Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, op 1 februari 2023 en 7 maart 2023.
HR, 14-10-2025, nr. 23/01238
ECLI:NL:HR:2025:1508
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/01238
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1508, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:2386
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:761
ECLI:NL:PHR:2025:761, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1508
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Onderzoek “sprinkhaan”. Medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr) en medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklachten witwassen m.b.t. panden/onroerend goed en geldbedragen en bewijsklacht valsheid in geschrift. 2. Afwijzing van ttz. in hoger beroep herhaaldelijk gedaan (voorwaardelijk) verzoek tot horen van medeverdachte als getuige, op de grond dat het onaannemelijk is dat getuigenverhoor binnen aanvaardbare termijn zal kunnen plaatsvinden, art. 288.1.a Sv. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01238
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2023, nummer 21-003477-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.Th. Nooitgedagt bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Witwassen en valsheid in geschrift. In M1 wordt geklaagd over de motivering van de bwv, in M2 over de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een medeverdachte. Beide middelen falen (art. 81 RO). M3 houdt in dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden (schending inzendtermijn door het hof). Dat middel slaagt. Ambtshalve opmerking over de redelijke (behandel)termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01238
Zitting 8 juli 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 21 maart 2023 (parketnummer 21-003477-13) voor het meermalen medeplegen van witwassen (feiten 1 en 2) en het meermalen medeplegen van valsheid in geschrift (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
1.2
Het cassatieberoep is op 29 maart 2023 ingesteld namens de verdachte. Bij schriftuur van 11 november 2024 heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de bewijsvoering. In het tweede middel wordt geklaagd over de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van een medeverdachte. Het derde middel ziet op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
1.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. De zaak
2.1
De verdachte is één van de verdachten in de zaak c.q. het onderzoek ‘Sprinkhaan’, een onderzoek naar grootschalige internationale drugshandel en daaraan gerelateerde witwaspraktijken en andere strafbare feiten in de periode 2003-2008. De verdachte wordt verweten samen met zijn halfbroer ( [medeverdachte] ) zeer aanzienlijke bedragen aan drugsgeld van die halfbroer te hebben witgewassen door:
- zijn Marokkaanse bankrekeningen ter beschikking te stellen voor het storten van grote geldbedragen;
- ervoor te zorgen dat deze gelden konden worden geïnvesteerd in onder andere onroerend goed in Nederland;
- valse leenovereenkomsten op te maken waarmee zijn halfbroer (medeverdachte) kon voorwenden dat hij beschikte over legaal geleende gelden, terwijl dat in werkelijkheid drugsgeld was.
2.2
In eerste aanleg is de verdachte door de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, bij vonnis van 21 februari 2013, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
3. De bewezenverklaring en de bewijsvoering
3.1
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezen verklaard dat:
“1.
hij in de periode van 01 januari 2003 tot en met 23 april 2006, te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorwerpen en geldbedragen, te weten een hoeveelheid geld en een hoeveelheid goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat geld en die goederen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf
betreffende die goederen:
1.1.
panden/onroerend goed gelegen aan de [a-straat 1] , [a-straat 2] en [a-straat 3] [plaats] en
1.2.
panden/onroerend goed gelegen aan de [b-straat 1] en [b-straat 2] te [plaats] en
1.3.
pand(en)/onroerend goed gelegen aan de [c-straat 1] [plaats] en
betreffende die geldbedragen:
1.4.
grote bedragen (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirhams) welke op enig moment zijn gestort op de rekening(en) van [verdachte] bij de BMCE-bank tot een bedrag van 1.030.146,02 euro en
1.5.
grote bedragen (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirhams) welke op enig moment zijn gestort en/of overgemaakt op de rekening(en) van [verdachte] bij de Attijariwafabank, rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer 1] tot een totaalbedrag van 1.694.787,01 euro;
2.
hij in de periode van 24 april 2006 tot en met 1 juli 2008, te [plaats] en [plaats] (Spanje) en te [plaats] (Marokko) en te [plaats] (Marokko) en/of elders in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een voorwerp en geldbedragen, te weten een goed en geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp, goed en die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf
betreffende het goed:
2.1.
onroerend goed gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] en
betreffende die geldbedragen:
2.2.
