HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37, NJ 2022/57, rov. 3.4.1; HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:223, rov. 2.4.1; HR 5 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:318, rov. 2.3.2.
HR, 24-06-2025, nr. 23/01638 B
ECLI:NL:HR:2025:990
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-06-2025
- Zaaknummer
23/01638 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:990, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑06‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:158
ECLI:NL:PHR:2025:158, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:990
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑01‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0215
Uitspraak 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van partij voorwerpen (bevattende middel 3-MMC) die ex art. 94 Sv onder belanghebbende in beslag zijn genomen. Is partij voorwerpen o.g.v. art. 36d Sr vatbaar voor onttrekking aan verkeer? Met “feit” in art. 36c en 36d Sr wordt begaan strafbaar feit bedoeld. Rechter die bij afzonderlijke beschikking a.b.i. art. 36b.1.4 Sr onttrekking aan verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat inbeslaggenomen voorwerp in een in art. 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot begaan strafbaar feit (vgl. HR:2022:37). Voor vaststelling dat strafbaar feit is begaan, volstaat niet redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan (vgl. HR:1982:AC7509). Rb heeft bij haar oordeel dat voorwerpen o.g.v. art. 36d Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan verkeer, niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit (o.g.v. Opiumwet dan wel andere wet strafbaar gesteld feit) deze voorwerpen in verband staan. Enkele door Rb in aanmerking genomen omstandigheid dat 3-MMC sinds 28-10-2021 (en dus na inbeslagneming van voorwerpen op 15-9-2021) op lijst II van Opiumwet stond, volstaat ook niet voor dat oordeel. Oordeel van Rb is daarom ontoereikend gemotiveerd. HR merkt op dat in HR:2025:989 is vastgesteld dat inbeslaggenomen voorwerpen zijn vernietigd o.g.v. machtiging a.b.i. art. 117 Sv, zodat beslag o.g.v. art. 134.2.c Sv is beëindigd. O.g.v. art. 36b.1.4 Sr kan bij afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van OM onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen worden uitgesproken. Daaraan staat niet in de weg dat aan beslag einde is gekomen door vernietiging. In dat geval strekt zo’n vordering ertoe te doen vaststellen of voorwerpen zich lenen voor onttrekking aan verkeer (vgl. HR:2004:AR4905). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 23/01629 B en 24/01015 B en met 23/02666 B en 24/01159 B (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01638 B
Datum 24 juni 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2023, nummer RK 22/028970, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de belanghebbende.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. Namens deze heeft de advocaat K. Canatan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsman van de belanghebbende heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen partij voorwerpen.
2.2
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“Deze beschikking betreft een ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een partij goederen met de omschrijving “344 kg bruto Fragrances” die op 15 september 2021 in beslag is genomen onder:
[belanghebbende] B.V.,
(...)
Feiten
De inbeslagneming heeft plaatsgevonden op grond van artikel 94 Sv, ten behoeve van de waarheidsvinding. Uit onderzoek door het douanelaboratorium bleek dat deze partij goederen de stof 3-MMC bevatte.
(...)
Beoordeling
Uit artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht volgt dat vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op zowel misdrijven als op overtredingen. Het is in dit verband niet te doen om in beslag genomen voorwerpen waarmee het reeds begane delict is begaan. In dat geval is immers artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Artikel 36d ziet op voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan. Deze formulering duidt op feiten die nog niet begaan zijn, maar mogelijk in de toekomst worden begaan, terwijl het werkwoord ‘kunnen’ en het adjectief ‘soortgelijke’ een ruime werking aan het voornoemde artikel bedoelen te geven.
Vaststaat dat 3-MMC sinds 28 oktober 2021 op lijst II van de Opiumwet staat en daarmee officieel een verboden drug is. Dit betekent dat productie, handel en bezit ervan, strafbaar is. Met dit gegeven is volgens de rechtbank dan ook voldaan aan het hiervoor aangehaalde toetsingskader.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van onderhavige partij goederen in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechter zal de vordering toewijzen.”
2.3
Artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
2.4.1
Met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. (Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37.) Voor de vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, volstaat niet het redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7509).
2.4.2
De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de voorwerpen op grond van artikel 36d Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit – een op grond van de Opiumwet dan wel een andere wet strafbaar gesteld feit – deze voorwerpen in verband staan. De enkele door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheid dat 3-MMC sinds 28 oktober 2021 – en dus na de inbeslagneming van de voorwerpen op 15 september 2021 – op lijst II van de Opiumwet stond, volstaat ook niet voor dat oordeel. Het oordeel van de rechtbank is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
2.6.1
Opmerking verdient nog het volgende. In de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01629 B, ECLI:NL:HR:2025:989, is vastgesteld dat de inbeslaggenomen voorwerpen zijn vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zodat het beslag op grond van artikel 134 lid 2, aanhef en onder c, Sv is beëindigd.
