Met de nieuwe staatsinrichting van de voormalige Nederlandse Antillen per 10 oktober 2010 is voor de nieuwe landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en voor de BES-eilanden afzonderlijk een Wetboek van Strafvordering in werking getreden. Het Erasmus Center for Penal studies (ECPS) dat onderdeel uitmaakt van de sectie Strafrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam, houdt zich op dit moment op verzoek van de landen bezig met de herziening van het Wetboek van Strafvordering van Aruba, Curaçao, Sint Maarten. Zie de website van het ECPS: http://www.esl.eur.nl/home/international_cooperation/erasmus_center_for_penal_studies_ecps/
HR, 03-11-2015, nr. 14/02040
ECLI:NL:HR:2015:3206
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-11-2015
- Zaaknummer
14/02040
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:3206, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑11‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1793, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:1793, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑09‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3206, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑08‑2014
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2016/470 met annotatie van T.M. Schalken
SR-Updates.nl 2015-0480
NbSr 2015/269
Uitspraak 03‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Zambezi-zaak: verdachte is ex-gedeputeerde Groene Partij UPB. Antilliaanse zaak. OM-cassatie. Art. 282.1 Sv BES, kennisgeving van niet verdere vervolging. Uit voornoemde bepaling volgt dat verdachte aan wie een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, niet kan worden vervolgd, tenzij tegen hem nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Het GEA heeft in zijn door het Hof bevestigde vonnis vastgesteld dat de kennisgeving van niet verdere vervolging op 19-02-2011 aan verdachte is betekend en dat niet is gebleken van nieuwe feiten. Kennelijk is bedoeld daarmee tot uitdrukking te brengen dat tegen verdachte geen nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. Dat betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het OM n-o is in de vervolging van verdachte t.z.v. het onder 1, 2, 4 en 5 tlgd. Nu dit oordeel juist is, faalt het middel, wat er ook zij van de kennelijk aan voormeld oordeel ten grondslag liggende opvatting dat, ook zonder dat de wet daarin voorziet – zoals hier het geval is –, het rechtsgevolg dat art. 282.1 Sv BES verbindt aan een kennisgeving van niet verdere vervolging, daaraan kan worden ontnomen door een nadien door het Hof gegeven bevel tot vervolging.
Partij(en)
3 november 2015
Strafkamer
nr. S 14/02040 A
AKA/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 21 maart 2014, nummer H 21/2014, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte, mr. G.G.J. Knoops en mr. M.C. van Woudenberg, beiden advocaat te Amsterdam, hebben het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van de verdachte, althans dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.2.1.
Bij de stukken bevindt zich een kennisgeving van niet verdere vervolging van 17 februari 2011. Deze kennisgeving houdt het volgende in:
"De officier van justitie bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao:
overwegende dat:
naam : [verdachte]
(...)
verdachte is in het zogenaamde Zambezi-onderzoek (...);
(...)
overwegende dat met het seponeren van zaaksdossiers Autoverhuurbedrijf en Esmeralda Beach de grond komt te ontvallen aan het door de rechter-commissaris te Bonaire op 23 augustus 2010 geautoriseerde Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, hetgeen, in het bijzonder, voor de zaaksdossiers Sunset Beach, Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] , die, vanaf 31 januari 2011, 'als soortgelijk feit, dan wel ander feit, waarvan de veroordeelde voordeel heeft getrokken', meegenomen zijn in het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, betekent, dat ook die tot een eind zijn gekomen;
overwegende dat overigens daarnaast voor de in de vorige overweging vermelde zaaksdossiers Sunset Beach,
Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] geldt, dat deze, door de tijdsdruk, die ten gevolge van de eerder aangehaalde beschikking van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 ontstaan is, onvoldoende konden worden uitgerechercheerd, waardoor de daaruit voortvloeiende verdenkingen thans niet kunnen worden bewezen;
overwegende dat zaaksdossiers Sunset Beach,
Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] volledigheidshalve, wegens onvoldoende bewijs, ook dienen te worden geseponeerd;
geeft kennis dat verdachte, bij de huidige stand van zaken - lees onderzoeksresultaten - wegens onvoldoende bewijs, niet zal worden vervolgd voor de resterende vijf zaaksdossiers in het zogenaamde Zambezi-onderzoek, te weten Autoverhuurbedrijf, Esmeralda Beach, Sunset Beach Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] ;
bepaalt dat door deze kennisgeving de onderhavige strafzaak eindigt."
2.2.2.
Bij de stukken bevindt zich voorts de beschikking van het Hof op het klaagschrift als bedoeld in art. 15, eerste lid, Wetboek van Strafvordering Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Sv BES) van 13 september 2012. Deze beschikking houdt het volgende in:
"2.1. Ter terechtzitting van 2 februari 2012 heeft het Hof geoordeeld dat de procureur-generaal voldoende heeft onderbouwd dat nog vier maanden nodig is voor redelijk onderzoek. Dat belang afwegende tegen de belangen van de personen wier vervolging wordt verlangd, [verdachte] en
[medeverdachte ] , heeft het Hof toen beslist om de behandeling van het klaagschrift voor een termijn van vier maanden aan te houden.
2.2.
Gelet daarop moet thans worden beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van strafbare feiten van [verdachte] en [medeverdachte ] een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten, en moet het beklag voor het overige worden afgewezen.
2.3.
Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier Sunset Beach Hotel is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van de [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in Kralendijk , waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs NAF. 450.000,-- bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,-- en NAF. 1.000.000,-- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,-- was.
2.4.
Bij [medeverdachte ] is er naar het oordeel van de procureur-generaal in het dossier Woning [medeverdachte ] voldoende concreet bewijs dat vervolging rechtvaardigt, te weten van hypotheekfraude met betrekking tot de woning van [medeverdachte ] aan de [a-straat] in Bonaire. Dit betreft de opgave van onjuiste c.q. onvolledige informatie verstrekt aan banken waardoor deze bewogen werden tot het afgeven van de aangevraagde hypothecaire lening bij twee hypothecaire leningen, namelijk ten eerste de lening van 25 januari 2008 ten bedrage van NAF. 375.000,-- bij de Maduro & Curiel's bank N.V. en ten tweede, met de doorhaling van de eerste, de lening van 16 november 2009 ten bedrage van NAF. 565.000,-- bij de Banco di Caribe.
2.5.
