Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/73.3
73.3 Het wetmatigheidsbeginsel
prof. dr. A.R. Neerhof, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. dr. A.R. Neerhof
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3295.
Zo hebben verwijzingen naar normen in het Bouwbesluit 2012 een basis in art. 3 Woningwet. Verwijzingen naar normen in het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer en de Regeling algemene regels inrichtingen milieubeheer hebben echter niet een dergelijke expliciete basis in de Wet milieubeheer.
Dit blijkt bijv. impliciet uit: ABRvS 12 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS2185, r.o. 2.4.1. Vgl. ABRvS 13 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9957, JM 2008/106, m.nt. Zigenhorn, JOM 2008/70, r.o. 2.5.1.
Een dergelijk toetsingskader ontbreekt vaak. Vgl. Interdepartementale commissie conformiteitsbeoordeling en normalisatie (ICN), ‘Het gebruik van conformiteitsbeoordeling en accreditatie in het overheidsbeleid’, bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 29304, 6 (brief Certificatie en accreditatie in het kader van het overheidsbeleid), p. 26-27. Het rapport strekt tot vervanging van Kamerstukken II 2003/04, 29304, 1 (Kabinetsstandpunt over het gebruik van certificatie en accreditatie in het kader van overheidsbeleid).
Het evenwicht van bevoegdheden in de Unie moet worden geëerbiedigd, aldus het Hof. HvJ EG 13 juni 1958, ECLI:EU:C:1958:7, p. 11, 45 (Meroni); HvJ EU 22 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:18 (ESMA), par. 41-56, 63-69, 77-81, 101-105; HvJ EG 14 mei 1981 ECLI:EU:C:1981:104, (Romano/Institut national d’assurance maladie-invalidité), i.h.b. par. 20-21. Zie: M. Chamon, ‘Grenzen voor de EU-wetgever bij het machtigen van Europese agentschappen’, RegelMaat 2014/3, p. 125; M.P.M. van Rijsbergen & M. Scholten, ‘Zaak C-270/12 (ESMA-short selling) als opvolger van de Meroni- en Romano-non-delegatiedoctrine’, Nederlands Tijdschrift voor Europees Recht 2014/2-3, p. 82-88; R.A.J. van Gestel, ‘Europese regelgevende bevoegdheden op drift?’, RegelMaat 2014/1, p. 53; R. van Gestel, R. van & H. Micklitz, ‘European integration through standardization: how judicial review is breaking down the club house of private standardization bodies’, Common Market Law Review 2013, p. 151, 177-178 en daarin opgenomen verwijzingen; W.J.M. Voermans, ‘Delegeren is een kwestie van vertrouwen. De nieuwe EU-delegatiesystematiek onder het Verdrag van Lissabon’, RegelMaat 2010/4, p. 177-178. Vgl. HvJ EU 27 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:821 (James Elliott Construction/Irish Asphalt), par. 43.
Zie over deelname aan normalisatie verder: Neerhof 2016, p. 201. Over deelname van overheden aan nationale normalisatieactiviteiten die de ontwikkeling of herziening beogen van Europese normen gaan art. 7 jo. art. 10 Normalisatieverordening.
Met dank aan Paul Peereboom, senior consultant normalisatie en CE-markering.
ICN, Het gebruik van conformiteitsbeoordeling en accreditatie in het overheidsbeleid, bijlage bij Kamerstukken II 2015/2016, 29 304, nr. 6, p. 27-28.
Zie bijv. R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Kluwer 2010, p. 21.
Art. 89 Grondwet en de Bekendmakingswet zijn niet van toepassing op de bekendmaking daarvan. Er blijven auteursrechten op rusten en normalisatie-instellingen kunnen een vergoeding bedingen voor inzage. HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW0393, AB 2012, 228, m.nt. F.J. van Ommeren, TBR 2012/150, m.nt. A.R. Neerhof, Gst. 2012/87, m.nt. P.M.J. de Haan, JB 2012/178 , m.nt. J.J.J. Sillen, BB 2012/433, m.nt. P. de Bruin, JOM 2012/776 , JIN 2012/169, m.nt. J.J.J. Sillen, AA 2013, 762, m.nt. R.J.B. Schutgens, BR 2012/170, m.nt. C.N.J. Kortmann en I.O. den Hollander, r.o. 3.8-3.10.; zie ook ABRvS 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2750 (City Crash), AB 2011, 85, m.nt. P.M.J. de Haan, r.o. 2.4.3-2.4.4. Zie ook bijv. CBb 3 april 2012, ECLI:NL:CBB: 2012:BW2472, AB 2012, 252, m.nt. H. Peters, r.o. 5.2.1; Van Ommeren 2008, p. 85.
ABRvS 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2750, AB 2011, 85, m.nt. P.M.J. de Haan (City Crash), r.o. 2.4.5-2.4.6; zie ook ABRvS 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1004, r.o. 7. Vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 16 november 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010: BO4175, TBR 2011/31, m.nt. A.R. Neerhof (Knooble), r.o. 12, waarnaar de Afdeling in haar uitspraak ook verwijst. Zie ook bijv. CBb 3 april 2012, ECLI:NL:CBB:2012: BW2472, AB 2012, 252, m.nt. H. Peters, r.o. 5.2.2. Vgl. verder: ABRvS 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017: 1004, r.o. 7; ABRvS 13 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008: BD9957, JM 2008/106, m.nt. Zigenhorn, JOM 2008/700, r.o. 2.5.1; ABRvS 12 januari 2005, ECLI:NL:RVS: 2005:AS2185, r.o. 2.4.1.
