Procestaal: Frans.
HvJ EU, 11-11-2021, nr. C-340/20
ECLI:EU:C:2021:903
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-11-2021
- Magistraten
L. Bay Larsen, J.-C. Bonichot, M. Safjan
- Zaaknummer
C-340/20
- Conclusie
G. pitruzzella
- Roepnaam
Bank Sepah
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:903, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑11‑2021
ECLI:EU:C:2021:496, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 17‑06‑2021
Uitspraak 11‑11‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) — Beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran — Verordening (EG) nr. 423/2007 — Bevriezing van de tegoeden van personen, entiteiten of lichamen waarvan de Raad van de Europese Unie heeft vastgesteld dat zij meewerken aan nucleaire proliferatie — Begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ — Mogelijkheid om op bevroren tegoeden en economische middelen conservatoire maatregelen toe te passen — Schuldvordering die dateert van vóór de bevriezing van de tegoeden en niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten’
L. Bay Larsen, J.-C. Bonichot, M. Safjan
Partij(en)
In zaak C-340/20,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in bestuurlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 10 juli 2020, ingekomen bij het Hof op 24 juli 2020, in de procedure
Bank Sepah
tegen
Overseas Financial Limited,
Oaktree Finance Limited,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.-C. Bonichot en M. Safjan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Bank Sepah, vertegenwoordigd door L. Vidal en J.-M. Thouvenin, avocats,
- —
Overseas Financial Limited en Oaktree Finance Limited, vertegenwoordigd door P. Spinosi, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door J.-L. Carré, E. de Moustier en A. Daniel als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet en J. Roberti di Sarsina als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 juni 2021,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1), artikel 1, onder h) en i), en artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1), en artikel 1, onder j) en k), en artikel 23, lid 1, van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Bank Sepah, een vennootschap gevestigd te Teheran (Iran) en anderzijds Overseas Financial Limited en Oaktree Finance Limited, gevestigd in de staat Delaware (Verenigde Staten), over de mogelijkheid om zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen toe te passen op tegoeden en economische middelen die zijn bevroren wegens beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Om druk uit te oefenen op de Islamitische Republiek Iran ter beëindiging van proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: ‘Veiligheidsraad’) op 23 december 2006 krachtens artikel 41 van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties resolutie 1737 (2006) aangenomen, waarbij een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van deze staat zijn ingevoerd.
4
De punten 2 en 12 van genoemde resolutie bepalen dat de Veiligheidsraad:
- ‘2.
Besluit, in die context, dat Iran onverwijld zijn proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten moet staken […].
[…]
- 12.
Besluit dat alle staten de tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die zich op de datum waarop de onderhavige resolutie is aangenomen of daarna op hun grondgebied bevinden, die in het bezit zijn van of direct of indirect worden gecontroleerd door de in de bijlage genoemde personen of andere personen aangewezen door de Raad of het [Sanctiecomité], die direct betrokken zijn bij of medewerking verlenen aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van overbrengingsmiddelen voor nucleaire wapens, of personen of entiteiten die namens of in opdracht van hen optreden, of entiteiten die al dan niet illegaal hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan dienen te bevriezen […], en besluit voorts dat alle staten erop dienen toe te zien dat hun onderdanen of ieder die zich op hun grondgebied bevindt deze niet direct of indirect aan deze personen of entiteiten ter beschikking stellen, evenmin als alle overige tegoeden, financiële activa of economische middelen, of deze te hunnen behoeve ter beschikking stellen.’
5
Bij resolutie 1747 (2007) van 24 maart 2007 heeft de Veiligheidsraad Bank Sepah opgenomen op de lijst van entiteiten die betrokken zijn bij Iraanse nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en waarvan de tegoeden moeten worden bevroren.
Unierecht
Gemeenschappelijk standpunt 2007/140
6
Om uitvoering te geven aan resolutie 1737 (2006) heeft de Raad van de Europese Unie gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB van 27 februari 2007 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2007, L 61, blz. 49) vastgesteld.
7
De overwegingen 1 en 9 van dit gemeenschappelijke standpunt luidden:
- ‘(1)
Op 23 december 2006 heeft de Veiligheidsraad […] Resolutie 1737 (2006) (UNSCR 1737 (2006)) aangenomen, waarin Iran wordt aangemaand bepaalde proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten onverwijld te staken, en waarbij enkele beperkende maatregelen tegen Iran worden afgekondigd.
[…]
- (9)
UNSCR 1737 (2006) schrijft tevens voor dat alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen worden bevroren welke direct of indirect in het bezit zijn, eigendom zijn of onder het beheer staan van, hetzij personen of entiteiten die, volgens de Veiligheidsraad of het [Sanctiecomité], zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij, dan wel medewerking verlenen aan, proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, hetzij personen of entiteiten die namens hen of op hun aanwijzing handelen; hetzij entiteiten ten aanzien waarvan zij — ook op onrechtmatige wijze — de eigendom of de zeggenschap hebben; evenmin mogen er tegoeden, financiële activa of economische middelen aan of ten behoeve van die personen of entiteiten ter beschikking worden gesteld.’
8
Artikel 5, lid 1, van dit gemeenschappelijk standpunt bepaalde het volgende:
‘Alle tegoeden en economische middelen die direct of indirect eigendom zijn, in het bezit zijn, of onder zeggenschap staan van
- a)
de personen en entiteiten die zijn aangewezen in de bijlage bij UNSCR 1737 (2006), alsmede de — in bijlage I genoemde — andere personen of entiteiten die de Veiligheidsraad of het Comité overeenkomstig punt 12 van UNSCR 1737 (2006) en punt 7 van UNSCR 1803 (2008) heeft aangewezen, [worden bevroren];
[…]’
Verordening nr. 423/2007
9
Op basis van gemeenschappelijk standpunt 2007/140 heeft de Raad verordening nr. 423/2007 vastgesteld, die op 20 april 2007 in werking is getreden.
10
Overweging 3 van die verordening luidde:
‘[De beperkende] maatregelen [die zijn voorzien bij gemeenschappelijk standpunt 2007/140] vallen binnen het toepassingsgebied van het [VEU]; derhalve is, om te garanderen dat zij in alle lidstaten door de marktdeelnemers uniform worden toegepast, communautaire wetgeving noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen voor zover het de Gemeenschap betreft.’
11
Artikel 1, onder h) en j), van deze verordening bepaalde:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- h)
‘bevriezing van tegoeden’: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van de tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt;
[…]
- j)
‘bevriezing van economische middelen’: het voorkomen van het gebruiken van economische middelen om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren’.
12
In artikel 7 van de verordening was bepaald:
- ‘1.
Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage IV zijn vermeld, worden bevroren. Bijlage IV omvat de personen, entiteiten en lichamen die de [Veiligheidsraad] of het Sanctiecomité hebben aangewezen overeenkomstig punt 12 van Resolutie 1737 (2006) […].
[…]
- 3.
Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlagen IV en V genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
- 4.
Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen direct of indirect te omzeilen.’
13
Artikel 8 van verordening nr. 423/2007 luidde:
‘In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die op de in bijlage III vermelde websites worden genoemd, toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een justitieel, administratief of arbitrair retentierecht dat is vastgesteld voor [23 december 2006] of van een justitieel, administratief of arbitrair vonnis dat van vóór die datum dateert;
[…]’
14
Artikel 9 van deze verordening bepaalde:
‘In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen, mits een betaling verschuldigd is door een persoon, entiteit of lichaam genoemd in bijlage IV of V op grond van een contract of overeenkomst die door de betrokken persoon, entiteit of lichaam is gesloten of een verplichting die voor de betrokken persoon, entiteit of lichaam is ontstaan vóór de datum waarop die persoon of entiteit of dat lichaam door het Sanctiecomité, de [Veiligheidsraad] of de Raad van de Europese Unie is aangewezen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die op de in bijlage III vermelde websites worden genoemd, op door hen passend geachte voorwaarden toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a)
de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:
- i)
de tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een persoon, entiteit of lichaam genoemd in bijlage IV of V;
- ii)
het contract, de overeenkomst of de verplichting niet bijdraagt tot de vervaardiging, verkoop, aanschaf, overdracht, invoer, uitvoer, verplaatsing of gebruik van goederen en technologie genoemd in de bijlagen I en II, en
- iii)
de betaling niet in strijd is met artikel 7, lid 3;
- b)
indien artikel 7, lid 1, van toepassing is: de betrokken lidstaat heeft het Sanctiecomité in kennis gesteld van deze vaststelling en van zijn voornemen toestemming te verlenen, en het Sanctiecomité heeft niet binnen tien werkdagen na die kennisgeving bezwaar geuit; en
- c)
indien artikel 7, lid 2, van toepassing is: de betrokken lidstaat heeft de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór de toestemming in kennis gesteld van deze vaststelling van zijn bevoegde autoriteit en van zijn voornemen toestemming te verlenen.’