Gelet op het voorgaande, in samenhang beschouwd met de verdere inhoud van de verslagen van de officier van justitie van 12 juni 2012, 5 januari 2012 en 20 mei 2011 voor wat betreft het dossier Sunset Beach Hotel en het dossier Woning [medeverdachte ] , schat het Hof in dat er een gerede kans bestaat dat vervolging ertoe zal leiden dat veroordeeld zal worden. Hetgeen door en namens [verdachte] en [medeverdachte ] in raadkamer op 24 augustus 2012 in dit verband is aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.
2.6.
Redenen om op gronden ontleend aan het algemeen belang af te zien van vervolging acht het Hof niet aanwezig.
2.7.
Haalbaarheids- noch opportuniteitsoverwegingen staan er derhalve aan in de weg om de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] te bevelen ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3. en 2.4. omschreven feiten. (...)
2.8.
Voor wat betreft de overige onderzoeksdossiers zijn geen concrete verdenkingen van strafbare feiten ter beoordeling aan het Hof voorgelegd, zodat het beklag voor het overige zal worden afgewezen.
2.9.
Beslist wordt derhalve als volgt.
Beslissing:
Het Hof:
beveelt de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3 en 2.4 omschreven feiten;
wijst het beklag voor het overige af."
2.2.3.
Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte - zakelijk weergegeven en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - tenlastegelegd:
1. als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten;
2. als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan;
3. valsheid in geschrifte;
4. als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten;
5. als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan.
2.2.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 december 2013 is door het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging ter zake van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Het Gerecht in eerste aanleg heeft daartoe het volgende overwogen:
"4. De grenzen van het bevel tot vervolging van het Hof
4.1.
Hiermee komt het Gerecht toe aan de bespreking van het meer subsidiaire verweer, kort samengevat inhoudende dat de officier van justitie buiten het vervolgingsbevel van het Hof is getreden.
4.2.
Het Gerecht acht het van belang om in dit verband het volgende vast te stellen.
4.2.1.
Het Openbaar Ministerie is een voorbereidend onderzoek gestart tegen de verdachten [medeverdachte ] en [verdachte] wegens de verdenking van (onder meer, kort gezegd) valsheid in geschrift, witwassen en ambtelijke corruptie.
4.2.2.
Na de beschikking van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 om het onderzoek voort te zetten en voor 1 november 2010 te beëindigen, heeft het Openbaar Ministerie de - acht - deelonderzoeken of zaaksdossiers geseponeerd. Ten aanzien van de zaaksdossiers Woning [medeverdachte ] en Sunset Beach heeft de officier van justitie bij "kennisgeving niet verdere vervolging" van 17 februari 2011 aan de verdachten [medeverdachte ] en [verdachte] kennisgegeven dat zij bij de huidige stand van zaken - lees onderzoeksresultaten - wegens onvoldoende bewijs niet zullen worden vervolgd voor genoemde zaaksdossiers. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer overwogen dat de zaaksdossiers door de tijdsdruk die is ontstaan naar aanleiding van de beslissing van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 onvoldoende konden worden "uitgerechercheerd", waardoor de daaruit voortvloeiende verdenkingen thans niet kunnen worden bewezen en dat deze dossiers dan ook wegens onvoldoende bewijs dienen te worden "geseponeerd". Voorts heeft de officier van justitie bepaald dat door deze kennisgeving de desbetreffende strafzaak eindigt. De beschikkingen zijn op 19 februari 2011 aan [medeverdachte ] en [verdachte] betekend.
4.2.3.
Tegen deze kennisgevingen niet verdere vervolging is beklag ex artikel 15 Sv ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het beklag bij beschikking van 14 juni 2011 ontvankelijk verklaard en, kort samengevat, het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld nader onderzoek (in alle zaaksdossiers) te verrichten en het Hof over de resultaten daarvan te berichten. Ter zitting van 2 februari 2012 heeft het Hof, kort gezegd, een verzoek tot nader onderzoek gedurende vier maanden toegewezen. Bij beschikking van 13 september 2012 heeft het Hof een eindoordeel in de beklagprocedure gegeven. Het heeft, kort samengevat, de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] bevolen ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3 en 2.4 omschreven feiten in de zaaksdossiers Sunset Beach Hotel en Woning [medeverdachte ] , waarover hierna meer. Ten aanzien van de overige (zes) onderzoeksdossiers is het beklag afgewezen.
4.3.
Het Gerecht stelt het volgende voorop. Een dergelijke beschikking van het Hof maakt een uitzondering op het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging. In artikel 25, eerste lid, Sv is bepaald dat het Hof beveelt dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet "ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven". Een bevel tot vervolging geeft aan ten aanzien van welk 'strafbaar feit' het Openbaar Ministerie de verdachten dient te vervolgen. Het Hof heeft, gelet op rechtsoverweging 2.2 van zijn beschikking van 13 september 2012, ook beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van "strafbare feiten" van [verdachte] en [medeverdachte ] een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten.
(...)
4.5.
Ten aanzien van [verdachte]
4.5.1.
In zijn beschikking beveelt het Hof de vervolging van [verdachte] ten aanzien van de in rechtsoverweging 2.3 van de beschikking vermelde feiten. Deze rechtsoverweging houdt het volgende in:
2.3.
Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier Sunset Beach Hotel is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van de [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in Kralendijk , waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs van NAF. 450.000,-- bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,-- en NAF. 1.000.000,-- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,-- was.
(...)
4.5.3.
Het Gerecht stelt vast dat het Hof in zijn beschikking het strafbare feit heeft geconcretiseerd door de vervolging te bevelen ter zake van "valsheid in geschrift". Het Hof verwijst daarbij naar de desbetreffende terreindeal. Het aan de verdachte [verdachte] onder feit 3 tenlastegelegde ziet op dit strafbare feit en valt derhalve binnen het vervolgingsbevel van het Hof.
4.5.4.