grote bedragen (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirhams) welke op enig moment zijn gestort en/of overgemaakt op de rekening(en) van [verdachte] (verdachte) bij de Crédit Agricole, eindigend op [rekeningnummer 2] en/of [rekeningnummer 3] tot een (totaal)bedrag van 8.725.851,46 euro respectievelijk 1.450.000 euro en
2.3.
geldbedragen tot een bedrag van 396.812,36 euro (in vreemde valuta, anders dan Marokkaans Dirhams) welke op enig moment zijn gestort op de rekening van [verdachte] (verdachte) bij de Crédit Immobilier et Hôtelier, eindigend op [rekeningnummer 4] en
2.4.
grote geldbedragen welke op enig moment zijn gestort en/of overgemaakt op rekening van [verdachte] (verdachte) bij de Crédit Immobilier et Hôtelier, eindigend op [rekeningnummer 5] tot een totaalbedrag van 998.245,53 euro en
2.5.
geldbedragen welke op enig moment zijn overgemaakt en/of gestort op rekening van [betrokkene 1] bij de Crédit Immobilier et Hôtelier, eindigend op [rekeningnummer 6] ;
3.
hij in of omstreeks de periode van de maand december 2003 tot en met juli 2005 te [plaats] en te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander leenovereenkomsten tussen enerzijds verdachte als uitlener en anderzijds [medeverdachte] als lener, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, telkens valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande de valsheid hierin dat de leenovereenkomsten in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof verdachte daadwerkelijk geld heeft uitgeleend aan [medeverdachte] .”
3.2
Op de terechtzitting van 1 februari 2023 heeft de raadsman van de verdachte volgens het van die zitting opgemaakt proces-verbaal1.het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Die pleitnota houdt wat betreft de bewijsvraag – met weglating van een voetnoot – onder meer het volgende in:
“Het vonnis van de Rechtbank lijkt gedetailleerd (…).
Uiteindelijk berust de motivering van het vonnis op aannames en speculaties die niet (in voldoende mate) worden gedragen door de feiten.
Dat geldt in het bijzonder voor de "vaststellingen" dat de gelden die gestort zijn op de rekeningen van [verdachte] afkomstig zijn van [medeverdachte] en mitsdien afkomstig zijn misdrijf.
Het kan niet blijken uit de bankafschriften of enig ander stuk. Het kan niet blijken uit
telefoontaps, verklaringen of andere bewijsmiddelen.
Voorzover een "koppeling" wordt gemaakt met de zogenaamde "Hashboekhouding", is geen
van de genoemde bedragen uit die boekhouding gelijk aan de gestorte gelden.
Niet blijkt uit die boekhouding dat die gelden zijn vervoerd naar Marokko, gestort zijn [op] een
rekening van [verdachte] of dat [verdachte] "begunstigde" is van die gelden. [verdachte]
komt er niet in voor.
De stelling dat de gestorte bedragen (voorts) door [medeverdachte] , [verdachte] of aan hen
gerelateerde personen in contanten naar Marokko zijn vervoerd, ontbeert bewijs.
Niet blijkt dat de genoemde personen met betrekking tot de in- en uitreis ooit met grote
geldbedragen (van [medeverdachte] en/of [verdachte] ) zijn aangehouden of contante gelden hebben
vervoerd.
Niet blijkt dat, voorzover het derden betreft, zij [medeverdachte] of [verdachte] in Marokko hebben
ontmoet en dat zij toen en daar grote geldbedragen hebben overhandigd.
Niet blijkt dat anderen, in het bijzonder genoemde personen, de onderhavige stortingen
hebben gedaan. (Los van het feit dat een ieder kan storten op een bankrekening van een
ander.)
Het onderzoek is blijven steken in criminaliserende en suggestieve stellingen, veelal uit het
ongerijmde, over de in het dossier genoemde herkomst van gelden, de daarin beschreven
financiële transacties, leningen en handel met contante gelden daaronder begrepen, maar
er is geen onderzoek gedaan naar de financiële cultuur in Marokko in het bijzonder niet met
betrekking tot het wisselen van valuta, het gebruik van cashgeld en het verstrekken van
leningen (zo blijkt onder meer uit de verklaring van [verbalisant] ).
