NJB 2021/2739:Afwijzing verdedigingsverzoek tot het overleggen van prints van een chatconversatie en opnames van chatgesprekken, art. 414 lid 1, tweede volzin, Sv: ingevolge deze bepaling zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid kan in voorkomende gevallen door de rechter worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Als de rechter van oordeel is dat de beginselen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging worden overgelegd en dat die overlegging daarom niet kan worden toegestaan, zal de rechter deze beslissing moeten motiveren. In casu heeft het hof de afwijzing onvoldoende gemotiveerde, erop gelet dat het hof slechts in aanmerking heeft genomen het tijdstip waarop het verzoek is gedaan en de omstandigheid dat de raadsman bij pleidooi zich over de stukken heeft kunnen uitlaten.