Aan [verdachte] is onder feit 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegd, vrij vertaald, ambtelijke omkoping of corruptie. Dit strafbare feit is niet expliciet in de beschikking van het Hof genoemd en hangt niet zonder meer samen met het strafbare feit van valsheid in geschrift. Naar het oordeel van het Gerecht valt uit de beschikking van het Hof niet op te maken dat het strafbare feit van, kort gezegd, ambtelijke corruptie onder het vervolgingsbevel valt. Het Hof noemt in rechtsoverweging 2.3 alleen de terreindeal en overweegt niets met betrekking tot de positie van [verdachte] als ambtenaar of de eventuele giften of beloften die thans in de tenlastelegging zijn vermeld. Ook hier gaat het betoog van de officier van justitie dat de corruptiefeiten onlosmakelijk verbonden zijn met de bewoordingen van het Hof, niet op. Het Gerecht kan het bevel van het Hof derhalve niet verstaan als mede te zijn gericht op het strafbare feit van, vrij vertaald, ambtelijke corruptie.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat het Openbaar Ministerie de grenzen van het bevel van het Hof heeft overschreden door ten aanzien van [medeverdachte ] de feiten 8 en 9 en ten aanzien van [verdachte] de feiten 1, 2, 4 en 5 ten laste te leggen. Het Openbaar Ministerie is weliswaar vrij om de tenlastelegging te redigeren, maar - gelet op het hiervoor in 4.3 vermelde uitgangspunt - niet om deze uit te breiden ten opzichte van het door het Hof gegeven bevel. Dit laatste zou anders kunnen zijn indien na de uitspraak van het Hof nieuwe feiten zijn gebleken, zoals de verdediging onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Roermond d.d. 14 december 2010 (ECLI:NL:RBROE:2010:BO7220) ook heeft betoogd. Dergelijke nieuwe feiten zijn echter niet gebleken. Integendeel, de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten zoals thans tenlastegelegd, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren.
4.7.
Het meer subsidiaire verweer van de verdediging is derhalve gedeeltelijk gegrond. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van (...) de verdachte [verdachte] ten aanzien van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.
(...)
6. De conclusie tot zover
(...)
6.3.
Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte [verdachte] ten aanzien van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten (ambtelijke corruptie). Het Openbaar Ministerie is wel (ook overigens) ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit (valsheid in geschrift, zaaksdossier 2C Sunset Beach)."
2.2.5.
Het Hof heeft het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg bevestigd. Het vonnis van het Hof houdt te dien aanzien het volgende in:
"Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt.
Nadere overwegingen betreffende de beslissing van het GEA
Het Hof verenigt zich met de door het GEA aan zijn beslissing ten grondslag gelegde overwegingen (...) en maakt deze tot de zijne.
Het Hof overweegt in aanvulling daarop als volgt. In de beschikking van 13 september 2012 heeft het Hof blijkens het dictum daarvan, wat [verdachte] betreft, de vervolging bevolen ter zake van de in rov. 2.3 omschreven feiten. Aldus heeft het Hof op de voet van artikel 25 lid 1 Sv BES zelf de feiten in zijn bevel omschreven. Zulks nadat het heeft beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van strafbare feiten een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten
(zie rov. 2.2 van de beschikking). Het openbaar ministerie is aan bedoelde omschrijving gebonden. Het mag dus niet buiten de grenzen treden van de feiten zoals die in
rov. 2.3 van de beschikking zijn omschreven. Nadat in die rechtsoverweging "het dossier Sunset Beach Hotel" is genoemd, zijn in het vervolg van die rechtsoverweging nadere grenzen gesteld. Deze nadere grenzen moeten worden geëerbiedigd. Voor zover de beschikking ruimte laat voor twijfel over de vraag of het Hof heeft beoogd ruimere grenzen te trekken dan hiervoor bedoeld, zoals mogelijk door de verwijzing naar "het dossier Sunset Beach Hotel", door de omstandigheid dat rov. 2.3 (mede) een weergave is van het standpunt van de procureur-generaal en door rov. 2.5, moet die twijfel ten voordele van de verdachte strekken en moet daarom van die ruimere uitleg worden afgezien."
2.3.
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 15, eerste lid, Sv BES:
"Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen."
- art. 25, eerste lid, Sv BES:
"Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven."
- art. 282, eerste en tweede lid, Sv BES:
"1. De verdachte kan na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, na zijn buitenvervolgingstelling of na de hem betekende beschikking houdende de verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.
2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, die later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht."
2.4.
Uit art. 282, eerste lid, Sv BES volgt dat een verdachte aan wie een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, niet kan worden vervolgd, tenzij tegen hem nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2.4 is weergegeven, heeft het Gerecht in eerste aanleg in zijn door het Hof bevestigde vonnis vastgesteld dat de kennisgeving van niet verdere vervolging op 19 februari 2011 aan de verdachte is betekend en dat niet is gebleken van nieuwe feiten. Kennelijk is bedoeld daarmee tot uitdrukking te brengen dat tegen de verdachte geen nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. Dat betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde. Nu dit oordeel juist is, faalt het middel, wat er ook zij van de kennelijk aan voormeld oordeel ten grondslag liggende opvatting dat, ook zonder dat de wet daarin voorziet - zoals hier het geval is -, het rechtsgevolg dat art. 282, eerste lid, Sv BES verbindt aan een kennisgeving van niet verdere vervolging, daaraan kan worden ontnomen door een nadien door het Hof gegeven bevel tot vervolging.
2.5.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2015.
Conclusie 08‑09‑2015
Inhoudsindicatie
Zambezi-zaak: verdachte is ex-gedeputeerde Groene Partij UPB. Antilliaanse zaak. OM-cassatie. Art. 282.1 Sv BES, kennisgeving van niet verdere vervolging. Uit voornoemde bepaling volgt dat verdachte aan wie een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, niet kan worden vervolgd, tenzij tegen hem nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Het GEA heeft in zijn door het Hof bevestigde vonnis vastgesteld dat de kennisgeving van niet verdere vervolging op 19-02-2011 aan verdachte is betekend en dat niet is gebleken van nieuwe feiten. Kennelijk is bedoeld daarmee tot uitdrukking te brengen dat tegen verdachte geen nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. Dat betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het OM n-o is in de vervolging van verdachte t.z.v. het onder 1, 2, 4 en 5 tlgd. Nu dit oordeel juist is, faalt het middel, wat er ook zij van de kennelijk aan voormeld oordeel ten grondslag liggende opvatting dat, ook zonder dat de wet daarin voorziet – zoals hier het geval is –, het rechtsgevolg dat art. 282.1 Sv BES verbindt aan een kennisgeving van niet verdere vervolging, daaraan kan worden ontnomen door een nadien door het Hof gegeven bevel tot vervolging.
Nr. 14/02040 A Zitting: 8 september 2015 | Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verdachte bij vonnis van 21 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 9 december 2013 bevestigd, voor zover in hoger beroep aan de orde, inclusief de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ter zake van de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.
Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/04768, 14/04769 en 14/04772. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Mr. A.C. van der Schans, advocaat-generaal bij het Parket Procureur-Generaal op Curaçao, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Mr. G.G.J. Knoops en mr. M.C. Woudenberg, beiden advocaat te Amsterdam, hebben namens verdachte een verweerschrift en aanvullende informatie ingediend.