Ten aanzien van alle bedragen die beweerdelijk op de rekeningen van [verdachte] zouden
zijn gestort, blijkt nergens dat die afkomstig zouden zijn van [medeverdachte] en/of enig misdrijf.
Over het gebrek aan redengevendheid, de onvolledigheid en de gebleken onjuistheid van de in- en uitreis gegevens, is in de pleitnotities in eerste aanleg uitgebreid stilgestaan. Evenzo als dat
er geen verband kan worden gelegd tussen de stortingen en die gegevens.
Beschouwen wij de "analyse" van de verbalisanten dan volgt daaruit dat deze het niveau van
speculatie niet overstijgt en dat bovendien de beweerdelijk opgenomen bedragen niet
overeenkomen met de gestorte bedragen.”2.
3.3
Volgens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman aan zijn pleidooi nog onder meer het volgende toegevoegd:
“De kern van de zaak is dat er gelden zijn die volgens het OM afkomstig zijn van door [medeverdachte] gepleegde misdrijven, te weten de handel in hasj en het witwassen van de opbrengsten daarvan. Dat zijn echter slechts speculaties. Dat het geld naar Marokko zou zijn gebracht, bijvoorbeeld door koeriers, is verder volstrekt niet onderbouwd.
Over de geleende bedragen is al veel gezegd. De rechtbank stelt in haar vonnis dat het geld van [medeverdachte] was, dat er een constructie is bedacht en dat in die constructie de valsheid besloten ligt. Alles is echter via reguliere banken en de notaris verlopen. Daar is niets schimmigs aan.”
3.4
Het hof heeft zeer uitgebreid stilgestaan bij het beschikbare bewijs van witwassen (waaronder de zogenoemde ‘hasjboekhouding’) en valsheid in geschrift. Het heeft daarbij ook ten aanzien van de verschillende deelfeiten, zo nodig uitgesplitst, aandacht besteed aan de verweren en standpunten van de verdediging. Verder zijn (algemene) overwegingen gewijd aan het bewijzen van witwassen in algemene zin, het gebruik van witwastypologieën en de betekenis van de afwezigheid van een aannemelijke (onderbouwde) verklaring van de verdachte ten aanzien van de herkomst van gelden en het grote verschil tussen (legale) inkomsten en stortingen. Kortheidshalve verwijs ik hiervoor naar p. 19-60 van het arrest.3.
4. Het eerste middel
4.1
Het eerste middel is gericht tegen de bewijsvoering. Als ik het goed zie dan wordt in dit middel met drie deelklachten opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3.
4.2
Bij de bespreking van het middel stel ik voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De toets in cassatie is in die zin beperkt dat de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van omstandigheden slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.4.
De eerste deelklacht
4.3
Met de eerste deelklacht wordt opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van feit 1, voor zover betrekking hebbend op het witwassen van panden/onroerend goed in [plaats] en [plaats] . De bewezenverklaring hiervan kan volgens de steller van het middel niet volgen uit de bewijsmiddelen; hieruit zou slechts volgen dat de verdachte leningen heeft verstrekt aan een medeverdachte. “Van de bewezenverklaarde handelingen ten aanzien van [de] panden ontbreekt ieder bewijs.”
4.4
Het hof is, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen waarnaar nadrukkelijk wordt verwezen, niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat de handelingen van de verdachte zijn aan te merken als witwashandelingen. Vanaf p. 52 van het arrest, onder het kopje ‘Nederlands onroerend goed, deelfeiten 1.1, 1.2, 1.3’, gaat het hof uitgebreid in op het bewijs van witwassen van de betreffende panden. Daarbij heeft het hof ook aandacht besteed aan de afwezigheid van aannemelijke verklaringen, de gehanteerde werkwijze en de herkomst van het geld. Het oordeel van het hof (mede inhoudende dat het niet zozeer ging om het slechts onschuldig verstrekken van leningen als wel om witwashandelingen) dat genoegzaam uit de bewijsmiddelen volgt, is ook toereikend gemotiveerd. Zonder nadere toelichting van de steller van het middel kom ik niet tot een andere beoordeling.