2.6.2
Op grond van artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr kan bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen worden uitgesproken. Daaraan staat niet in de weg dat aan het beslag een einde is gekomen door vernietiging. In dat geval strekt zo’n vordering ertoe te doen vaststellen of de voorwerpen zich lenen voor onttrekking aan het verkeer. (Vgl. HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4905.)
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.
Conclusie 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag. Onttrekking aan het verkeer van partij goederen bevattende het middel 3-MMC dat ten tijde van de inbeslagneming niet verboden was (art. 36b.1.4° Sr jo art. 552f Sv). Gegronde klacht dat rechtbank toewijzing van vordering onttrekking ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat de bestreden beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat de goederen in verband staan tot een begaan strafbaar feit (art. 36d Sr). Volgens A-G hoeft dat in dit geval vanwege een gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Samenhang met 23/01629.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01638 B
Zitting 4 februari 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[belanghebbende],
gevestigd te [plaats],
hierna: de belanghebbende
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 17 maart 2023 de vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 552f Sv strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een op 15 september 2021 in beslag genomen partij goederen met de omschrijving “344 kg bruto Fragrances" bevattende het middel 3-MMC, toegewezen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01629. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 24 maart 2023 ingesteld namens de belanghebbende. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer.
1.4
De uitkomst van deze conclusie is dat het middel weliswaar gegrond is, maar niet tot cassatie behoeft te leiden.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “de toewijzing van de vordering onttrekking aan het verkeer door de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd, omdat de beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat [de] in beslag genomen goederen in verband staan tot een begaan strafbaar feit.”
2.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Verzoek
Het verzoek strekt tot onttrekking aan het verkeer van de 344 kilogram bruto Fragrances (…).
Door de officier van justitie is aangevoerd met betrekking tot het inbeslaggenomene dat hoewel de stof 3-MMC ten tijde van het strafrechtelijk beslag op zichzelf niet strafbaar was, er wel sprake is geweest van een of meer strafbare feiten gepleegd met die 3-MMC, te weten overtreding van artikel 225 en 174 jo. 46 van het Wetboek van Strafrecht en van artikel 18 [van de] Warenwet.
Standpunt van beslagene [A-G: ik begrijp dat wordt bedoeld: de belanghebbende]
De raadsman heeft gepleit conform aangehechte pleitnotitie. De raadsman stelt zich kort gezegd op het standpunt dat het in beslag genomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d van het Wetboek van Strafrecht beschreven verband moet staan tot een begaan strafbaar feit. Er is geen sprake van strafbare feiten. De vordering tot onttrekking aan het verkeer dient daarom te worden afgewezen. De raadsman heeft voorts een voorwaardelijk verzoek gedaan. Indien de rechtbank het standpunt van het Openbaar Ministerie volgt – dat sprake is van schadelijkheid/bijzondere gevaren voor de gezondheid – dan verzoekt de raadsman om [betrokkene 1] op te roepen als getuige-deskundige. Dit ter onderbouwing van zijn standpunt dat onvoldoende (klinisch) onderzoek is verricht om te kunnen concluderen dat er sprake is van een schadelijke/gevaarlijke stof.”
2.3
De rechtbank heeft de vordering tot onttrekking aan het verkeer toegewezen en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Feiten
De inbeslagneming heeft plaatsgevonden op grond van artikel 94 Sv, ten behoeve van de waarheidsvinding. Uit onderzoek door het douanelaboratorium bleek dat deze partij goederen de stof 3-MMC bevatte.
(…)
Beoordeling
Uit artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht volgt dat vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op zowel misdrijven als op overtredingen. Het is in dit verband niet te doen om in beslag genomen voorwerpen waarmee het reeds begane delict is begaan. In dat geval is immers artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Artikel 36d ziet op voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan. Deze formulering duidt op feiten die nog niet begaan zijn, maar mogelijk in de toekomst worden begaan, terwijl het werkwoord ‘kunnen’ en het adjectief ‘soortgelijke’ een ruime werking aan het voornoemde artikel bedoelen te geven.
Vaststaat dat 3-MMC sinds 28 oktober 2021 op lijst II van [de] Opiumwet staat en daarmee officieel een verboden drug is. Dit betekent dat productie, handel en bezit ervan, strafbaar is. Met dit gegeven is volgens de rechtbank dan ook voldaan aan het hiervoor aangehaalde toetsingskader.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van onderhavige partij goederen met de omschrijving [A-G: “344 kg bruto Fragrances"] in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechter zal de vordering toewijzen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de verdediging afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het voorwaardelijk verzoek van de verdediging [betrokkene 1] op te roepen als getuige-deskundige af;
- wijst de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van voornoemde 344 kilogram bruto Fragrances (…) toe.”
Het juridisch kader
2.4
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr:
“1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
(…)
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het Openbaar Ministerie;”
- Art. 36c Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
- Art. 36d Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
“1. Bevoegd tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd.