In het middel wordt geklaagd over de bevestiging door het hof van de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van 9 december 2013 waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard ter zake van het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde, nadat het hof aanvankelijk op 13 september 2012 in het kader van een beklagprocedure ex art. 15 Sv de vervolging van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte ] had bevolen. Waar het in de procedure om draait is of de daarop onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, ten aanzien waarvan het openbaar ministerie door het Gerecht in eerste aanleg op 9 december 2013 niet-ontvankelijk werd verklaard, binnen of buiten de grenzen van het bevel tot vervolging van het hof van 13 september 2012 vallen. De procedurele gang van zaken evenals de beslissing waarbij het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard, is weergegeven in het proces-verbaal van het Gerecht in eerste aanleg van de zitting van 9 december 2013 dat, voor zover van belang, het volgende inhoudt:
“4. De grenzen van het bevel tot vervolging van het Hof
4.1. Hiermee komt het Gerecht toe aan de bespreking van het meer subsidiaire verweer, kort samengevat inhoudende dat de officier van justitie buiten het vervolgingsbevel van het Hof is getreden.
4.2. Het Gerecht acht het van belang om in dit verband het volgende vast te stellen.
4.2.1. Het Openbaar Ministerie is een voorbereidend onderzoek gestart tegen de verdachten [medeverdachte ] en [verdachte] wegens de verdenking van (onder meer, kort gezegd) valsheid in geschrift, witwassen en ambtelijke corruptie.
4.2.2. Na de beschikking van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 om het onderzoek voort te zetten en voor 1 november 2010 te beëindigen, heeft het Openbaar Ministerie de - acht - deelonderzoeken of zaaksdossiers geseponeerd. Ten aanzien van de zaaksdossiers Woning [medeverdachte ] en Sunset Beach heeft de officier van justitie bij "kennisgeving niet verdere vervolging" van 17 februari 2011 aan de verdachten [medeverdachte ] en [verdachte] kennisgegeven dat zij bij de huidige stand van zaken - lees onderzoeksresultaten - wegens onvoldoende bewijs niet zullen worden vervolgd voor genoemde zaaksdossiers. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer overwogen dat de zaaksdossiers door de tijdsdruk die is ontstaan naar aanleiding van de beslissing van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 onvoldoende konden worden "uitgerechercheerd", waardoor de daaruit voortvloeiende verdenkingen thans niet kunnen worden bewezen en dat deze dossiers dan ook wegens onvoldoende bewijs dienen te worden "geseponeerd". Voorts heeft de officier van justitie bepaald dat door deze kennisgeving de desbetreffende strafzaak eindigt. De beschikkingen zijn op 19 februari 2011 aan [medeverdachte ] en [verdachte] betekend.
4.2.3. Tegen deze kennisgevingen niet verdere vervolging is beklag ex artikel 15 Sv ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het beklag bij beschikking van 14 juni 2011 ontvankelijk verklaard en, kort samengevat, het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld nader onderzoek (in alle zaaksdossiers) te verrichten en het Hof over de resultaten daarvan te berichten. Ter zitting van 2 februari 2012 heeft het Hof, kort gezegd, een verzoek tot nader onderzoek gedurende vier maanden toegewezen. Bij beschikking van 13 september 2012 heeft het Hof een eindoordeel in de beklagprocedure gegeven. Het heeft, kort samengevat, de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] bevolen ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3 en 2.4 omschreven feiten in de zaaksdossiers Sunset Beach Hotel en Woning [medeverdachte ] , waarover hierna meer. Ten aanzien van de overige (zes) onderzoeksdossiers is het beklag afgewezen.
4.3. Het Gerecht stelt het volgende voorop. Een dergelijke beschikking van het Hof maakt een uitzondering op het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging. In artikel 25, eerste lid, Sv is bepaald dat het Hof beveelt dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet "ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven". Een bevel tot vervolging geeft aan ten aanzien van welk 'strafbaar feit' het Openbaar Ministerie de verdachten dient te vervolgen. Het Hof heeft, gelet op rechtsoverweging 2.2 van zijn beschikking van 13 september 2012, ook beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van "strafbare feiten" van [verdachte] en [medeverdachte ] een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten.
(…)
4.5. Ten aanzien van [verdachte]
4.5.1. In zijn beschikking beveelt het Hof de vervolging van [verdachte] ten aanzien van de in rechtsoverweging 2.3 van de beschikking vermelde feiten. Deze rechtsoverweging houdt het volgende in:
2.3. Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier Sunset Beach Hotel is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in [plaats] , waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs van NAF. 450.000,- bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,- en NAF. 1.000.000,- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,- was.
4.5.2. Aan de verdachte [verdachte] is tenlastegelegd, kort samengevat:
1. als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten (zaaksdossier 2A Sunset Beach)
2. als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan (zaaksdossier 2A Sunset Beach)
3. primair, medeplegen van het doen opnemen van een valsheid in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C Sunset Beach) en/of medeplegen feitelijke leidinggeven aan het doen opnemen van een valsheid in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C Sunset Beach)
subsidiair: medeplegen van het doen plegen van valsheid in geschrifte in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C Sunset Beach) en/of medeplegen feitelijke leidinggeven aan het doen plegen van valsheid in geschrifte in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C Sunset Beach)
4. als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten (zaaksdossier 2D Sunset Beach)
5. als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan (zaaksdossier 2D Sunset Beach).
4.5.3. Het Gerecht stelt vast dat het Hof in zijn beschikking het strafbare feit heeft geconcretiseerd door de vervolging te bevelen ter zake van "valsheid in geschrift". Het Hof verwijst daarbij naar de desbetreffende terreindeal. Het aan de verdachte [verdachte] onder feit 3 tenlastegelegde ziet op dit strafbare feit en valt derhalve binnen het vervolgingsbevel van het Hof.
4.5.4. Aan [verdachte] is onder feit 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegd, vrij vertaald, ambtelijke omkoping of corruptie. Dit strafbare feit is niet expliciet in de beschikking van het Hof genoemd en hangt niet zonder meer samen met het strafbare feit van valsheid in geschrift. Naar het oordeel van het Gerecht valt uit de beschikking van het Hof niet op te maken dat het strafbare feit van, kort gezegd, ambtelijke corruptie onder het vervolgingsbevel valt. Het Hof noemt in rechtsoverweging 2.3 alleen de terreindeal en overweegt niets met betrekking tot de positie van [verdachte] als ambtenaar of de eventuele giften of beloften die thans in de tenlastelegging zijn vermeld. Ook hier gaat het betoog van de officier van justitie dat de corruptiefeiten onlosmakelijk verbonden zijn met de bewoordingen van het Hof, niet op. Het Gerecht kan het bevel van het Hof derhalve niet verstaan als mede te zijn gericht op het strafbare feit van, vrij vertaald, ambtelijke corruptie.