Het NNI en NEC, samenwerkend als NEN, zijn rechtspersonen krachtens Nederlands privaatrecht. Europese normalisatie-instellingen zijn rechtspersonen krachtens Belgisch privaatrecht. Zij behoren niet tot een overheid. De normen worden in een normcommissie op grond van privaatrechtelijke afspraken vastgesteld door vertegenwoordigers van organisaties die belang hebben bij een door een ieder te gebruiken norm, maar samen geen publiekrechtelijke regelgevende bevoegdheid uitoefenen.
In een rechtsstaat geldt het wetmatigheids- ofwel het legaliteitsbeginsel. Dit betekent in de eerste plaats dat de burgers bindende beslissingen worden genomen door overheidsorganen die de bevoegdheid daartoe bij of krachtens wet hebben gekregen. Normalisatie is een private activiteit en daarbij wordt geen overheidsgezag uitgeoefend. Het vereiste van een wettelijke grondslag is daarop dus niet van toepassing. Het vereiste doet zich wel gevoelen als een bestuursorgaan zich in een besluit baseert op een bepaalde norm. Er is geen strijd met het wetmatigheidsbeginsel als een wetgever burgers door een verwijzing aan een norm bindt die niet door hemzelf is vastgesteld en een bestuursorgaan zijn besluiten vervolgens (mede) op deze norm baseert. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft wél duidelijk uitgesproken dat een norm door een bestuursorgaan niet in een besluit ter handhaving van een wettelijk voorschrift aan een burger kan worden tegengeworpen als in dat wettelijk voorschrift niet naar deze norm is verwezen.1
Hoewel dit naar huidige opvattingen niet vereist is, zouden verwijzingen in lagere wetgeving naar normen bij voorkeur een grondslag moeten hebben in wetgeving in formele zin. Dit blijkt echter lang niet altijd het geval te zijn.2 Overigens wordt in de jurisprudentie evenmin uitdrukkelijk als eis gesteld dat normen waarnaar in vergunningen wordt verwezen alleen bindend zijn als voor de verwijzing een grondslag in een wettelijk voorschrift aanwezig is.3
Het wetmatigheidsbeginsel betekent in de tweede plaats dat overheidshandelen in overeenstemming met rechtsregels plaatsvindt. Dit heeft consequenties als in wetgeving of besluiten naar normen wordt verwezen. De normen moeten in overeenstemming zijn met doel en strekking van het toepasselijke complex van regelgeving. Een expliciet wettelijk toetsingskader kan behulpzaam zijn bij het vaststellen of normen passen bij wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zoals hierboven is beschreven, worden normdocumenten die zijn opgesteld op verzoek van de Europese Commissie vooraf getoetst op overeenstemming met essentiële eisen die zijn neergelegd harmonisatiewetgeving. In Nederlandse wetgeving (in formele zin) ontbreekt vaak een toetsingskader waaraan de normen waarnaar wordt verwezen moeten voldoen. Dat is vanuit een oogpunt van het wetmatigheidsbeginsel niet wenselijk.4
In de EU wordt meer dan in Nederland aandacht besteed aan adequate begrenzing in wetgeving van uitbesteden van regelgeving aan private instellingen (en agentschappen). Volgens het Hof moet in de onderliggende EU-regelgeving nauwkeurig zijn omschreven wat de betreffende instantie mag doen en moeten haar activiteiten aan controle door de Commissie zijn onderworpen. De bevoegdheden die aan de instantie worden gegeven, moeten ‘technisch-uitvoerend’ zijn. De instanties mogen niet aan belangenafweging doen en niet zelf beleidsmatige keuzes maken.5
Overigens kan reeds tijdens het proces van normalisatie overeenstemming van normen met het wettelijk kader waarin zij zullen worden opgenomen worden bewaakt. Een overheidsorgaan kan zich laten vertegenwoordigen in commissies die normen opstellen.6 Zo nemen consultants, daartoe gemachtigd door de Europese Commissie, deel aan de beraadslagingen bij de totstandkoming van geharmoniseerde normen, juist om te bewaken dat de normen voldoen aan de eisen die de toepasselijke harmonisatiewetgeving en de Commissie daaraan stellen.7
Het huidige kabinetsbeleid houdt overigens in dat deelname van de Nederlandse overheid met stemrecht aan normalisatie niet nodig is, ook niet als de overheid ernaar in de regelgeving verwijst.8 Het is de vraag of dat verstandig is.
Tot de eisen van het wetmatigheidsbeginsel behoort in de derde plaats dat overheidsoptreden plaatsvindt op basis van regels die adequaat bekend zijn gemaakt.9 In het Knooble-arrest heeft de Hoge Raad echter uitgemaakt dat normen, als er in wetgeving naar wordt verwezen, naar buiten werkende, de burgers bindende regels worden, maar geen algemeen verbindende voorschriften zijn. Zij behoeven dus niet met inachtneming van de Bekendmakingswet te worden gepubliceerd.10 De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter wel uitdrukkelijk overwogen dat kenbaarheid van de normen waarnaar de wet verwijst voldoende moet zijn verzekerd.11