4.5
De eerste deelklacht is tevergeefs voorgesteld.
De tweede deelklacht
4.6
De tweede deelklacht is gericht tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 voor zover betrekking hebbend op het witwassen van gelden. Volgens de steller van het middel is niet in voldoende mate gereageerd op ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
4.7
Als gezegd (onder 3.4) heeft het hof zeer uitgebreid stilgestaan bij diverse (ook door de verdediging aan de orde gestelde) bewijskwesties. Daargelaten dat het hof in de relevante passages van het pleidooi (zie hiervoor, onder randnummers 3.2 en 3.3) niet onbegrijpelijk geen ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ heeft herkend over specifiek het (ontbreken van) bewijs van het (medeplegen van) witwassen van geldbedragen, heeft te gelden dat het hof er niet toe is gehouden in te gaan op elk onderdeel van wat door de verdediging naar voren is gebracht.
4.8
Ook de tweede klacht is tevergeefs voorgesteld.
De derde deelklacht
4.9
De derde deelklacht is gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 3 (medeplegen van valsheid in geschrift). Het hof heeft geoordeeld “dat [medeverdachte] feitelijk zijn eigen geld van verdachte ‘terug leende’ waardoor de geldleningen fictief en in strijd met de werkelijkheid waren. Gezien deze gang van zaken is het hof van oordeel dat de leenovereenkomsten 1, 2 en 6 opzettelijk in strijd met de waarheid en dus valselijk ten behoeve van [medeverdachte] zijn opgemaakt. Gezien de gezamenlijke opzet is sprake van medeplegen van het valselijk opmaken door [medeverdachte] en verdachte.” De steller van het middel brengt (zonder nadere toelichting) naar voren dat dat oordeel niet uit de bewijsmiddelen volgt en/of niet toereikend is gemotiveerd.
4.10
Het oordeel van het hof staat niet op zichzelf. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte verschillende leenovereenkomsten tussen hem en [medeverdachte] heeft opgemaakt (welke vaststelling overigens niet is bestreden). Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte over de leenovereenkomsten heeft verklaard “dat hij geld aan [medeverdachte] heeft geleend tegen zeven leenovereenkomsten, zodat [medeverdachte] zijn handel in het buitenland kon financieren.” Het hof vervolgt: “De voorwaarden waren dat [medeverdachte] hem het geld zou terugbetalen, hem zou informeren over de bestemming van het geld en dat zij de winst zouden verdelen. Het geld dat hij heeft uitgeleend, was afkomstig uit zijn inkomsten, zijnde winsten uit zijn bedrijven. Verdachte verklaarde tevens dat hij van zijn rekening bij de BMCE bedragen van € 139.287,88, € 550.000,- en € 120.000,- heeft overgemaakt op bankrekeningen van notariskantoren ten behoeve van de aankoop van onroerend goed voor en door [medeverdachte] . De overige bedragen heeft hij contant aan [medeverdachte] geleend.” Na een overzicht van stortingen en (door de verdachte erkende) overboekingen stelt het hof vast dat “(a)an al deze door verdachte beweerdelijk aan [medeverdachte] geleende gelden (…) contante stortingen op verdachtes rekeningen vooraf (gingen), hetgeen blijkt uit een chronologische vergelijking van stortingen en betalingen.” Tegen de achtergrond bezien van hetgeen is overwogen omtrent het storten van grote bedragen welke op enig moment zijn gestort op de rekening(en) van de verdachte bij de BMCE-bank tot een bedrag van € 1.030.146,01 (‘Feit 1.4’) en over stortingen op bankrekeningen in meer algemene zin – namelijk dat bewezen is dat het geld dat is gestort op de bankrekening van de verdachte, is gestort door [medeverdachte] , verdachte en anderen, alsmede dat het geld afkomstig is uit de hasjhandel van [medeverdachte] – en gelet op de afwezigheid van een aannemelijke, geloofwaardige verklaring van de verdachte, heeft het hof niet onbegrijpelijk tot zijn oordeel kunnen komen dat de geldleningen fictief waren. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Zonder nadere toelichting van de steller van het middel kom ik ook ten aanzien van dit feit niet tot een andere beoordeling.
4.11
De derde deelklacht is eveneens tevergeefs voorgesteld.