4.6. Uit het voorgaande volgt dat het Openbaar Ministerie de grenzen van het bevel van het Hof heeft overschreden door ten aanzien van [medeverdachte ] de feiten 8 en 9 en ten aanzien van [verdachte] de feiten 1, 2, 4 en 5 ten laste te leggen. Het Openbaar Ministerie is weliswaar vrij om de tenlastelegging te redigeren, maar - gelet op het hiervoor in 4.3 vermelde uitgangspunt - niet om deze uit te breiden ten opzichte van het door het Hof gegeven bevel. Dit laatste zou anders kunnen zijn indien na de uitspraak van het Hof nieuwe feiten zijn gebleken, zoals de verdediging onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Roermond d.d. 14 december 2010 (ECLI:L:RBROE:2010:BO7220) ook heeft betoogd. Dergelijke nieuwe feiten zijn echter niet gebleken. Integendeel, de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten zoals thans tenlastegelegd, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren.
4.7. Het meer subsidiaire verweer van de verdediging is derhalve gedeeltelijk gegrond. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de verdachte [medeverdachte ] ten aanzien van de onder 8 en 9 tenlastegelegde feiten en van de verdachte [verdachte] ten aanzien van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.”
5. Het bestreden arrest houdt vervolgens in, voor zover van belang:
“Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt.
Nadere overwegingen betreffende de beslissing van het GEA
Het Hof verenigt zich met de door het GEA aan zijn beslissing ten grondslag gelegde overwegingen, zoals vervat in rov. 4.5.4 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 december 2013, en maakt deze tot de zijne.
Het Hof overweegt in aanvulling daarop als volgt. In de beschikking van 13 september 2012 heeft het Hof blijkens het dictum daarvan, wat [verdachte] betreft, de vervolging bevolen ter zake van de in rov. 2.3 omschreven feiten. Aldus heeft het Hof op de voet van artikel 25 lid 1 Sv BES zelfde feiten in zijn bevel omschreven. Zulks nadat het heeft beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van strafbare feiten een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten (zie rov. 2.2 van de beschikking). Het openbaar ministerie is aan bedoelde omschrijving gebonden. Het mag dus niet buiten de grenzen treden van de feiten zoals die in rov. 2.3 van de beschikking zijn omschreven. Nadat in die rechtsoverweging "het dossier Sunset Beach Hotel" is genoemd, zijn in het vervolg van die rechtsoverweging nadere grenzen gesteld. Deze nadere grenzen moeten worden geëerbiedigd. Voor zover de beschikking ruimte laat voor twijfel over de vraag of het Hof heeft beoogd ruimere grenzen te trekken dan hiervoor bedoeld, zoals mogelijk door de verwijzing naar "het dossier Sunset Beach Hotel", door de omstandigheid dat rov. 2.3 (mede) een weergave is van het standpunt van de procureur-generaal en door rov. 2.5, moet die twijfel ten voordele van de verdachte strekken en moet daarom van die ruimere uitleg worden afgezien.”
6. De genoemde beschikking d.d. 13 september 2012 in de beklagprocedure is genomen naar aanleiding van een door de stichting ‘ [C] ’ ingediend klaagschrift met betrekking tot de beslissing van het openbaar ministerie om geen vervolging in te stellen in de hiervoor genoemde zaaksdossiers. Die beschikking houdt in, voor zover van belang:
“2.2. Gelet daarop moet thans worden beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van strafbare feiten van [verdachte] en [medeverdachte ] een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten, en moet het beklag voor het overige worden afgewezen.
2.3.
Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier Sunset Beach Hotel is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in [plaats] , waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs van NAF. 450.000," bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,-- en NAF. 1.000.000,-- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,-- was.
(…)
2.7.
Haalbaarheids- noch opportuniteitsoverwegingen staan er derhalve aan in de weg om de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] te bevelen ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3. en 2.4. omschreven feiten. (…)
2.8.
Voor wat betreft de overige onderzoeksdossiers zijn geen concrete verdenkingen van strafbare feiten ter beoordeling aan het Hof voorgelegd, zodat het beklag voor het overige zal worden afgewezen.
2.9.
Beslist wordt derhalve als volgt.
BESLISSING
Het Hof:
Beveelt de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3 en 2.4 omschreven feiten;
wijst het beklag voor het overige af.”
7. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 15 lid 1 Sv BES dat luidt:
“Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.”
- art. 25 lid 1 Sv BES dat luidt:
“Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven.“
8. Genoemde bepalingen maken deel uit van de regeling inzake het beklag wegens het niet of niet verder vervolgen van strafbare feiten, neergelegd in titel IV ‘Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten’ van het Wetboek van Strafvordering BES dat op 10 oktober 2010 in werking is getreden. De formulering van die bepalingen is gelijk aan de formulering van dezelfde bepalingen in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en Aruba dat in 1997 in werking is getreden en tot 10 oktober 2010 van kracht was.1.In de Memorie van Toelichting bij die wet wordt voor een toelichting op genoemde regeling verwezen naar de Nederlandse Kamerstukken behorende bij de Wet van 8 november 1984 (Stb. 551) waarbij een nieuwe beklagregeling werd ingevoerd. De regeling wijkt, naast enkele ondergeschikte wijzigingen, slechts in drie - voor het onderhavige geval niet van belang zijnde - opzichten af van de Nederlandse regeling.2.Blijkens de Memorie van Toelichting bij het Nederlandse wetsontwerp heeft het rapport met voorstellen tot verbetering van de beklagprocedure van de Commissie tot partiële herziening van het Wetboek van Strafvordering in belangrijke mate de grondslag gevormd voor dat wetsontwerp. Naar dat rapport wordt daarom veelvuldig verwezen en het rapport is als bijlage bij de Memorie van Toelichting gevoegd.3.
9. Bedoelde Memorie van Toelichting houdt in, voor zover van belang:
“De door de commissie voorgestelde formulering “dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben” is in artikel 12k, eerste lid, van het wetsontwerp opgenomen. (…) Een met zoveel woorden in de wet vastgelegde bevoegdheid stelt buiten elke twijfel, dat het hof die bevoegdheid ook inderdaad toekomt.