15
Artikel 10 van de verordening was als volgt verwoord:
- ‘1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die op de in bijlage III vermelde websites worden genoemd, op door hen passend geachte voorwaarden toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de tegoeden of economische middelen:
- i)
noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlagen IV of V genoemde personen en de leden van hun gezin die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en lasten voor openbare voorzieningen;
- ii)
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten; of
- iii)
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen, en
[…]
- 2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die op de in bijlage III vermelde websites worden genoemd, toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, of voor de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen nodig zijn voor de betaling van buitengewone kosten, op voorwaarde dat:
- a)
indien de toestemming een in bijlage IV genoemde persoon, entiteit of lichaam betreft, deze vaststelling door de betrokken lidstaat is aangemeld bij het Sanctiecomité en de vaststelling door het Sanctiecomité is goedgekeurd, en
- b)
indien de toestemming een in bijlage V genoemde persoon, entiteit of lichaam betreft, de bevoegde autoriteit ten minste twee weken voor zij de toestemming verleent aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie heeft gemeld op welke gronden zij van mening is dat de specifieke toestemming moet worden verleend.
[…]’
16
Nadat resolutie 1747 (2007) was aangenomen, heeft de Raad gemeenschappelijk standpunt 2007/246/GBVB van 23 april 2007 tot wijziging van gemeenschappelijk standpunt 2007/140 (PB 2007, L 106, blz. 67) vastgesteld.
17
De Commissie heeft verordening (EG) nr. 441/2007 van 20 april 2007 tot wijziging van verordening nr. 423/2007 (PB 2007, L 104, blz. 28) vastgesteld. Bank Sepah is bij verordening nr. 441/2007 opgenomen op de lijst in bijlage IV bij verordening nr. 423/2007.
18
Op 25 oktober 2010 heeft de Raad verordening nr. 961/2010 vastgesteld, waarbij verordening nr. 423/2007 is ingetrokken. Verordening nr. 961/2010 is op haar beurt ingetrokken bij verordening nr. 267/2012.
19
Artikel 1, onder h) en i), en artikel 16 van verordening nr. 961/2010 alsmede artikel 1, onder j) en k), en artikel 23 van verordening nr. 267/2012 zijn in wezen identiek aan artikel 1, onder h) en j), en artikel 7 van verordening nr. 423/2007. Bank Sepah was ook al opgenomen op de lijsten in bijlage VII bij verordening nr. 961/2010 respectievelijk bijlage VIII bij verordening nr. 267/2012.
Frans recht
Code des procédures civiles d'exécution
20
Artikel L. 521-1 van de code des procédures civiles d'exécution (wetboek tenuitvoerlegging civielrechtelijke beslissingen, Frankrijk) bepaalt:
‘Conservatoir beslag kan worden gelegd op alle lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen van de debiteur. Deze goederen worden door het conservatoir beslag onbeschikbaar. […]’
21
Artikel L. 522-1 van dit wetboek luidt:
‘De schuldeiser die een executoriale titel van een liquide en opeisbare schuldvordering bezit kan de onbeschikbaar gemaakte goederen doen verkopen tot het bedrag van zijn vordering.’
22
Artikel L. 523-1 van genoemd wetboek bepaalt:
‘Als het beslag een schuldvordering met een geldbedrag als voorwerp betreft, wordt dat bedrag door de beslaglegging onbeschikbaar ten belope van het door de rechter goedgekeurde bedrag of, als die goedkeuring niet nodig is, ten belope van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Het beslag heeft dezelfde rechtsgevolgen als die van consignatie als bedoeld in artikel 2350 van het burgerlijk wetboek.’
23
Artikel L. 531-1 van dat wetboek luidt:
‘Een gerechtelijke zekerheidstelling kan conservatoir worden gevestigd op onroerende goederen, handelszaken, aandelen, deelbewijzen en effecten.’
24
Artikel L. 531-2 ervan luidt als volgt:
‘Goederen waarop een gerechtelijke zekerheidstelling is gevestigd, blijven vervreemdbaar. De prijs wordt betaald en verdeeld onder de voorwaarden die zijn gesteld bij een na advies van de Conseil d'Etat [(hoogste adviesorgaan van de regering, Frankrijk)] vastgesteld besluit.
Bij de verkoop van effecten die zijn ingeschreven in een door een bevoegde tussenpersoon beheerd register, kunnen met de prijs echter andere activa worden aangeschaft, die de verkochte activa dan subrogeren.’
Code civil
25
Artikel 2333 van de code civil (burgerlijk wetboek, Frankrijk) bepaalt:
‘Een pandrecht is een overeenkomst waarbij de pandsteller aan een schuldeiser het recht verleent om ten opzichte van zijn andere schuldeisers op een bestaand of toekomstig roerend goed of een geheel van bestaande of toekomstige roerende lichamelijke goederen, bij voorrang te worden betaald.’
[…]’
26
Artikel 2350 van dat wetboek luidt als volgt:
‘Het depot of de consignatie van bedragen, effecten of activa, gelast door de rechter garantie of als conservatoire maatregel, houdt een specifieke bestemming in alsook de voorrang in de zin van artikel 2333.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
27
Bij vonnis van 26 april 2007 heeft de cour d'appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) Bank Sepah veroordeeld tot betaling aan Overseas Financial en Oaktree Finance van 2 500 000 Amerikaanse dollars (USD) (ongeveer 1 800 000 EUR) respectievelijk 1 500 000 USD (ongeveer 1 100 000 EUR), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dat vonnis.
28
Nadat Overseas Financial en Oaktree Finance in de jaren 2007 tot en met 2011 gedeeltelijke betalingen hadden ontvangen, hebben zij de minister van Economische Zaken (Frankrijk) op 2 december 2011 verzocht om krachtens artikel 8 van verordening nr. 423/2007 toestemming te geven voor de vrijgave van het uitstaande bedrag. Overseas Financial en Oaktree Finance hebben bij de tribunal administratif de Paris (bestuursrechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de stilzwijgende afwijzing van hun verzoek. Deze rechter heeft dat beroep verworpen bij vonnis van 21 oktober 2013.
29
Op 17 mei 2016 hebben Overseas Financial en Oaktree Finance betalingsbevelen met het oog op beslaglegging aan Bank Sepah laten afgeven. Vervolgens hebben zij op 5 juli 2016 derdenbeslag en beslag op vennootschappelijke rechten en effecten laten leggen bij een Franse bank. Bij vonnis van 9 januari 2017 bekrachtigde de executierechter bij de tribunal de grande instance de Paris (rechterlijke instantie in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) deze beslagleggingen en het bedrag ervan, waarin de rente was begrepen die de cour d'appel de Paris bij zijn vonnis van 26 april 2007 had bepaald. Bank Sepah erkende wel de verplichting om de hoofdsom te betalen van het totaalbedrag waarvoor zij was veroordeeld, maar achtte zich niet gehouden om rente te betalen en is daartegen derhalve opgekomen bij de executierechter. Bank Sepah betoogde met name dat zij niet gehouden kon zijn tot betaling van de rente, op grond dat het voor haar onmogelijk was geworden om haar schuld te betalen wegens overmacht ten gevolge van de bevriezing van haar activa bij verordening nr. 423/2007, waardoor de rente was opgeschort.
30
Nadat die executierechter dit betoog had afgewezen heeft Bank Sepah hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft de cour d'appel de Paris dit hoger beroep afgewezen op grond dat de voorlopige onbeschikbaarheid van de tegoeden en economische middelen van Bank Sepah geen invloed had op de rente.
31
Deze rechter heeft bovendien geoordeeld dat op de omstandigheden van de zaak een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing was en dat niets Overseas Financial en Oaktree Finance verbood om conservatoire executiemaatregelen te treffen, die deze verjaring hadden kunnen stuiten. Aangezien dergelijke maatregelen niet waren getroffen vóór de betalingsbevelen van 17 mei 2016, moest de rente waarop Overseas Financial en Oaktree Finance aanspraak konden maken derhalve worden beperkt tot de rente die vanaf 17 mei 2011, namelijk vijf jaar vóór die betalingsbevelen, was geaccumuleerd.
32
Zowel Bank Sepah als Overseas Financial en Oaktree Finance heeft cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk). Overseas Financial en Oaktree Finance bestrijden de uitspraak in hoger beroep met name op het punt van de vijfjarige verjaringstermijn ten aanzien van de rente.
