Rb. Noord-Nederland, 14-04-2026, nr. 18.290211.22 (ontneming)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1190
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
18.290211.22 (ontneming)
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:1190, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 14‑04‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2026:1189
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.290211.22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 14 april 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde]
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 9 november 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 45.000,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.290211.22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3 maart 2026, waarbij de veroordeelde is verschenen, bijgestaan door diens raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse. Het onderzoek ter terechtzitting is op 14 april 2026 gesloten.
Standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van 45.000,00. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict d.d. 9 december 2022.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen voordeel heeft genoten uit (de opbrengsten van) het amfetaminelab. De berekening uit het ontnemingsrapport kan niet als uitgangspunt dienen voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. De verdeelsleutel die bij de berekening wordt gebruikt, is gebaseerd op een chatgesprek tussen de twee medeveroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] waaraan veroordeelde niet heeft deelgenomen. Dat chatgesprek vond plaats voor aanvang van de productie in het lab, terwijl uit latere chatgesprekken tussen de medeveroordeelden kan worden opgemaakt dat ze helemaal niet (meer) van plan waren om de opbrengsten van het lab met veroordeelde te delen. Zo zegt [medeveroordeelde 1] op 7 juli 2020 tegen [medeveroordeelde 2] onder andere Daarom heb ik jou eerste keer ook niet aan die neger gegeven 100-100, snap je?. Met die neger wordt veroordeelde bedoeld. Ook uit de berekening achteraf, weergegeven op pagina 436 van deel 2 van het onderliggende procesdossier, volgt dat de medeveroordeelden de vooraf besproken verdeelsleutel niet hebben nageleefd. Bovendien blijkt uit geen enkel chatbericht dat veroordeelde daadwerkelijk opbrengst heeft gekregen. Het voornoemde ondersteunt de verklaring van veroordeelde dat hij geen voordeel heeft genoten uit (de opbrengsten van) het amfetaminelab. Derhalve dient de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen te worden.
Tot slot heeft de raadsman nog aangevoerd dat ook op basis van het gesprek tussen medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] en gebruiker [gebruikersnaam] niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde wedderrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Al zou veroordeelde conform dat gesprek wel in totaal 28.750,00 ( 10.000 + 25 x 750,--) hebben ontvangen, dan overstijgen de door veroordeelde gemaakte kosten ruimschoots voornoemde opbrengst.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 14 april 2026, inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering onder parketnummer 18.290211.22 tegen veroordeelde gewezen;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel met bijlagen d.d. 9 december 2022, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022296945 (onderzoek Maisch) d.d. 15 mei 2023,
inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 14 april 2026 in de zaak met parketnummer 18.290211.22 veroordeeld. Daarmee is vast komen te staan dat veroordeelde zich (onder andere) schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van amfetamineolie. Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van dit door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank acht de verklaring van veroordeelde dat hij geen voordeel heeft genoten door de verkoop van amfetamineolie, onaannemelijk en ongeloofwaardig. Daartoe stelt de rechtbank voorop dat het algemeen bekend is dat met de handel in drugs veel geld wordt verdiend. Daar komt bij dat uit het onderliggende strafdossier blijkt dat veroordeelde, ook nadat hij naar eigen zeggen in de zomer van 2020 niet heeft meegedeeld in de opbrengst van het amfetaminelab, in november en december van 2020 nog steeds met dezelfde medeveroordeelden contact heeft over de productie en verkoop van amfetamineolie. De rechtbank acht het onaannemelijk dat veroordeelde dit contact zou hebben voortgezet, wanneer hij eerder in strijd met de gemaakte afspraken niet in de opbrengst van het amfetaminelab zou hebben gedeeld. Uit de chatgesprekken blijkt ook niet dat veroordeelde zijn medeveroordeelden aanspreekt op het feit dat hij (nog steeds) zijn deel van de opbrengst van het amfetaminelab niet zou hebben ontvangen, hetgeen in de door veroordeelde geschetste situatie wel voor de hand had gelegen.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden schuift de rechtbank de verklaring van veroordeelde dat hij geen voordeel heeft genoten door de productie en verkoop van amfetamineolie als ongeloofwaardig ter zijde.
Gelet op het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door de productie en verkoop van amfetamineolie. Met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdeelsleutel en de berekening uit het ontnemingsrapport te twijfelen. De berekening uit het ontnemingsrapport is gebaseerd op concrete aanknopingspunten uit de chatgesprekken tussen de medeveroordeelden over de productie en handel in amfetamineolie alsmede de verdeling van de opbrengst, waarbij ook over het aandeel van veroordeelde wordt gesproken. Hetgeen door de raadsman daartoe is aangevoerd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Het vorenstaande levert de volgende berekening op:
Opbrengst
Uit de chatgesprekken tussen de medeveroordeelden blijkt dat het aandeel van veroordeelde 126 liter amfetamineolie is en dat één liter amfetamineolie werd verkocht voor 750,00.
126. liter x 750,00 = 94.500,00
Kosten
De berekening voor de kosten: 300 kilo Apaan 45.000,-
Grondstoffen 15.000,-
Werkmensen 28.500,-

Totaal 88.500,
Het bedrag 88.500 moet gedeeld moeten worden door de in totaal drie (mede)veroordeelden = 29.500,-
per veroordeelde.
Kosten hok
In een gesprek tussen [code] (medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] ) zegt [code] (medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] ) op 19 juni 2020 blijkt dat het 'hok' '60 du' [60.000] heeft gekost aan huur, werkmensen, timmerman en ketels. Uit bovenstaande kan blijken dat er aan kosten 60.000 betaald is. Uit het chatgesprek blijkt dat onder deze kosten de huur, werkmensen, timmermannen en de ketels vallen en dat de kosten van de grondstoffen hier nog overheen komen.
Voor de berekening zou dit bedrag ook gedeeld moeten worden door drie (mede)veroordeelden.
60.000 / 3= 20.000,-
Winst
Opbrengst 94.500.-
Kosten 29.500,-
Kosten hok 20.000,-

Netto winst 45.000.-
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 45.000,00 aan voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen. De rechtbank ziet geen redenen om de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
45. 000,00 (zegge: vijfenveertig duizend euro);
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
45.000,00 (zegge: vijfenveertig duizend euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 450 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2026.
Mr. H. de Ruijter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.