Behalve over de grondslag van het vervolgingsbevel heeft de commissie zich ook beraden over de precieze inhoud daarvan. Zij heeft zich er duidelijk over uitgesproken welke daad van vervolging door het hof kan worden bevolen en op welke wijze deze zal zijn in te stellen. (…)
De commissie heeft er zich rekenschap van gegeven dat door het vervolgingsbevel van het hof, zoals door haar voorgesteld, de beleidsvrijheid van het openbaar ministerie aanzienlijk wordt beperkt. Zij zegt daarover:
Deze beperking heeft de Commissie weloverwogen aanvaard. Zij past in het systeem van de door haar ontworpen beklagregeling. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat het hof de bevoegdheid heeft een beslissing te geven die, naar het oordeel van de klager, aanvankelijk door het openbaar ministerie genomen had behoren te worden. Wanneer het hof van oordeel is dat het openbaar ministerie de gevraagde vervolging ten onrechte achterwege heeft gelaten, ligt het in de rede om het bevel, als correctief op de genomen beslissing, te laten uitvoeren door de instantie, waartegen in feite ook de klacht is gericht. (…)
Tot zover kan ik mij met de beschouwingen van de commissie verenigen. Ik verschil echter met de commissie van mening over de vraag of het hof ook verplicht zou moeten worden om steeds in het bevel aan te geven welke daad van vervolging door de officier van justitie ware in te stellen. Ik vermag niet in te zien waarom een zodanige beperking van de beleidsvrijheid van het openbaar ministerie als vanzelf uit het systeem van de nieuwe beklagregeling voortvloeit. (…) In het wetsontwerp is daarom als een bevoegdheid geformuleerd, dat het hof een bijzondere last in zijn vervolgingsbevel kan opnemen (artikel 12k, derde lid).”4.
10. In het rapport van de Commissie partiële herziening strafvordering wordt verder nog opgemerkt:
“De beperking in de vervolgingsvrijheid gaat overigens niet zo ver, dat het openbaar ministerie zich zelfs niet meer zou mogen bezighouden met het formuleren van de dagvaarding c.q. vordering tot gerechtelijke vooronderzoek. In artikel 12b, eerste lid wordt bepaald dat het hof het bevel zal geven “ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft”. De aldus gekozen formulering laat het openbaar ministerie enige ruimte bij het redigeren van de tenlastelegging of de vordering tot het instellen dan wel heropenen van het gerechtelijke vooronderzoek. Niet bepaald is dat het bevel wordt gegeven “ter zake van een bepaald omschreven feit”. In dat geval zou het hof zich moeten belasten met de redactie van de tenlastelegging of vordering, terwijl dit toch gerekend moet worden tot één der specifieke taken van het openbaar ministerie (art. 261, en 181, tweede lid). Waar vervolging uitsluitend tot de competentie van het openbaar ministerie behoort, dient het ook de gronden te kunnen bepalen waarop die vervolging zal zijn gebaseerd, ook al heeft het hof via zijn bevel de aanzet gegeven om een achterwege gebleven of eenmaal gestaakte vervolging weer op gang te brengen. Het is deze beleidsruimte die het openbaar ministerie gelaten moet worden om aan de hand van ’s hofs beslissing een tenlastelegging te redigeren.”5.
11. Het openbaar ministerie stelt in de toelichting op het middel dat het de door het hof gegeven vervolgingsopdracht te goeder trouw heeft uitgevoerd, nader onderzoek heeft verricht in het dossier Sunset Beach en op basis daarvan de verdachte heeft gedagvaard voor een aantal feiten welke alle afkomstig zijn uit genoemd dossier. Nu het openbaar ministerie, ook na een opdracht tot vervolging, uiteindelijk de instantie is die een tenlastelegging formuleert, is het met de geformuleerde tenlastelegging (zie 4.5.2 van de hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen van het Gerecht in eerste aanleg) niet buiten de vervolgingsopdracht getreden en heeft het terecht niet zijn ogen gesloten voor mogelijke strafbare feiten. Het Gerecht in eerste aanleg zou hebben miskend dat nu een klacht wegens niet-vervolging ertoe dient om onterechte passiviteit van het openbaar ministerie te kunnen corrigeren, het openbaar ministerie een dergelijke vervolgingsopdracht te goeder trouw moet uitvoeren, zeker als het gaat om de bescherming van het algemeen belang. De beslissing van het Gerecht zou daarom ten onrechte, althans niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bevestigd door het Gemeenschappelijke Hof.
12. Mul en Schalken schrijven dat volgens de tot 10 oktober 2010 geldende Antilliaanse beklagregeling (welke inhoudelijk overeenkomt met de huidige beklagregeling voor de BES-eilanden), het openbaar ministerie de exclusieve bevoegdheid heeft om strafbare feiten aan de rechter voor te leggen. Daarnaast heeft het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel en met name de positieve interpretatie daarvan, de mogelijkheid om beleid te voeren. De wetgever heeft de beslissing omtrent al dan niet te vervolgen echter niet helemaal in handen van het openbaar ministerie gelegd. Er kan ingevolge de hiervoor genoemde beklagregeling worden opgekomen tegen de beslissing van de officier van justitie om een strafbaar feit niet of niet verder te vervolgen en de rechter die een dergelijke beslissing tot niet-vervolging toetst is bevoegd om naast de haalbaarheid ook de opportuniteit van de vervolging te beoordelen.6.In een uitspraak van 26 juni 1996 overwoog Hoge Raad daaromtrent dat het het openbaar ministerie in beginsel vrij staat om al dan niet tot vervolging over te gaan en om te bepalen welk strafbaar gesteld handelen ten laste zal worden gelegd, maar dat teneinde aan mogelijke bezwaren van belanghebbenden tegemoet te komen in art. 12 Sv (AG: het Nederlandse equivalent van art. 15 Sv BES) aan de belanghebbenden de bevoegdheid is toegekend om, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet, daarover beklag te doen bij een hof. Art. 12 Sv strekt er volgens de Hoge Raad dus toe, om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie aan rechterlijke controle te onderwerpen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat het mede tot de taak van het hof behoort te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld, nu aan het hof een ‘volle beleidstoetsing’ toekomt welke zich volgens de Hoge Raad ook dient uit te strekken tot de wettelijke strafbaarstellingen waarop de vervolging dan moet zien.7.