33
De verwijzende rechter is van oordeel dat de oplossing van het geding afhangt van de vraag of Overseas Financial en Oaktree Finance de verjaring hadden kunnen stuiten door op de bevroren activa van Bank Sepah een conservatoire maatregel of een maatregel tot gedwongen tenuitvoerlegging toe te passen.
34
Deze rechter merkt op dat noch verordening nr. 423/2007, noch de verordeningen nr. 961/2010 en nr. 267/2012 uitdrukkelijk verbieden dat een schuldeiser conservatoire maatregelen neemt of overgaat tot gedwongen tenuitvoerlegging. Gezien de definities van ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ in deze verordeningen kan niet worden uitgesloten dat maatregelen ten opzichte van bevroren activa kunnen worden genomen als ze op grond van deze definities niet zijn verboden.
35
De verwijzende rechter vraagt zich meer in het bijzonder af of maatregelen die geen onttrekkende werking hebben, zoals gerechtelijke zekerheidstelling en conservatoir beslag, zonder voorafgaande toestemming kunnen worden toegepast. Een gerechtelijke zekerheidstelling brengt namelijk geen verplichting tot verkoop met zich voor de eigenaar van de betrokken goederen of rechten en beïnvloedt zijn keuze van koper niet, ongeacht of de zekerheid op een onroerend goed (hypotheek), een handelszaak of op aandelen en andere effecten (pandstelling) wordt gesteld. Een dergelijke zekerheidstelling heeft uitsluitend tot gevolg dat bij verkoop van de goederen of rechten waarop die is gevestigd, de schuldvordering van degene die de zekerheid heeft gesteld bij voorrang moet worden voldaan uit de verkoopprijs. Het conservatoir beslag heeft evenmin onttrekkende werking omdat de goederen, de schuldvorderingen en de rechten waarop beslag is gelegd blijven behoren tot het vermogen van de schuldenaar. De werking is die van een consignatie: een specifieke bestemming en voorrang in de zin van het burgerlijk wetboek.
36
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of die maatregelen niet leiden tot een wijziging van de ‘bestemming’ van de betrokken tegoeden in de zin van de definitie van ‘bevriezing van tegoeden’, dan wel, meer in het algemeen, of die maatregelen niet het ‘gebruik’ mogelijk maken van de bevroren tegoeden en economische middelen in de zin van de verordeningen nr. 423/2007, nr. 961/2010 en nr. 267/2012. Bovendien vraagt hij zich af of het voor het antwoord op die vraag relevant is dat de grond van de schuldvordering niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór de bevriezing van Bank Sepahs tegoeden.
37
In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening [nr. 423/2007], artikel 1, onder i) en h), en artikel 16, lid 1, van verordening […] nr. 961/2010, alsook artikel 1, onder j) en k), en artikel 23, lid 1, van verordening [nr. 267/2012] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op bevroren activa zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit een maatregel zonder directe onttrekkende werking wordt toegepast, zoals een gerechtelijke zekerheidstelling of een conservatoir beslag, waarin het Franse wetboek tenuitvoerlegging civielrechtelijke beslissingen voorziet?
- 2)
Is het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon van wie of de entiteit waarvan de activa zijn bevroren, niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006)?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
38
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en j), van die verordening, artikel 16, lid 1, van verordening nr. 961/2010, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en i), van die verordening, en artikel 23, lid 1, van verordening nr. 267/2012, gelezen in samenhang met artikel 1, onder j) en k), van die verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op tegoeden of economische middelen die in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid zijn bevroren, zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen worden toegepast die de betrokken schuldeiser het recht geven om ten opzichte van andere schuldeisers met voorrang te worden betaald, zelfs wanneer er door die maatregelen geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken.
39
Vooraf zij opgemerkt dat de hierboven aangehaalde bepalingen van verordening nr. 961/2010 en verordening nr. 267/2012 in wezen identiek zijn aan artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007, zodat de overwegingen die gelden voor deze laatste verordening ook van toepassing zijn op de bepalingen van de eerste twee verordeningen.
40
Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007 bepaalt dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage IV bij die verordening zijn vermeld, worden bevroren.
41
De begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ worden gedefinieerd in artikel 1, onder h), respectievelijk artikel 1, onder j), van die verordening.
42
Artikel 1, onder h), van verordening nr. 423/2007 definieert het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ als ‘het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van de tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt’.
43
Blijkens deze definitie wordt met het bevriezen van tegoeden beoogd om de handelingen die met betrekking tot bevroren tegoeden kunnen worden verricht, zo veel mogelijk te beperken. Dit blijkt uit het grote aantal genoemde hypothesen en het gebruik van de term ‘op enigerlei wijze’. De Uniewetgever heeft ook de middelen waarmee het gebruik van de tegoeden kan worden beperkt breed gedefinieerd.
44
De voorgaande overwegingen zijn eveneens van toepassing op het begrip ‘bevriezing van economische middelen’. Dit begrip is in artikel 1, onder j), van verordening nr. 423/2007 gedefinieerd als ‘het voorkomen van het gebruiken van economische middelen om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren’.
45
Hieruit volgt dat de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ in verordening nr. 423/2007 zeer ruim zijn gedefinieerd.
46
Maatregelen zoals die in het hoofdgeding, die de betrokken schuldeiser het recht verlenen om ten opzichte van andere schuldeisers met voorrang te worden betaald, leiden tot een wijziging van de bestemming van de bevroren tegoeden en maken het mogelijk dat de bevroren economische middelen worden aangewend om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, zoals ook de advocaat-generaal heeft aangegeven in de punten 55 tot en met 61 van zijn conclusie.
47
Dergelijke maatregelen vallen dus onder de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ in de zin van artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007.
48
De omstandigheid dat door deze maatregelen geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken, doet aan die slotsom niet af.
49
Het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ omvat immers ieder gebruik van tegoeden met als gevolg, onder meer, een wijziging van de bestemming van die tegoeden, zelfs als door dat gebruik geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken.
50
Bovendien wordt in de definitie van het begrip ‘bevriezing van economische middelen’ het gebruik daarvan door verhypothekering als voorbeeld genoemd. Bij een dergelijke maatregel worden geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar onttrokken.
51
Op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de definities van ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ ook slaan op maatregelen waardoor geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken.
52
Deze uitlegging vindt steun in de doelstellingen van verordening nr. 423/2007, waarbij jegens de Islamitische Republiek Iran vastgestelde beperkende maatregelen ten uitvoer worden gelegd.
53
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verordening nr. 423/2007 volgens overweging 3 ervan de tenuitvoerlegging moet waarborgen van gemeenschappelijk standpunt 2007/140, dat is vastgesteld om de doelstellingen van resolutie 1737 (2006) binnen de Europese Unie te bereiken en dus daaraan uitvoering beoogt te geven. Derhalve moet bij de uitlegging van genoemde verordening rekening worden gehouden met de tekst en het doel van genoemde resolutie (arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a., C-72/11, EU:C:2011:874, punt 43).
54
Uit de bewoordingen van zowel resolutie 1737 (2006), met name de punten 2 en 12, als gemeenschappelijk standpunt 2007/140, met name de overwegingen 1 en 9, volgt dat de beperkende maatregelen die ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran zijn vastgesteld, preventief bedoeld zijn, in die zin dat zij beogen de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten in die staat te verhinderen (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 44).
55
Met maatregelen tot bevriezing van tegoeden en economische middelen moet dus worden vermeden dat activa waarop een bevriezingsmaatregel van toepassing is, kunnen worden gebruikt voor het verkrijgen van tegoeden, goederen of diensten die kunnen bijdragen tot de nucleaire proliferatie in Iran, hetgeen resolutie 1737 (2006), gemeenschappelijk standpunt 2007/140 en verordening nr. 423/2007 trachten tegen te gaan (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 46).
56
Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het, om deze doeleinden te bereiken, niet alleen legitiem maar ook noodzakelijk dat een ruime uitlegging wordt gegeven aan de definitie van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, omdat iedere aanwending van bevroren activa waarmee de betrokken verordeningen kunnen worden omzeild en de zwakke plekken van de regels kunnen worden uitgebuit, moet worden vermeden.
57
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de bevriezing van tegoeden en economische middelen zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en j), van die verordening, eraan in de weg staat dat op bevroren activa conservatoire maatregelen worden toegepast die de betrokken schuldeiser het recht geven om ten opzichte van andere schuldeisers met voorrang te worden betaald, zelfs wanneer er door die maatregelen geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken.
