39.Overweging 11 van Verordening 883/2004 bepaalt in dit verband dat ‘De gelijkstelling van feiten of gebeurtenissen die zich in een lidstaat voordoen kan in geen geval tot gevolg hebben dat een andere lidstaat bevoegd is, of dat diens wetgeving van toepassing wordt.’
Zie C-378/14, Trapkowski, ov. 35; zie ook C32/18, Moser, ov.35.
Zie C-16/09, Schwemmer, ov.41; zie ook C32/18, Moser, ov.36.
Zie C-363/08,Slanina, ov. 22 en aldaar genoemde rechtspraak.
Zie C-32/18, Moser, ov. 44.
Zie C-255/99,Humer, ov. 52.
Zie C-255/99,Humer, ov. 39,44, 48, 49.Zie ook C-363/08,Slanina, ov.31, 32. In Slalina was sprake van een moeder die met haar kind vanuit Oostenrijk naar Griekenland was verplaatst, terwijl de vader na de echtscheiding in Oostenrijk bleef wonen en werken.
Zie conclusie in zaak C-199/21, ov.34, 38.
Zie ook C-363/08,Slanina, ov. 26, 27. Het Hof oordeelde in die zaak waarbij de partner en het kind in een andere lidstaat woonden, dat de nationale rechter gelet op artikel 1, onderdeel f, sub i, van Verordening 1408/71, moest onderzoeken of hoewel het kind in het tijdvak waarop het hoofdgeding betrekking heeft, niet bij zijn vader woonde, voor de toepassing van de nationale wet kan worden aangemerkt als een ‘gezinslid’ van zijn vader in de zin van die wet, en indien dit niet het geval is, of het kind kan worden geacht ‘in hoofdzaak op kosten’ van zijn vader te worden ‘onderhouden’.
Zie C-328/20, Commissie tegen Oostenrijk.
Zie zaken C-245/94en C-312/94, Hoever en Zachow, ov 34–36,en zaak C-257/10, Bergström ov. 43 en 44.
Zie C-273/93,Schumacker, ov. 32 en 36.
Zie C-273/93,Schumacher, ov. 37-38;C-182/06, Lakebrink, ov.31; C-527/06, Renneberg, ov. 62.
Zie C-9/14, Kieback, ov.24, en daar genoemde jurisprudentie.
Zie ook Hof 's‑Hertogenbosch, uitspraak van 18 mei 2022, in zaken 20/00549 en 21/00429, waarbij het in een bijlage uitlegt hoe met de Schumacker uitspraak wordt omgegaan.
Zie C-182/06, Lakebrink, ov. 34 en C-527/06, Renneberg, ov. 63 en 70.
Zie C-527/06, Renneberg, ov. 81 en de daar genoemde rechtspraak.
Zie C-520/04, Turpeinen, ov. 11.
Zie C-279/93,Schumacker, ov. 21–24.
Zie zaak C-520/04, Turpeinen, ov. 30, 31 en 39.
Zie zaak C-403/03Schempp, ov. 22 -25.
Zie TK II 2009/10, 32130, nr. 3, p.22. Zie ook uitspraak van de Rechtbank in zaak AWB — 20/5137, ov. 16.
Ik wijs er op dat ik aldaar mijn post ontving, onder andere van de verschillende Nederlandse overheidsinstanties zoals de belastingdienst en mijn zorgverzekeraar. Tevens was dit het adres bekend bij de RDW voor wat betreft de inschrijving van mijn auto. Ik gebruikte op dit adres mijn maaltijden en keerde hier altijd naar terug aan het eind van een werkdat. Verder nam van hieruit deel aan mijn sociale leven in en om Den Haag.
Uitspraak 13‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; art. 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014); geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00914
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/007931., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/7652) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
In de uitspraak van het Hof liggen de oordelen besloten (i) dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat niet is voldaan aan het inschrijvingsvereiste van artikel 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014), en (ii) dat dit niet leidt tot schending van de Verordening 883/2004 en de Verordening 857/2009 inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, noch tot een schending van enige andere regel van het Unierecht. De klachten falen voor zover zij zich hiertegen richten, aangezien die oordelen, naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, juist zijn. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals door belanghebbende is verzocht.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2026