13. Uit die uitspraak leidt Van der Leij af dat het redigeren van de tenlastelegging en dus het formuleren van de dagvaarding weliswaar moet worden overgelaten aan het openbaar ministerie maar dat recht moet worden gedaan aan het door het hof gegeven vervolgingsbevel en het hof daarin de vervolging dient te bevelen ter zake van het bepaaldelijk, door de klager bedoelde ‘feit waarop het beklag betrekking heeft’. Het hof kan het openbaar ministerie bijvoorbeeld de keuze laten uit een aantal mogelijk in aanmerking komende delicten, maar van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat het van de hem gelaten beoordelingsruimte geen misbruik maakt en dat bij de keuze van het te vervolgen delict de loyale uitvoering van het vervolgingsbevel voorop staat.8.
14. Uit het voorgaande volgt dat in het geval het openbaar ministerie heeft besloten niet tot vervolging over te gaan maar het hof naar aanleiding van een klacht als bedoeld in art. 15 Sv BES alsnog de vervolging van bepaalde feiten heeft bevolen, het in beginsel niet meer aan het openbaar ministerie is om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld. Daaruit vloeit ook voort dat het openbaar ministerie de vervolging niet wegens andere feiten, ten aanzien waarvan het eerder heeft besloten niet tot vervolging over te gaan, in kan stellen. Weliswaar kan de verdachte aan een kennisgeving van niet verdere vervolging door het openbaar ministerie niet zonder meer een rechtens te respecteren vertrouwen kan ontlenen dat hij niet zal worden vervolgd, vanwege het bestaan van de beklagprocedure en de mogelijkheid om bij nieuw bekend geworden bezwaren alsnog tot vervolging over te gaan.9.Staan blijft echter dat het openbaar ministerie met een dergelijke kennisgeving zijn vervolgingsbevoegdheid prijsgeeft, waarna alleen de rechter nog de bevoegdheid heeft om die beslissing te herzien. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen in volle omvang toetsen en het openbaar ministerie opdragen datgene te doen wat het naar het oordeel van de rechter (en de klager) ten onrechte achterwege heeft gelaten. Het zou in strijd zijn met die rechterlijke bevoegdheid en het bij de verdachte opgewekte vertrouwen, als het openbaar ministerie vervolgens kan beslissen om alsnog toch ook vervolging in te stellen wegens feiten die niet vallen onder het vervolgingsbevel van de rechter en waarvan het openbaar ministerie eerder, door middel van een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft aangegeven niet voor die feiten te gaan vervolgen.10.
15. Voor zover het middel berust op de stelling dat het openbaar ministerie na een beslissing van het hof in de beklagprocedure ex art. 15 Sv BES nog steeds volledige vervolgingsvrijheid heeft teneinde zijn eerdere onterechte passiviteit te kunnen corrigeren ter bescherming van het algemeen belang, faalt het nu het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Die vervolgingsvrijheid wordt wel degelijk beperkt door de eigen beslissing van het openbaar ministerie om niet (verder) te vervolgen en de eventueel daarop volgende beslissing van de rechter in die beklagprocedure. De vervolgingsbeslissing ten aanzien van de desbetreffende feiten ligt dan immers bij de rechter. Dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval zich gedwongen voelde de vervolging te staken en dus ‘ongewild’ de kennisgeving van niet verdere vervolging heeft doen uitgaan, maakt dat niet anders. Gelet daarop geeft het oordeel van het hof dat nu in de beschikking in de beklagprocedure ex art 15 Sv BES door het hof uitsluitend de vervolging is bevolen van de verdenking van valsheid in geschrift, het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de overige op de tenlastelegging vermelde feiten, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft uit de verwijzing in bedoelde beschikking naar rechtsoverweging 2.3 van diezelfde beschikking kunnen afleiden dat uitsluitend de vervolging is bevolen ter zake van de verdenking van valsheid in geschrift, hetgeen overigens in cassatie ook niet lijkt te worden betwist.
16. Het openbaar ministerie had, zoals hiervoor aangeven, wel nog de mogelijkheid om alsnog tot vervolging over te gaan bij nieuw bekend geworden bezwaren (of feiten).11.Het door het hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg houdt echter in dat van dergelijke nieuwe feiten niet is gebleken, waarbij erop is gewezen dat het openbaar ministerie zelf ook heeft aangegeven dat alle feiten zoals ten laste zijn gelegd in de onderhavige procedure, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren geweest. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk terwijl het in cassatie ook niet (direct) wordt betwist, zodat ik deze eventuele grond voor de betwisting van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verder buiten bespreking laat.
17. Het middel faalt.
18. Nu het middel faalt en de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie naar mijn mening in stand kan blijven, laat ik het namens de verdachte ingediende verweerschrift strekkende tot bevestiging van dat oordeel buiten bespreking.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑09‑2015
Zie de Memorie van Toelichting op het Oorspronkelijk regeringsontwerp, Hfdst. 2, art. 14-28 (zoals vermeld in: Prof.mr. T.M. Schalken en mr. S.W. Mul (red.), Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997), Bronnenpublicatie Deel 2: Artikelsgewijze totstandkoming, Gouda Quint: Deventer 1999, p. 38).
Kamerstukken II 1979-1980, 15 831, nr. 4 Bijlagen bij de Memorie van Toelichting, Bijlage A..
HR 26 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0502, NJ 1996/714 m.nt. Schalken. Zie ook: G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, 8e druk, p. 628.
A.S. Melai/M.S, Groenhuijsen e.a. Wetboek van strafvordering, aant. 12 op art 12i (bijgewerkt tot 1 februari 2008 door mr. J.B.J. van der Leij)
HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4448.
Zie ook de in de feitelijke procedure ter sprake gebrachte uitspraak van de Rechtbank Roermond van 14 december 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO7220.
Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4448.
Beroepschrift 29‑08‑2014
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
1. De bestreden uitspraak.
Het beroep in cassatie richt zich tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof op 21 maart 2014 uitgesproken in de zaak tegen:
[verdachte]
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946
Wonende te [woonplaats], [adres].
2. Cassatiemiddel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen in dier voege dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna ook: het Hof) het Openbaar Ministerie, middels bevestiging van het oordeel van het Gerecht Eerste Aanleg zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van 9 december 2013 van dat Gerecht, ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard, althans welke beslissing onbegrijpelijk is gemotiveerd, c.q. waarvoor een motivering is gegeven die deze beslissing niet kan dragen.
3. Toelichting
Bij brief van 27 juli 2007 verzocht de Procureur-generaal van de Nederlandse Antillen het College van Procureurs-generaal in Nederland om bijstand van de Rijksrecherche. In die brief werd vooral geduid op feiten die de integriteit van het bestuur op Bonaire aantasten.