58
Verder moet worden gepreciseerd dat artikel 7 van verordening nr. 423/2007 het beginsel dat de tegoeden en economische middelen van de aangewezen personen en entiteiten worden bevroren weliswaar ook formuleert ten aanzien van die maatregelen, doch dat de bevoegde nationale autoriteit niettemin vooraf toestemming voor dergelijke maatregelen kan verlenen overeenkomstig de in de artikelen 8 tot en met 10 van die verordening opgenomen uitzonderingen, mits aan de daar gestelde voorwaarden is voldaan.
59
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en j), van die verordening, artikel 16, lid 1, van verordening nr. 961/2010, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en i), van die verordening, en artikel 23, lid 1, van verordening nr. 267/2012, gelezen in samenhang met artikel 1, onder j) en k), van die verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op tegoeden of economische middelen die in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid zijn bevroren, zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen worden toegepast die de betrokken schuldeiser het recht geven om ten opzichte van andere schuldeisers met voorrang te worden betaald, zelfs wanneer er door die maatregelen geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken.
Tweede vraag
60
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang is dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon van wie of de entiteit waarvan de tegoeden of economische middelen zijn bevroren, niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006).
61
De definitie van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ in artikel 1, onder h) en j), van verordening nr. 423/2007 en in de overeenkomstige bepalingen van de verordeningen nr. 961/2010 en 267/2012 maken geen onderscheid naar de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon tegen wie of de entiteit waartegen beperkende maatregelen zijn genomen.
62
Bovendien maken artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007 en de overeenkomstige bepalingen van de verordeningen nr. 961/2010 en nr. 267/2012 evenmin onderscheid naar de grond van die schuldvordering in geval van bevriezing van tegoeden of economische middelen.
63
Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet in deze omstandigheden de mogelijkheid om een maatregel ten uitvoer te leggen op bevroren activa enkel worden beoordeeld aan de hand van de rechtsgevolgen die deze maatregel teweegbrengt en niet aan de hand van de grond van de betrokken schuldvordering.
64
Daarnaast is van belang dat de artikelen 8 tot en met 10 van verordening nr. 423/2007, waarin exhaustief de voorwaarden zijn bepaald en omschreven waaronder de bevoegde nationale autoriteiten bepaalde maatregelen met een tegen de bevriezing van tegoeden en economische middelen indruisende werking kunnen goedkeuren, niet verwijzen naar situaties waarin de grond van de te innen schuldvordering niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006).
65
Als rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat de grond van de schuldvordering niets van doen heeft met die activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006), zou voorts voor ieder geval moeten worden nagegaan of die omstandigheid zich voordoet. Dit zou leiden tot een reëel risico op omzeiling van de bevriezing van tegoeden en economische middelen en zou de lidstaten voor lastige uitvoeringsproblemen plaatsen (zie naar analogie het arrest van 11 oktober 2007, Möllendorf en Möllendorf-Niehuus, C-117/06, EU:C:2007:596, punt 58).
66
Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat het belang van de doeleinden die worden nagestreefd met een Uniehandeling tot invoering van beperkende maatregelen rechtvaardigt dat deze maatregelen — zelfs aanzienlijke — negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers hebben, ook voor degenen die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de betrokken maatregelen zijn vastgesteld, maar die met name in hun eigendomsrechten worden geraakt (zie naar analogie arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punt 361 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het voor de beantwoording van de eerste vraag niet van belang is dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon van wie of de entiteit waarvan de activa zijn bevroren, niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006).
Kosten
68
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en j), van verordening nr. 423/2007, artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007, gelezen in samenhang met artikel 1, onder h) en i), van verordening nr. 961/2010, en artikel 23, lid 1, van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010, gelezen in samenhang met artikel 1, onder j) en k), van verordening nr. 267/2012, moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op tegoeden of economische middelen die in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid zijn bevroren, zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen worden toegepast die de betrokken schuldeiser het recht geven om ten opzichte van andere schuldeisers met voorrang te worden betaald, zelfs wanneer er door die maatregelen geen goederen aan het vermogen van de schuldenaar worden onttrokken.
- 2)
Voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag is het niet van belang dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon van wie of de entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren, niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006) van 23 december 2006 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑11‑2021
Conclusie 17‑06‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Verordening (EG) nr. 423/2007 — Bevriezing van de tegoeden van personen, entiteiten of lichamen waarvan de Raad van de Europese Unie heeft vastgesteld dat zij meewerken aan nucleaire proliferatie — Begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ — Mogelijkheid om op bevroren tegoeden en economische middelen conservatoire maatregelen toe te passen — Schuldvordering die dateert van vóór de bevriezing van de tegoeden en niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten’
G. pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-340/201.
Bank Sepah
tegen
Overseas Financial Limited,
Oaktree Finance Limited
[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Kan een schuldeiser van een persoon of entiteit op wie maatregelen tot bevriezing van tegoeden en economische middelen van toepassing zijn in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking en ter waarborging van de invordering van zijn schuldvorderingen, zoals gerechtelijke zekerheidstelling of conservatoir beslag, op bevroren activa toepassen?
2.
Deze nog niet eerder behandelde vraag rijst in het kader van de onderhavige zaak, die betrekking heeft op de uitlegging van artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran2., alsmede van verordeningen (EU) nrs. 961/20103. en 267/20124. (hierna: ‘opeenvolgende verordeningen’).
3.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) in het kader van een geschil tussen Bank Sepah, een Iraanse bank waarvan de activa het voorwerp zijn geweest van een maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen, en twee schuldeisers van deze bank, Overseas Financial Limited en Oaktree Finance Limited. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing stelt het Hof in de gelegenheid om naderhand de draagwijdte van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ te verduidelijken.
II. Toepasselijke bepalingen
4.
In het kader van de maatregelen die zijn vastgesteld om druk uit te oefenen op de Islamitische Republiek Iran teneinde haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens te staken, heeft de Raad van de Europese Unie resolutie 1737 (2006) van 23 december 2006 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: ‘Veiligheidsraad’) — die voorzag in de bevriezing van de tegoeden en economische middelen van personen en entiteiten die betrokken zijn bij Iraanse nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten — ten uitvoer gelegd middels de vaststelling van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB van 27 februari 2007 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran.5.
5.
Artikel 5, lid 1, van dit gemeenschappelijk standpunt voorzag in de bevriezing van de tegoeden en economische middelen die in het bezit zijn van personen en entiteiten die zijn aangewezen in de bijlage bij resolutie 1737 (2006) of die zijn aangewezen overeenkomstig die resolutie, alsmede van alle tegoeden en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn, eigendom zijn, of onder het beheer staan van deze personen. Die personen en entiteiten werden in bijlage I bij dat gemeenschappelijk standpunt opgesomd.
6.
De lijst in de bijlage bij resolutie 1737 (2006) is bij verschillende latere resoluties bijgewerkt, met name bij resolutie 1747 (2007) van de Veiligheidsraad van 24 maart 2007. Naar aanleiding van de laatstgenoemde resolutie heeft de Raad gemeenschappelijk standpunt 2007/246/GBVB vastgesteld6..
7.
Verordening nr. 423/2007 is door de Raad vastgesteld op basis van gemeenschappelijk standpunt 2007/140.
8.
Artikel 1, onder h) en j), van deze verordening bepaalt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- h)
‘bevriezing van tegoeden’: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van de tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt;
[…]
- j)
‘bevriezing van economische middelen’: het voorkomen van het gebruiken van economische middelen om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren;’
9.
In artikel 7 van die verordening is bepaald:
- ‘1.
Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage IV zijn vermeld, worden bevroren. […]
[…]
- 3.
Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlagen IV en V genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
- 4.
Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen direct of indirect te omzeilen’.
10.
Artikel 8 van dezelfde verordening luidt als volgt:
‘In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die op de in bijlage III vermelde websites worden genoemd, toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een justitieel, administratief of arbitrair retentierecht dat is vastgesteld voor de datum waarop de in artikel 7 bedoelde persoon, entiteit of groep door het Sanctiecomité, de VN-Veiligheidsraad of de Raad van de Europese Unie is aangewezen, of van een justitieel, administratief of arbitrair vonnis dat van vóór die datum dateert;
[…]’.
11.
Bij verordening (EG) nr. 441/2007 van de Commissie van 20 april 2007 tot wijziging van verordening nr. 423/20077. is de naam van Bank Sepah opgenomen in de lijst in bijlage IV bij verordening nr. 423/2007.
12.