Slotsom ten aanzien van het eerste middel
4.12
Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Het tweede middel
5.1
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld tot afwijzing van het (herhaaldelijk) en bij eindpleidooi voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van [medeverdachte] onder de samenvattende conclusie dat het ondervragingsrecht en het recht op een eerlijk proces zich er in de gegeven omstandigheden niet tegen verzetten dat einduitspraak wordt gedaan, ondanks dat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad [medeverdachte] als getuige te ondervragen”.
5.2
In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het niet kunnen horen van [medeverdachte] is terug te voeren op “onbegrijpelijk(e) en stuitend(e)” “berusting (…) door de Staat der Nederlanden” in het gegeven dat “de rechtshulpverdragen met Marokko illusoir en een fictie zijn” en op “opportunisme of zwakte van de Staat der Nederlanden in de omvangrijke bilaterale verhoudingen met Marokko” en dat “dat opportunisme of die zwakte niet ten nadele van de verdachte (kan) worden gebezigd”.
5.3
Art. 288 lid 1 onder a Sv luidt:
“De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.”
5.4
In zijn arrest van 29 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156) heeft de Hoge Raad over deze bepaling en over de toepassing daarvan in de context van art. 6 EVRM het volgende overwogen:
“2.4.3. (…) Bij de toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Op het moment dat zo’n beslissing moet worden genomen, zal ook niet steeds vaststaan wat de betekenis en het gewicht van de verklaring van de getuige zijn of kunnen zijn voor onder meer de beantwoording van de bewijsvraag en daarmee wat het concrete belang van de verdachte is om die getuige te (doen) ondervragen.
2.4.4.
Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in.
2.4.5.
Waar het gaat om zogenoemde “prosecution witnesses” houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een “good reason for the witness’s non-attendance” bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in “the witness’s absence owing to unreachability”. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door - kort gezegd - de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Het EHRM heeft hierover het volgende overwogen in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10):
“120. In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/05, § 78, 10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Poland, no. 14932/09, §§ 65 and 66, 4 June 2013). The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which require the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lučić v. Croatia, no. 5699/11, § 79 , 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lučić, cited above, § 79 ).
121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Prăjină v. Romania, no. 5592/05, § 47, 7 January 2014; and Lučić, cited above, § 79 ) and must, as a rule, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, cited above, § 83; Fąfrowicz, cited above, § 56; Lučić, cited above, § 80; and Nikolitsas, cited above, § 35).”
2.4.6.
Als de rechter een door een getuige al afgelegde belastende verklaring voor het bewijs wil gebruiken, terwijl de verdediging ondanks het nodige initiatief niet het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, moet de rechter nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Van belang hierbij zijn, naast (i) het bestaan van een goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragings-gelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2.)
2.4.7.
Waar het gaat om zogenoemde “defence witnesses” moet, als een toereikend gemotiveerd verzoek wordt gedaan om een getuige te horen, de relevantie van een verklaring van die getuige worden betrokken bij de beslissing of de getuige wordt gehoord. Dat staat er echter niet aan in de weg dat, als erop zichzelf toereikende gronden zijn om de getuige te horen, het oproepen van de getuige toch achterwege blijft vanwege “the witness’s unreachability”. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat daarbij andere maatstaven zouden gelden dan onder 2.4.5 zijn geciteerd. Wel zal de rechter in dat geval moeten beoordelen of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (zie onder meer EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 42-43 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931).”5.
5.5
Het hof heeft in de onderhavige zaak zeer uitgebreid stilgestaan bij de (on)mogelijkheden om medeverdachte/halfbroer [medeverdachte] (die zelf een lange gevangenisstraf uitzit in Marokko) te horen als getuige. Ik verwijs hier kortheidshalve naar p. 7-19 van het arrest, onder het kopje ‘Voorwaardelijk getuigenverzoek betreffende [medeverdachte] ’. Er zijn sinds mei 2009 veel pogingen gedaan en verschillende varianten van horen voorgesteld (variërend van horen door middel van een rogatoire commissie en door middel van videoconferentie, tot overbrenging naar Nederland), maar deze pogingen bleken niet succesvol. Diverse omstandigheden hebben ertoe geleid dat het hof tot de slotsom is gekomen dat het onaannemelijk is dat een getuigenverhoor binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen plaatsvinden. Zo staat het Marokkaanse rechtssysteem in de weg aan het horen van getuigen door middel van een rogatoire commissie, heeft [medeverdachte] aangegeven geen verklaring te willen afleggen buiten aanwezigheid van zijn Nederlandse raadsvrouw en verlenen Marokkaanse autoriteiten formeel noch informeel medewerking aan verzoeken uit Nederland ten aanzien van gedetineerden.