Op 27 oktober 2007 publiceerde de ‘[C]’ een ‘Zwartboek’. In dat document worden voorbeelden beschreven van incidenten die blijk zouden geven van verlamming van de Eilandsraad in haar controlerende taak, nepotisme, bestuurlijke willekeur en corruptie door bestuurders en partijgenoten.
In 2008 heeft de Algemene Rekenkamer van de Nederlandse Antillen (ARNA) onderzoek gedaan naar de wijze waarop erfpachtrecht werd verleend door het Bestuurscollege van Bonaire. Geconcludeerd werd dat het Bestuurscollege bepaalde aanvragen (van bedrijven) met voorrang had behandeld zonder dat de reden daartoe duidelijk was. De ARNA concludeerde dat deze handelswijze de schijn van partijdigheid en vriendjespolitiek opwekt en in strijd zou zijn met de eisen van behoorlijk bestuur.
Op 24 augustus 2009 werd door de Hoofdofficier van Justitie van de Nederlandse Antillen bij de Rijksrecherche het verzoek ingediend tot het instellen van een onderzoek naar de betrokkenheid van (ex) leden van het Bestuurscollege Bonaire, politici en eventueel andere publieke figuren bij strafbare feiten als ambtsmisdrijven, illegale handel in domeingronden, oplichting en het witwassen van gelden.
In oktober 2009 werd na overleg tussen het Openbaar Ministerie Nederlandse Antillen en de Rijksrecherche een plan van aanpak overeengekomen. Dat plan zag op 7 (zeven) projecten waaronder het hieronder nog nader te noemen project [project 1].
Gedurende dat onderzoek werd zijdens de verdachte [verdachte] een verzoek ex artikel 56 WvSv (NA) bij de rechter-commissaris te Bonaire gedaan.
Naar aanleiding van dat verzoek besliste de rechter-commissaris te Bonaire dat het Openbaar Ministerie het onderzoek moest voortzetten en voor 1 november 2010 diende te beëindigen.
Het bleek alleen al uit logistiek oogpunt buitengewoon lastig het onderzoek met enige snelheid voort te zetten, de Rijksrecherche had immers niet een ‘nevenvestiging Bonaire’.
Die factor en het gegeven dat het een gecompliceerd onderzoek betrof met bepaald niet meewerkende derden vertraagde het onderzoek.
Tegen bovengenoemde beschikking van de rechter-commissaris stond geen rechtsmiddel open, reden waarom het Openbaar Ministerie uiteindelijk gedwongen was de niet volledig uitgerechercheerde zaken te seponeren.
Tegen die sepot beslissing richtte zich de klacht ex artikel 15 Sv (BES) van de ‘[C]’. Die stichting behartigt, kort en zakelijk weergegeven, het collectief belang van een integer openbaar bestuur.
Door het Hof werd de klacht bij beschikking van 14 juni 2011 ontvankelijk geoordeeld en werd het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld nader onderzoek te verrichten.
Uiteindelijk heeft Hof heeft bij beschikking van 13 september 2012 op die klacht ex artikel 15 Sv (BES) het Openbaar Ministerie een vervolgingsbevel gegeven ten aanzien van de in rechtsoverweging 2.3 (van die beschikking) vermelde feiten.
‘2.3.
Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier [project 1] is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van de [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in [a-plaats], waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs van NAF. 450.000,-- bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,-- en NAF. 1.000.000,-- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,-- was.’
Het dictum van die beschikking is de vervolging bevolen ter zake van de in bovenstaande overweging omschreven feiten.
Het Openbaar Ministerie heeft die opdracht te goeder trouw uitgevoerd. Omdat er nog enig nader onderzoek noodzakelijk was in dat dossier ([project 1]) is dat nadere onderzoek ook verricht.
Mede op basis van de informatie welke nog uit dat, beperkte, nadere onderzoek is gebleken is verdachte gedagvaard ter zake van (kort en zakelijk weergegeven):
- 1.
als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten (zaaksdossier 2A [project 1])
- 2.
als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan (zaaksdossier 2A [project 1])
- 3.
primair: medeplegen van het doen opnemen van een valsheid in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C [project 1]) en/of medeplegen feitelijke leidinggeven aan het doen opnemen van een valsheid in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C [project 1])
subsidiair: medeplegen van het doen plegen van valsheid in geschrifte in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C [project 1]) en/of medeplegen feitelijke leidinggeven aan het doen plegen van valsheid in geschrifte in een notariële transportakte (zaaksdossier 2C [project 1])
- 4.
als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten (zaaksdossier 2D [project 1])
- 5.
als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan (zaaksdossier 2D [project 1]).
Al deze feiten zijn afkomstig uit het dossier ‘[project 1]’. Het Openbaar Ministerie is, ook na een opdracht tot vervolging, uiteindelijk de instantie die een telastelegging formuleert. Met deze telastelegging is het OM niet buiten de vervolgingsopdracht getreden, integendeel, die opdracht is te goeder trouw uitgevoerd. Indien het Openbaar Ministerie de ogen zou hebben gesloten voor mogelijke strafbare feiten (in dit dossier) zou er (terecht) een verwijt kunnen worden gemaakt dat het Openbaar Ministerie, ondanks een daartoe strekkende opdracht van het Hof, toch niet tot vervolging overging terwijl het in casu ging om niet-integer handelen van ambtenaren/ politici en de klager ex artikel 15 Sv, de [C], zich richt op het behartigen van (een deel van) het algemeen belang.
Een klacht wegens niet-vervolging is een correctiemechanisme op de combinatie van het in handen van het OM berustend vervolgingsmonopolie en opportuniteitsbeginsel.
Een klacht wegens niet vervolging dient ertoe om onterechte passiviteit van het OM te kunnen corrigeren. Een dergelijk opdracht moet door het OM te goeder trouw worden uitgevoerd, zeker hier, het gaat immers om de bescherming van het algemeen belang.
Juist in zaken als deze waarbij concrete slachtoffers ontbreken vervult een rechtspersoon als de [C] een uitermate nuttige functie bij onbedoeld c.q. ongewild stilzitten van het OM.
Het Gerecht Eerste Aanleg heeft het bovenstaande miskend en het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard welke beslissing, ten onrechte, althans niet of onvoldoende gemotiveerd , werd bevestigd door het Hof.
Deze cassatieschriftuur strekt tot vernietiging van de beslissing van het Hof en terugverwijzing teneinde opnieuw recht te doen met inachtneming van Uw uitspraak.
Willemstad, 29 augustus 2014