Verordening nr. 423/2007 is vervolgens vervangen door verordening nr. 961/2010, waarvoor verordening nr. 267/2012 in de plaats is gekomen, die nog steeds van kracht is. Artikel 1, onder h) en i), en artikelen 16 en 17 van verordening nr. 961/2010, alsmede artikel 1, onder j) en k), en artikelen 23 en 24 van verordening nr. 267/2012 zijn in wezen identiek aan artikel 1, onder h) en j), en artikelen 7 en 8 van verordening nr. 423/2007. Bank Sepah is geplaatst op de lijst van bijlage VII bij verordening nr. 961/2010 en op die van bijlage VIII bij verordening nr. 267/2012. Kortheidshalve zal ik in het vervolg van mijn conclusie alleen verwijzen naar de bepalingen van verordening nr. 423/2007, met dien verstande dat dezelfde rechtsoverwegingen gelden voor de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen.
III. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
13.
Naar aanleiding van resolutie 1747 (2007), die ten uitvoer is gelegd bij gemeenschappelijk standpunt 2007/246 en verordening nr. 441/2007, is Bank Sepah geplaatst op de lijst van entiteiten die betrokken zijn bij Iraanse nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten, waarvan de activa moesten worden bevroren.
14.
Bij vonnis van 26 april 2007 heeft de Cour d'appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) Bank Sepah veroordeeld tot betaling aan Overseas Financial en Oaktree Finance van de tegenwaarde in euro's van het bedrag van, respectievelijk, 2 500 000 Amerikaanse dollars (USD) (ongeveer 2 050 000 EUR) en 1 500 000 USD (ongeveer 1 230 000 EUR), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf dat vonnis.
15.
Nadat Overseas Financial en Oaktree Finance gedeeltelijke betalingen hadden ontvangen, hebben zij de minister van Economische Zaken op 2 december 2011 verzocht om krachtens artikel 8 van verordening nr. 423/2007 toestemming te geven voor de vrijgave van het uitstaande bedrag. Aangezien zij geen antwoord van de minister hadden ontvangen, hebben Overseas Financial en Oaktree Finance een beroep tot nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing van hun verzoek ingesteld. De tribunal administratif de Paris (bestuursrechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) heeft dit beroep afgewezen op grond dat een vrijgave krachtens artikel 8 van deze verordening betrekking moest hebben op een beslissing die vóór 23 december 2006, de datum van vaststelling van resolutie 1737 (2006), was gegeven. De veroordeling van Bank Sepah tot betaling dateert echter van na deze datum.
16.
Gelet op het feit dat na de schrapping, op 23 januari 2016, van de naam van Bank Sepah uit de lijst van entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen8., een administratieve toestemming niet langer nodig was om de verschuldigde betaling te verkrijgen, heeft de Cour administrative d'appel de Paris (bestuursrechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), waarbij hoger beroep was ingesteld, op 21 oktober 2016 de zaak afgedaan zonder beslissing ten gronde9..
17.
Op 17 mei 2016 hebben Overseas Financial en Oaktree Finance betalingsbevelen aan Bank Sepah laten afgeven. Aangezien zij geen enkele betaling hadden ontvangen, hebben zij vervolgens op 5 juli 2016 derdenbeslag en beslag op vennootschappelijke rechten en effecten laten leggen. Bij uitspraak van 9 januari 2017 bekrachtigde de executierechter deze beslagleggingen en het bedrag ervan, waarin de in het vonnis van 26 april 2007 bepaalde rente was begrepen. Bank Sepah is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan, waarbij zij aanvoerde dat zij niet gehouden kon zijn tot betaling van de rente, op grond dat het wegens een geval van overmacht voortvloeiend uit de bevriezing van haar activa bij verordening nr. 423/2007, waardoor de rente was opgeschort, voor haar onmogelijk was geworden om haar schuld te betalen.
18.
Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft de cour d'appel de Paris het hoger beroep van Bank Sepah verworpen en vastgesteld dat er echter een verjaringstermijn van vijf jaar voor de omstandigheden van het geval gold. Volgens deze cour d'appel belette Overseas Financial en Oaktree Finance immers niets om bij wijze van conservatoire maatregel uitvoeringsmaatregelen te treffen die de verjaringstermijn hadden kunnen stuiten. Aangezien dergelijke maatregelen niet waren getroffen vóór de betalingsbevelen van 17 mei 2016, was die cour d'appel van oordeel dat de rente waarop Overseas Financial en Oaktree Finance aanspraak konden maken, derhalve moesten worden beperkt tot de rente die vanaf 17 mei 2011, namelijk vijf jaar vóór die betalingsbevelen, was geaccumuleerd.
19.
Zowel Bank Sepah als Overseas Financial en Oaktree Finance hebben cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Overseas Financial en Oaktree Finance betwisten in het bijzonder het deel van de uitspraak in hoger beroep over de verjaringstermijn van vijf jaar voor de rente.
20.
Met betrekking tot deze kwestie is de verwijzende rechter van oordeel dat de oplossing van het geding afhangt van de vraag of Overseas Financial en Oaktree Finance de verjaring hadden kunnen stuiten door op de bevroren activa van Bank Sepah een conservatoire maatregel of een maatregel tot gedwongen tenuitvoerlegging toe te passen.
21.
De verwijzende rechter wijst er in dit verband op dat noch verordening nr. 423/2007, noch de opeenvolgende verordeningen bepalingen bevatten die een schuldeiser uitdrukkelijk verbieden om op de bevroren goederen van zijn schuldenaar een conservatoire maatregel of een maatregel tot gedwongen tenuitvoerlegging te treffen en dat, gelet op de definitie van het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ in deze verordeningen, niet kan worden uitgesloten dat op bevroren activa maatregelen worden toegepast die onder geen van de verbodsbepalingen in die verordeningen vallen. Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of conservatoire maatregelen die geen directe onttrekkende werking hebben, zoals conservatoire beslagen en gerechtelijke zekerheidstellingen waarin de Franse code des procédures civiles d'exécution (Frans wetboek van tenuitvoerlegging van civielrechtelijke beslissingen; hierna: ‘code des procédures civiles d'exécution’)10. voorziet, zonder voorafgaande toestemming op bevroren activa kunnen worden toegepast.
22.
De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of conservatoire beslagen en gerechtelijke zekerheidstellingen, ook al hebben zij geen directe onttrekkende werking, niet leiden tot een wijziging van de ‘bestemming’ van de tegoeden waarop zij betrekking hebben, in de betekenis die aan dit woord wordt gegeven in de definitie van bevriezing van tegoeden in verordening nr. 423/2007 en in de opeenvolgende verordeningen, en meer in het algemeen, of zij niet de mogelijkheid zouden kunnen bieden om de betrokken tegoeden en economische middelen te ‘gebruiken’, in de betekenis die daaraan in die verordeningen wordt gegeven.
23.
De verwijzende rechter merkt op dat deze maatregelen, doordat zij aan degene die ze toepast de zekerheid geven dat hij, zodra de bevriezing is opgeheven, bij voorrang zal worden betaald uit de goederen, rechten en schuldvorderingen die verhypothekeerd, verpand of bij wijze van conservatoire maatregel in beslag zijn genomen, een marktdeelnemer immers ertoe zouden kunnen aanzetten om een overeenkomst te sluiten met de persoon of entiteit waarvan de activa zijn bevroren, hetgeen erop neer zou komen dat deze laatste de economische waarde van zijn als activa aangemerkte activa gebruikt dan wel tegoeden, goederen of diensten verkrijgt dankzij de economische waarde van zijn als economische middelen aangemerkte activa.
24.
De verwijzende rechter wijst er ten tweede op dat een dergelijk risico in casu echter niet lijkt te bestaan, aangezien de vennootschappen Overseas Financial en Oaktree Finance een schuldvordering trachten in te vorderen die weliswaar is vastgesteld in een rechterlijke beslissing die na de bevriezing van de activa van Bank Sepah is gegeven, maar berust op een grond die niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en die dateert van vóór de instelling van die bevriezing. Volgens de verwijzende rechter rijst dan ook de vraag of de mogelijkheid om op bevroren activa zonder voorafgaande toestemming een maatregel toe te passen, enkel op basis van de aard van de betrokken maatregel moet worden beoordeeld, zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de zaak, dan wel of deze specifieke kenmerken in aanmerking kunnen worden genomen.
25.
In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening [nr. 423/2007], artikel 1, onder i) en h), en artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 961/2010, alsook artikel 1, onder k) en j), en artikel 23, lid 1, van verordening [nr. 267/2012] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op bevroren tegoeden zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit een maatregel zonder directe onttrekkende werking wordt toegepast, zoals een gerechtelijke zekerheidstelling of een conservatoir beslag, waarin de Franse code des procédures civiles d'exécution voorziet?
- 2)
Is het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon of entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren, niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006)?’
