Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.7:6.7 Slotopmerkingen
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.7
6.7 Slotopmerkingen
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434209:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, Jur. 2005, p. 1-1383.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 maart 2005 heeft het forum non conveniens-leerstuk in een bijzondere vorm zijn intrede gedaan in het Europese jurisdictierecht betreffende zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid. Ingevolge art. 15 Vo-BIIbis kan het gerecht van een lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over een zaak betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid te beslissen, de behandeling van de zaak aanhouden teneinde het gerecht in een andere lidstaat al dan niet via tussenkomst van partijen in de gelegenheid te stellen om de verdere behandeling van de zaak op zich te nemen. Art. 15 geeft de mogelijkheid van overdracht van bevoegdheid. De zaak mag alleen verwezen worden naar het gerecht in een lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, en dat zich in een geschiktere positie bevindt om in het belang van het kind maatregelen te treffen. Deze forum non conveniens-variant zorgt voor enige rek en flexibiliteit in de Vo-Brussel Ilbis. In tegenstelling tot de Nederlandse forum non conveniens-regeling in art. 4 lid 3 sub b Rv voorziet de regeling uit de Vo-BIIbis in een uitgebreide procedure waarin omschreven wordt op welke wijze een overdracht van de bevoegdheid verwezenlijkt kan worden. Art. 4 lid 3 Rv legt nadruk op de ongeschiktheid van de Nederlandse rechter, terwijl art. 15 Vo-Bi:Ibis veel meer de nadruk legt op de geschiktheid van een buitenlands gerecht. Het ten gronde bevoegde gerecht is en blijft geschikt, maar er is een veel geschikter forum dat zich in het belang van het kind over de zaak kan uitlaten.
Is de regeling van forum non conveniens zoals neergelegd in art. 15 Vo-Bi:Ibis een aanwinst voor de internationale familierechtpraktijk? In bepaalde gevallen kan de overdracht van bevoegdheid zeker nuttig zijn; indien het belang van het kind is gebaat bij behandeling van de zaak door een ander gerecht dan het ten gronde bevoegde (bijvoorbeeld bij verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind tijdens de procedure), kan forum non conveniens uitkomst bieden. De toepassing van art. 15 Vo-BIlbis moet echter beperkt worden tot uitzonderlijke gevallen. Er moet worden voorkomen dat forum non conveniens in de praktijk aanleiding geeft tot onnodige bevoegdheidsgeschillen. Aan de gerechten van de lidstaten is de taak om ervoor te waken dat art. 15 Vo-BIlbis niet wordt misbruikt in de juridische strijd van ruziënde ouders om het gezagsrecht over het kind. Of de in art. 15 Vo-Bi:Ibis voorziene waarborgen (belang van het kind en andere meer procedurele waarborgen) dit zullen voorkomen, valt nog te bezien.
1 maart 2005 is een belangrijke datum voor het forum non conveniens-leerstuk. Op deze datum is de Vo-Brussel Ibis in werking getreden waarmee een geheel eigen, op het belang van het kind geënte forum non conveniens-regeling is geïntroduceerd voor procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op dezelfde datum sprak het HvJ EG in een inmiddels veelbesproken prejudiciële beslissing1 zijn veto uit over de toepassing van het Engelse forum non conveniens-leerstuk in het kader van het EEX-Verdrag. Deze uitspraak behoudt zijn waarde onder de EEX-Verordening. Het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening geven een regeling voor de rechtsmacht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Het volgende hoofdstuk staat in het teken van de verenigbaarheid van het forum non conveniens-leerstuk met de bevoegdheidsregeling van het EEX-Verdrag en de EEXVerordening.