5.6
Daarnaast heeft het hof beoordeeld of de omstandigheid dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad [medeverdachte] te ondervragen tot gevolg heeft dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte ruimschoots in de gelegenheid is gesteld andere personen als getuige te ondervragen en zelf te verklaren over hetgeen is ten laste gelegd, alsmede over de betrokkenheid van [medeverdachte] daarbij. Ook staat het hof in dit kader stil bij het gegeven dat [medeverdachte] niet een getuige is die in een eerder of in enig stadium van het proces een belastende verklaring heeft afgelegd. Hoewel de uitoefening van het ondervragingsrecht vanwege de in het vorige randnummer genoemde omstandigheden is beperkt, is het proces, volgens het hof, in zijn geheel ‘fair’ geweest. Dat heeft het hof ertoe gebracht het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om [medeverdachte] te horen af te wijzen.
5.7
Het hof heeft met toepassing van het juiste toetsingskader de in het geding zijnde belangen, feiten en omstandigheden beoordeeld. Daarbij heeft het rekening gehouden met verschillende aspecten van feitelijke en praktische aard. Dat heeft het hof ook zo mogen doen: de omstandigheid, genoemd in art. 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv, is immers een feitelijke c.q. praktische kwestie. Het hof heeft er geenszins blijk van gegeven te snel of te lichtvaardig te hebben aangenomen dat de getuige niet binnen afzienbare termijn zal kunnen worden gehoord. In zijn overwegingen heeft het hof immers stilgestaan bij diverse uiteenlopende aspecten, zoals de tijd die met een (hernieuwde) oproeping is gemoeid, de verwachting dat de medeverdachte daadwerkelijk als getuige zal kunnen worden gehoord, de aard van de zaak, het belang van de getuigenverklaring voor de door de rechter te nemen beslissingen, de tijd die sinds de aanvang van de vervolging en van de pleegdata van de ten laste gelegde feiten reeds is verstreken, de omvang van de zaak en de samenhang daarvan met andere zaken.6.Tevens heeft het hof al deze aspecten afgezet tegen de eisen die volgen uit de jurisprudentie met betrekking tot de beperking van het ondervragingsrecht. Het hof was niet gehouden aspecten van politieke aard in de beoordeling mee te nemen c.q. zich uit te laten over het door de steller van het middel veronderstelde “opportunisme of zwakte van de Staat der Nederlanden in de omvangrijke bilaterale verhoudingen met Marokko”. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en is naar de eis der wet met redenen omkleed.
5.8
Het tweede middel faalt.
6. Het derde middel
6.1
Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
6.2
Namens de verdachte is op 29 maart 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 12 juli 2024 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen, dat is vijftien maanden en dertien dagen na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden7.met zeven maanden en dertien dagen is overschreden. Dat dient tot strafvermindering te leiden.
6.3
Het derde middel slaagt.
7. Slotsom
7.1
Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het derde middel slaagt.
7.2
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat dient (eveneens) tot strafvermindering te leiden.
7.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑2025
Deze passage is ook opgenomen in de cassatieschriftuur (p. 3-4).
Het arrest van het hof is gepubliceerd op rechtspraak.nl. (Hof Arnhem -Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2386). De bladzijden uit het arrest waar ik hier naar verwijs zijn daar terug te vinden onder het kopje ‘Overwegingen met betrekking tot het bewijs’.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.1; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.
HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156.
Vgl. S.V. Pelsser, in: T&C Strafvordering, art. 288, aant. 4; HR 23 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1625, NJ 2000/126.
In de cassatieschriftuur wordt overigens per abuis gesteld dat een inzendtermijn van zes maanden van toepassing is.