IV. Juridische beoordeling
A. Eerste prejudiciële vraag
26.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, zoals omschreven in verordening nr. 423/2007 en de opeenvolgende verordeningen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op bevroren tegoeden zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit een maatregel zonder directe onttrekkende werking, zoals een gerechtelijke zekerheidstelling of conservatoir beslag naar Frans recht, wordt toegepast.
27.
De partijen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, verschillen van mening over het antwoord dat op deze vraag moet worden gegeven. De Franse regering, Overseas Financial en Oaktree Finance stellen dat een toestemming van de bevoegde autoriteit noodzakelijk is alvorens op bevroren tegoeden conservatoire maatregelen zoals die waarop de verwijzende rechter doelt, kunnen worden toegepast. Bank Sepah is van mening dat dergelijke conservatoire maatregelen zonder enige voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit op bevroren tegoeden kunnen worden toegepast. Volgens de Europese Commissie is een voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit niet nodig om op bevroren tegoeden conservatoire maatregelen zoals die waarop de verwijzende rechter doelt, toe te passen, maar dient de partij die dergelijke maatregelen zou willen treffen, deze autoriteit hiervan vooraf en stelselmatig in kennis te stellen.
28.
Het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter vooronderstelt dat de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder h) en j), van verordening nr. 423/2007 en in de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen, worden uitgelegd om de draagwijdte ervan te bepalen. De uitlegging van deze bepalingen moet bedoeld zijn om na te gaan of conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking, zoals die waarop de verwijzende rechter doelt, binnen de werkingssfeer van deze begrippen vallen.
29.
In dit verband breng ik in herinnering dat bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht volgens vaste rechtspraak niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan.11.
30.
Met betrekking tot de letterlijke uitlegging van de betrokken bepalingen zij opgemerkt dat — zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld — noch in verordening nr. 423/2007, noch in de opeenvolgende verordeningen een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om op bevroren tegoeden of middelen conservatoire maatregelen toe te passen. In deze verordeningen zijn de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ echter zeer ruim gedefinieerd om de activa waarover op een lijst geplaatste personen beschikken op de datum waarop zij worden aangewezen, zoveel mogelijk te immobiliseren.
31.
Zo ziet om te beginnen het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ op ‘het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van de tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt’.
32.
Uit deze definitie blijkt uitdrukkelijk dat de bevriezing van tegoeden niet alleen in de weg staat aan maatregelen die de omvang van het vermogen van personen en entiteiten waaraan sancties zijn opgelegd, kunnen wijzigen, maar ook aan transacties met die tegoeden, die uitsluitend de kenmerken of de bestemming ervan wijzigen. Dit toont dus aan dat het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ zich volgens deze definitie mede uitstrekt tot maatregelen die geen directe onttrekkende werking hebben, aangezien zij geen verandering van eigenaar of bezitter van de betrokken tegoeden vooronderstellen.
33.
De middelen waarin is voorzien om dergelijke maatregelen te voorkomen, zijn ruim gedefinieerd en omvatten ‘het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met’ tegoeden. Het gebruik van het onbepaalde voornaamwoord ‘tout’ [in de Franse taalversie van verordening nr. 423/2007] (op enigerlei wijze) wijst er volgens mij op dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om een zeer ruime definitie van het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ te hanteren.
34.
Hieruit volgt dat de definitie van het begrip ‘bevriezing van tegoeden’ zodanig is geformuleerd dat het zich mede uitstrekt tot iedere aanwending van tegoeden die onder meer tot gevolg heeft dat de bestemming van deze tegoeden, met andere woorden de toewijzing, het gebruik of het doel ervan, wordt gewijzigd, zonder dat echter de eigendom of zelfs het bezit van de tegoeden wordt overgedragen. De definitie ziet dus ook op maatregelen voor de aanwending van tegoeden, die geen directe onttrekkende werking hebben.
35.
Voorts is het begrip ‘bevriezing van economische middelen’ in artikel 1, onder j), van verordening nr. 423/2007 en in de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen gedefinieerd als ‘het voorkomen van het gebruiken van economische middelen om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren’.
36.
Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de Uniewetgever ook het begrip ‘bevriezing van economische middelen’ vrij ruim wilde definiëren, hetgeen blijkt uit het gebruik van de woorden ‘het’ en ‘op enigerlei wijze’.
37.
Bovendien bevat deze definitie een — uitdrukkelijk ter illustratie opgenomen en dus niet-uitputtende — lijst van maatregelen die niet mogen worden toegepast op economische middelen; uit de betrokken bepaling volgt uitdrukkelijk dat ‘verhypothekeren’ een van deze maatregelen is. Zoals de Franse regering, Overseas Financial en Oaktree Finance hebben opgemerkt, is het verhypothekeren — naar Frans recht, maar ook in het recht van andere lidstaten12. — een wettelijke, contractuele of gerechtelijke zakelijke zekerheid, die de begunstigde schuldeiser een voorrangsrecht verleent dat vergezeld gaat van een volgrecht, maar geen overdracht van de eigendom of het bezit van het bezwaarde onroerende goed met zich meebrengt. Het betreft dus een maatregel zonder directe onttrekkende werking.
38.
Uit de letterlijke analyse van de betrokken bepalingen blijkt dat zij de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ tamelijk ruim definiëren om zoveel mogelijk economische transacties met betrekking tot bevroren tegoeden en economische middelen binnen het bereik van deze begrippen te brengen. De definities van deze begrippen in die bepalingen zien daarenboven uitdrukkelijk op maatregelen die geen directe onttrekkende werking hebben.
39.
Het vereiste van een ruime uitlegging van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, die maatregelen zonder directe onttrekkende werking ten aanzien van bevroren tegoeden en economische middelen, niet uitsluiten van de werkingssfeer van deze begrippen, wordt overigens bevestigd door de contextuele analyse en de doelstellingen van verordening nr. 423/2007 en de opeenvolgende verordeningen.
40.
Vanuit contextueel oogpunt strookt een dergelijke ruime uitlegging namelijk met de brede strekking van de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007 en de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen die erop gericht zijn alle tegoeden en economische middelen van de betrokken personen en entiteiten te bevriezen.
41.
Die uitlegging strookt ook met de ruime strekking die het Hof aan de begrippen ‘tegoeden en economische middelen’13. en ‘terbeschikkingstelling’14. heeft toegekend in zijn rechtspraak met betrekking tot de toepassing van beperkende maatregelen jegens rechtspersonen en natuurlijke personen voor wie maatregelen tot bevriezing van tegoeden en economische middelen gelden.
42.
Zo blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof dat het begrip ‘tegoeden en economische middelen’ een ruime betekenis heeft, die middelen van elke aard omvat, ongeacht met welk middel zij zijn verkregen.15.
43.
De uitdrukking ‘ter beschikking gesteld’ moet volgens de vaste rechtspraak van het Hof ook ruim worden opgevat en omvat alle handelingen die moeten worden verricht opdat een persoon, een groep of een entiteit ten aanzien waarvan een maatregel tot bevriezing van tegoeden of economische middelen is getroffen, daadwerkelijk de volle beschikkingsbevoegdheid krijgt over de betrokken tegoeden of andere financiële activa of economische middelen.16.
44.
Verder is de in punt 39 hierboven genoemde ruime uitlegging noodzakelijk om te voldoen aan het in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 423/2007 toegelichte vereiste om elke vorm van omzeiling te voorkomen.17.
45.
Vanuit teleologisch oogpunt is de in punt 39 hierboven bedoelde ruime uitlegging van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ in overeenstemming met de doelstellingen van de verordeningen die uitvoering geven aan beperkende maatregelen tot bevriezing van activa, en meer in het bijzonder met de doelstelling die in het kader van de beperkende maatregelen tegen Iran met verordening nr. 423/2007 en de opeenvolgende verordeningen wordt nagestreefd.
46.
Het Hof heeft in het algemeen namelijk vastgesteld dat het doel van de regelingen inzake het bevriezen van activa van personen of entiteiten die ervan verdacht worden betrokken te zijn bij daarmee verband houdende activiteiten, erin gelegen is te verhinderen dat deze personen toegang hebben tot economische of financiële middelen, ongeacht de aard ervan, die zij zouden kunnen gebruiken voor het ondersteunen van deze activiteiten.18. In deze optiek moeten beperkende maatregelen op een zodanige wijze worden opgelegd dat zij het grootst mogelijke effect hebben op diegenen wier gedrag men wenst te beïnvloeden.19.
47.
