Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/1.3
1.3 Parlementaire geschiedenis huidig Burgerlijk Wetboek
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS486011:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 5, p. 221. Het element ‘naburigheid’ is in de loop van de parlementaire geschiedenis komen te vervallen.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 182-183; Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 185; Wibbens-de Jong 2006, p. 2-4 en de aldaar genoemde literatuur.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 221.
Art. 653 e.v. Cc; zie hierover ook Davids 1994, p. 1. Art. 577bis § 9, zoals dat destijds gold luidt, voor zover hier van belang: ‘onverdeelde onroerende goederen echter die, als bijzaak, bestemd zijn tot gemeenschappelijk gebruik van twee of meer onderscheidene, aan verschillende eigenaars toebehorende erven, zijn niet vatbaar voor verdeling. Zij kunnen niet vervreemd, met zakelijke rechten bezwaard of in beslag genomen worden dan samen met het erf waartoe zijbehoren.’ Vergelijk het huidige art. 577 § 9 BBW.
Meijers omschrijft mandeligheid als
‘een vorm van mede-eigendom, met deze bijzonderheden dat het recht van mede-eigendom verbonden is aan de eigendom van twee of meer naburige erven, te wier nutte de gemeenschappelijke zaak strekt, en dat niet iedere mede-eigenaar verdeling van de zaak kan vorderen.’1
De achtergrond van de huidige regeling is gelegen in de door Meijers veronderstelde behoefte aan een meer algemene regeling van mandeligheid dan onder het oude recht.2 In de Toelichting-Meijers3 treffen wij de volgende passage aan:
‘In de Franse Code civil vindt men alleen enkele bepalingen omtrent gemene scheidsmuren en andere grensscheidingen. In de praktijk komen echter tal van andere mandelige zaken voor, waarvoor de Code geen regels bevat; rechtspraak en wetenschap in Frankrijk hebben deze leemte zo goed mogelijk opgevuld.
Ook in België is deze leemte gevoeld; het wetboek kent daar sedert 1924 in artikel 577bis § 9 een algemeen begrip, dat aan het Nederlandse “mandeligheid” beantwoordt. Het Nederlands B.W. heeft, naast de regels omtrent de gemene scheidsmuur, in artikel 704 slechts aan enkele andere tussen naburige erven gemene zaken gedacht, zoals regenbakken, putten en riolen. Ook in ons land komen echter vele andere gevallen voor, waarin behoefte bestaat aan een regeling van de mandeligheid; men denke aan gemeenschappelijke branduitgangen en speelplaatsen in de steden en gemeenschappelijke dorsvloeren, weeginstellingen enz. op het platteland. Het is daarom gewenst, aan de mandeligheid in het algemeen een afzonderlijke regeling te wijden.’4
Hieruit blijkt dat Meijers niet een geheel nieuwe rechtsfiguur heeft willen creëren. Hij heeft slechts de toepassingsmogelijkheden van een bestaande rechtsfiguur willen verruimen door een algemene regeling in de wet op te nemen. Dit betekent voor het vervolg dat ook de oude(re) literatuur haar diensten kan bewijzen bij het zoeken naar antwoorden op de ten aanzien van de huidige regeling te stellen vragen. In het navolgende zal dan ook royaal van die oude(re) literatuur gebruik gemaakt worden.