Voorts moet specifiek met betrekking tot de doelstellingen van verordening nr. 423/2007 en de opeenvolgende verordeningen worden vastgesteld dat zij zorgen voor de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijk standpunt 2007/140, dat is aangenomen om de doelstellingen van resolutie 1737 (2006) in de Europese Unie te verwezenlijken, en dat zij dus strekken tot uitvoering van deze resolutie.20.
48.
Uit de bewoordingen van zowel resolutie 1737 (2006) als gemeenschappelijk standpunt 2007/14021. volgt ondubbelzinnig dat de beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran preventief bedoeld zijn, in die zin dat zij beogen de ontwikkeling van nucleaire proliferatie te verhinderen door op dat land druk uit te oefenen teneinde zijn proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten stop te zetten.22.
49.
Met maatregelen tot bevriezing van tegoeden en economische middelen moet dus worden vermeden dat activa waarop een bevriezingsmaatregel van toepassing is, kunnen worden gebruikt voor het verkrijgen van tegoeden, goederen of diensten die kunnen bijdragen tot de nucleaire proliferatie in Iran, hetgeen resolutie 1737 (2006), gemeenschappelijk standpunt 2007/140 en verordening 423/2007 trachten tegen te gaan.23.
50.
Om deze doeleinden te bereiken is het niet alleen legitiem, maar ook absoluut noodzakelijk dat een ruime uitlegging wordt gegeven aan de definitie van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, omdat iedere aanwending van bevroren activa waarmee de aan de orde zijnde verordeningen kunnen worden omzeild en de zwakke plekken van de regels kunnen worden uitgebuit, moet worden vermeden.24.
51.
Zowel de verwezenlijking van de door verordening nr. 423/2007 en de opeenvolgende verordeningen nagestreefde doelstelling als de noodzaak om de nuttige werking van deze verordeningen in de strijd tegen de nucleaire proliferatie in Iran te waarborgen, pleit dus voor een ruime uitlegging van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, die conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking niet uitsluit van hun werkingssfeer.25. A contrario dreigt een restrictieve uitlegging van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’, die het mogelijk maakt dat conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking zonder voorafgaande toestemming ten uitvoer worden gelegd, afbreuk te doen aan de doeltreffendheid en het nuttige effect van beperkende maatregelen tot bevriezing.
52.
In casu staat het aan de verwijzende rechter om concreet vast te stellen of de maatregelen waarop hij doelt, met name de gerechtelijke zekerheidstelling en het conservatoire beslag waarin de nationale wetgeving voorziet, behoren tot de conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking die binnen de werkingssfeer van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ vallen, zodat zij niet zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit kunnen worden getroffen.
53.
Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak echter dat het Hof, in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin artikel 267 VWEU voorziet, op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht kan verschaffen, die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht.26. Tegen deze achtergrond acht ik de volgende opmerkingen van belang.
54.
In de eerste plaats blijkt uit het voorgaande dat het feit dat de conservatoire maatregelen waarop deze prejudiciële vraag betrekking heeft, geen directe onttrekkende werking hebben, niet in de weg staat aan de toepassing van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ en dus van verordening nr. 423/2007.
55.
In de tweede plaats lijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens te volgen dat de betrokken conservatoire maatregelen leiden tot een wijziging van de bestemming van de tegoeden waarop zij betrekking hebben.
56.
Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, impliceert het conservatoire beslag naar Frans recht immers een specifieke bestemming van de in beslag genomen goederen en het recht om ten opzichte van de andere schuldeisers op een bestaand of toekomstig roerend goed of een geheel van bestaande of toekomstige roerende lichamelijke zaken bij voorrang te worden betaald. Aldus opgevat lijkt deze conservatoire maatregel de bestemming van de in beslag genomen goederen vast te leggen.
57.
Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de gerechtelijke zekerheidstelling, net zoals het conservatoire beslag, tot gevolg heeft dat in geval van verkoop van de goederen of rechten waarop zij is gevestigd, de schuldvordering van degene die de zekerheid heeft gesteld, bij voorrang moet worden voldaan met de verkoopprijs.
58.
Bijgevolg kan worden aangenomen dat activa waarop een gerechtelijke zekerheid is gevestigd, aangezien zij zijn bezwaard met een voorrangsrecht, dienen tot zekerheid van de betaling van de gewaarborgde schuldvordering. De gerechtelijke zekerheidstelling lijkt dus ook te leiden tot een wijziging van de bestemming van de bevroren tegoeden.
59.
In de derde plaats, aangezien conservatoire beslagen en gerechtelijke zekerheidstellingen met betrekking tot bevroren activa een schuldeiser de zekerheid geven dat hij zal worden betaald zodra is voldaan aan de voorwaarden voor vrijgave van deze tegoeden of economische middelen, lijken die maatregelen ook een aanwending te kunnen vormen van de activa waarop zij kunnen worden toegepast.
60.
Aangezien deze maatregelen waarborgen dat de persoon die ze uitvoert, bij voorrang zal worden betaald zodra de activa zijn vrijgegeven, zou een marktdeelnemer immers kunnen beslissen om een overeenkomst te sluiten met de persoon of entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren, op grond van de overweging dat de mogelijkheid om conservatoire maatregelen te treffen in zekere mate een waarborg biedt dat die persoon of entiteit haar betalingsverplichting uit hoofde van deze overeenkomst zal nakomen.
61.
Dergelijke conservatoire maatregelen lijken de persoon of entiteit waaraan een sanctie is opgelegd, dus in staat te stellen om de economische waarde van haar bevroren activa te benutten, hetgeen kan worden beschouwd als aanwending van haar bevroren tegoeden of bevroren economische middelen om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen.
62.
In de vierde plaats moet worden opgemerkt dat de gevolgen van gerechtelijke zekerheidstellingen sterk gelijken op die van een hypotheek, aangezien zij, net zoals de hypotheek, geen directe onttrekkende werking hebben, maar de schuldeiser het recht verlenen om bij voorrang te worden betaald met de verkoopprijs. Zoals in punt 37 van de onderhavige conclusie is opgemerkt, vermelden artikel 1, onder j), van verordening nr. 423/2007 en de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen het verhypothekeren van economische middelen als een van de handelingen die wegens de bevriezing van die economische middelen uitdrukkelijk zijn verboden.
63.
Kortom, mijns inziens volgt uit de voorgaande overwegingen dat op de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord dat artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007, artikel 1, onder i) en h), en artikel 16, lid 1, van verordening nr. 961/2010, alsmede artikel 1, onder k) en j), en artikel 23, lid 1, van verordening nr. 267/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op bevroren tegoeden of economische middelen zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking worden toegepast. Het staat aan de verwijzende rechter om concreet vast te stellen of de gerechtelijke zekerheidstelling en het conservatoire beslag waarin het nationale recht voorziet, behoren tot de conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking waarvoor een voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit is vereist.
B. Tweede prejudiciële vraag
64.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag van belang is dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon of entiteit waarvan de activa zijn bevroren, niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006).
65.
De verwijzende rechter wijst er namelijk op dat de grond van de schuldvordering in kwestie bestaat in een rechterlijke beslissing die na de bevriezing van de activa van Bank Sepah is gegeven, maar dat deze grond niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór de instelling van deze bevriezing.
66.
In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat noch in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 423/2007, noch in de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen in geval van bevriezing van tegoeden en economische middelen enig onderscheid wordt gemaakt op basis van de grond voor de aanwending van de bevroren activa door de persoon in kwestie en met name op basis van de grond van de schuldvordering die moet worden ingevorderd bij de persoon op wie deze beperkende maatregelen van toepassing zijn.
67.
De definities van de begrippen ‘bevriezing van tegoeden’ en ‘bevriezing van economische middelen’ in artikel 1, onder h) en j), van verordening nr. 423/2007 en de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen maken evenmin een onderscheid op basis van de grond van die schuldvordering.
68.
In deze omstandigheden moet de mogelijkheid om op bevroren activa een maatregel zoals een conservatoire maatregel toe te passen, mijns inziens enkel worden beoordeeld aan de hand van de rechtsgevolgen die deze maatregel volgens de tekst van de relevante verordeningen teweegbrengt. Deze mogelijkheid mag echter niet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke kenmerken van de schuldvordering die door die maatregel moet worden beschermd.
69.
Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, dat ik in de punten 26 tot en met 63 van de onderhavige conclusie heb uiteengezet, vloeit dus voort uit de aard en de gevolgen van, ten eerste, de bevriezing van tegoeden en economische middelen en, ten tweede, de voorgenomen conservatoire maatregelen, zonder dat de kenmerken of de aard van de schuldvordering in kwestie relevant waren voor de analyse.
70.
Zoals de Franse regering in haar opmerkingen terecht heeft benadrukt, bestaat overigens het gevaar dat bij de marktdeelnemers en toezichthoudende autoriteiten grote onzekerheid ontstaat wanneer de voorgenomen maatregel niet vanwege zijn rechtsgevolgen wordt beoordeeld, maar op basis van de specifieke kenmerken van de schuldvordering die deze maatregel beoogt te beschermen.
71.
De instellingen-depositaris van de rekeningen van personen en entiteiten op wie een bevriezingsmaatregel van toepassing is, zouden namelijk in een situatie kunnen terechtkomen waarin het onmogelijk is om vast te stellen of de tot hen gerichte conservatoire maatregel is toegestaan, omdat deze beoordeling zou afhangen van de aard van de schuldvordering die de maatregel beoogt te beschermen en van de relaties tussen de aanvrager en de persoon van wie de activa zijn bevroren. Een dergelijke onzekere situatie zou kunnen leiden tot talrijke geschillen bij de nationale rechterlijke instanties.
72.
In verordening nr. 423/2007 en de opeenvolgende verordeningen zijn overigens de omstandigheden uitputtend opgesomd waarin bepaalde maatregelen waarvan het effect indruist tegen de bevriezing van activa — zoals conservatoire maatregelen — zouden kunnen worden toegestaan door de bevoegde nationale autoriteiten.
73.
De artikelen 8 en volgende van verordening nr. 423/2007 en de overeenkomstige bepalingen van de opeenvolgende verordeningen vormen derhalve de enige rechtsgrondslagen op basis waarvan toestemming kan worden gegeven voor een dergelijke vrijgave. De duidelijk opgesomde uitzonderingen moeten strikt worden uitgelegd, in die zin dat een persoon die zich niet in een van de in die bepalingen bedoelde omstandigheden bevindt, niet kan verlangen dat maatregelen worden getroffen die in strijd zijn met de bepalingen inzake bevriezing van tegoeden en economische middelen.
74.
De omstandigheid dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd, niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006), behoort kennelijk niet tot de omstandigheden die een door de opeenvolgende verordeningen in het leven geroepen uitzondering op de bevriezingsregeling rechtvaardigen. Hieruit volgt dat de onmogelijkheid, wegens de bevriezing van de activa, om maatregelen zonder directe onttrekkende werking, zoals gerechtelijke zekerheidstellingen of conservatoire beslagen, te treffen, in het onderhavige geval niet kan afhangen van de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon of entiteit waarvan de activa zijn bevroren.
75.
Uit een en ander volgt mijns inziens dat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter aldus moet luiden dat het voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag niet van belang is dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon of entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren, niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006).
V. Conclusie
76.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Cour de cassation als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, artikel 1, onder i) en h), en artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007, en artikel 1, onder k) en j), en artikel 23, lid 1, van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op bevroren tegoeden of economische middelen zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking worden toegepast. Het staat aan de verwijzende rechter om concreet vast te stellen of de gerechtelijke zekerheidstelling en het conservatoire beslag waarin het nationale recht voorziet, behoren tot de conservatoire maatregelen zonder directe onttrekkende werking waarvoor een voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit is vereist.
- 2)
Voor de beantwoording van de eerste vraag is het niet van belang dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon of entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren, niets vandoen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006) van 23 december 2006 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑06‑2021
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2007, L 103, blz. 1.
Verordening van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1).
Verordening van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1).
PB 2007, L 61, blz. 49.
Gemeenschappelijk standpunt van 23 april 2007 tot wijziging van gemeenschappelijk standpunt 2007/140 (PB 2007, L 106, blz. 67).
PB 2007, L 104, blz. 28.
Zie artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2016/74 van de Raad van 22 januari 2016 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2016, L 16, blz. 6).
In het kader van het hoger beroep tegen de beslissing van de tribunal administratif de Paris heeft de cour administrative d'appel de Paris het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd over de rechtsgeldigheid van artikel 17 van verordening 961/2010, dat in wezen op dezelfde wijze is verwoord als artikel 8 van verordening nr. 423/2007. Ingevolge de schrapping van de naam van Bank Sepah uit de lijst van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, heeft het Hof bij beschikking van 23 maart 2016, Overseas Financial en Oaktree Finance (C-319/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:268), de zaak afgedaan zonder beslissing.
Volgens artikel 523 van de code des procédures civiles d'exécution heeft conservatoir beslag op schuldvorderingen de werking van een consignatie als bedoeld in artikel 2350 van het Frans burgerlijk wetboek, die een specifieke bestemming van het in beslag genomen goed impliceert en het recht verleent om ten opzichte van de andere schuldeisers op een bestaand of toekomstig roerend goed of een geheel van bestaande of toekomstige roerende lichamelijke zaken, bij voorrang te worden betaald. De verwijzende rechter merkt op dat conservatoire beslagen geen directe onttrekkende werking hebben, voor zover de in beslag genomen goederen, schuldvorderingen en rechten blijven behoren tot het vermogen van de schuldenaar. Volgens artikel 531 van dit wetboek kan een gerechtelijke zekerheidstelling worden gevestigd op onroerende goederen (hypotheek), handelszaken, aandelen, deelbewijzen en vastgoedactiva (pandstelling); volgens hetzelfde artikel kunnen goederen waarop een gerechtelijke zekerheidstelling is gevestigd, nog steeds worden overgedragen. Een gerechtelijke zekerheidstelling heeft tot gevolg dat in geval van verkoop van de goederen of rechten waarop die is gevestigd, de schuldvordering van degene die de zekerheid heeft gesteld, bij voorrang moet worden voldaan met de verkoopprijs. Volgens de verwijzende rechter heeft deze conservatoire maatregel, net zoals conservatoir beslag, geen onttrekkende werking, aangezien zij geen verplichting inhoudt voor de eigenaar van de betrokken goederen of rechten om deze te verkopen en geen afbreuk doet aan zijn recht om te kiezen aan wie hij ze zal verkopen.
Zie met name arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság (C-924/19 PPU en C-925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de artikelen 2393 e.v. van het Frans burgerlijk wetboek. Zie bijvoorbeeld voor het Italiaanse recht ook artikelen 2808 e.v. van de Codice civile (burgerlijk wetboek); voor het Spaanse recht, artikelen 187 e.v. van de Código Civil (burgerlijk wetboek) en artikelen 104 e.v. van de Ley Hipotecaria (hypotheekwet), en voor het Duitse recht, artikelen 1113 e.v. van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek).
Gedefinieerd in artikel 1, onder g) en i), van verordening nr. 423/2007. Zie ook artikel 1, onder f) en j), van verordening nr. 961/2010 en artikel 1, onder h) en l), van verordening nr. 267/2012.
Volgens artikel 7, lid 3, van verordening nr. 423/2007, ‘worden [er] geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlagen IV en V genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen’. Zie ook artikel 16, lid 3, van verordening nr. 961/2010 en artikel 23, lid 3, van verordening nr. 267/2012, die een soortgelijke bepaling bevatten.
Zie naar analogie arresten van 29 juni 2010, E en F (C-550/09, EU:C:2010:382, punt 69), en 17 januari 2019, SH (C-168/17, EU:C:2019:36, punt 53).
Zie naar analogie arresten van 11 oktober 2007, Möllendorf en Möllendorf-Niehuus (C-117/06, EU:C:2007:596, punten 50 en 51); 29 juni 2010, E en F (C-550/09, EU:C:2010:382, punten 66 en 67), en 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 40).
Over dit vereiste: zie arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin en naar analogie bijvoorbeeld arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punt 169), en 29 april 2010, M e.a. (C-340/08, EU:C:2010:232, punt 54).
Zie in dit verband punt 6 van de door de Raad van de Europese Unie op 7 juni 2004 aangenomen fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen, 10198/1/04, waarvan de tekst beschikbaar is op het volgende adres: https://www.consilium.europa.eu/nl/policies/sanctions/.
Zie overweging 3 van verordening nr. 423/2007, overweging 4 van verordening nr. 961/2010 en overweging 25 van verordening nr. 267/2012. Uit de rechtspraak volgt dat bij de uitlegging van die verordeningen derhalve rekening moet worden gehouden met de tekst en het voorwerp van resolutie 1737 (2006). Zie naar analogie arrest van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, EU:C:2011:735, punten 102 en 103).
Zie met name punten 2 en 12 van resolutie 1737 (2006) en overwegingen 1 en 9 van gemeenschappelijk standpunt 2007/140.
Zie in die zin arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 44).
Zie in die zin arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 46).
Zie in die zin punt 48 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:737).
Zie in die zin arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C-72/11, EU:C:2011:874, punt 54).
Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria (C-83/14, EU:C:2015:480, punt 71).