2. De beschikking wordt niet gegeven dan op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie.”
2.5
Op grond van art. 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr kunnen in beslag genomen voorwerpen op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer worden onttrokken. Voor het door de rechter toewijzen van die vordering is vereist dat vaststaat dat een strafbaar feit is begaan en dat het in beslag genomen voorwerp in een in art. 36c Sr of art. 36d Sr beschreven verband staat tot dat begane strafbare feit.1.Voor de vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, volstaat niet het redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan.2.In de beschikking tot onttrekking aan het verkeer moet worden aangegeven op welk strafbaar feit de rechter het oog heeft. Ontbreekt die verwijzing, dan is de beschikking onvoldoende gemotiveerd.3.
2.6
In art. 36c Sr en art. 36d Sr is aan de vatbaarheid voor de onttrekking aan het verkeer als voorwaarde gesteld dat het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daaruit volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang.4.In de wetsgeschiedenis worden als voorbeelden genoemd valse muntstempels, valse munten, pornografie, verboden jachtmiddelen of vistuigen, opium, inbrekerswerktuigen, zware wapens en pantserauto’s. Het moet dus gaan om voorwerpen die niet slechts in de handen van de verdachte, maar in die van het publiek in het algemeen gevaarlijk zijn.5.
2.7
Naast de eis dat het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang wordt in art. 36c Sr een bepaalde relatie verlangd tussen het voorwerp en het begane feit. Het voorwerp moet (1°) de (vrijwel) gehele opbrengst van het feit betreffen, (2°) het onderwerp van het feit zijn, (3°) als instrument tot het feit hebben gediend, (4°) de opsporing van het feit hebben belemmerd, dan wel (5°) zijn vervaardigd met het oog op het begaan van het feit.
2.8
Art. 36d Sr verlangt niet dat er een relatie bestaat tussen het voorwerp en het begane feit. Wel moet het voorwerp (1) toebehoren aan de dader of de verdachte (art. 36c Sr kent dit toebehorenvereiste niet), (2) zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de dader begane feit of het feit waarvan de verdachte wordt verdacht en (3) kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan. Onder soortgelijke feiten in de zin van art. 36d Sr moeten worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht.6.
2.9
Hoewel aan de motivering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer geen al te hoge eisen worden gesteld7., moet daaruit wel blijken dat het ongecontroleerde bezit van het voorwerp in strijd is met de wet of met het algemeen belang en dat aan de overige in art. 36c Sr of art. 36d Sr gestelde eisen is voldaan. De enkele verwijzing naar de artikelen 36b Sr, 36c Sr en/of 36d Sr is onvoldoende.8.
De bespreking van het middel
2.10
De rechtbank heeft de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen partij goederen gebaseerd op art. 36d Sr. In dat verband heeft de rechtbank – kennelijk gelet op de aard van de goederen – overwogen dat die goederen het middel 3-MMC bevatten, 3-MMC sinds 28 oktober 2021 op lijst II van de Opiumwet staat9.en het ongecontroleerde bezit van de – ruim een maand daarvoor – in beslag genomen goederen in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Zoals uiteengezet onder randnr. 2.6 stelt art. 36d Sr (evenals art. 36c Sr) deze eis van gevaarlijkheid. De rechtbank heeft echter verzuimd aan te geven om welk begaan strafbaar feit als bedoeld in art. 36d Sr het gaat, zodat de bestreden beschikking reeds om die reden ontoereikend is gemotiveerd (zie randnr. 2.5).
2.11
Nu in de beschikking niet is aangegeven op welk begaan strafbaar feit de rechtbank het oog heeft gehad, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien hoe de in beslag genomen goederen kunnen dienen tot het begaan of het voorbereiden van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan, zodat de beschikking ook om die reden ontoereikend is gemotiveerd (zie voor deze vereisten van art. 36d Sr randnr. 2.8).
2.12
Het middel is terecht voorgesteld. Vervolgens rijst de vraag of dat in dit geval tot cassatie moet leiden.
2.13
In het verleden vernietigde de Hoge Raad in cassatie bestreden arresten ten aanzien van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van al dan niet gemeen gevaarlijke voorwerpen indien die onttrekking ontoereikend was gemotiveerd en wees hij de zaak in zoverre terug.10.Tegenwoordig volstaat de Hoge Raad echter met de vernietiging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer zonder terug- of verwijzing van de zaak.11.Volgens Mevis is de gedachte daarachter dat het beslag – zeker als het gaat om naar hun aard gevaarlijke voorwerpen – zou kunnen voortduren, omdat het belang van strafvordering met voortzetting van het beslag wordt gediend, te weten ten behoeve van een eventuele onttrekking bij afzonderlijke beschikking (art. 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv), terwijl de beslagene eventueel via art. 552a Sv zich kan beklagen over het uitblijven van een last tot teruggave van niet gevaarlijke voorwerpen.12.Overigens vernietigde de Hoge Raad in zijn arrest van 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:216, NJ 2021/183, m.nt. P.A.M. Mevis de bestreden beslissing tot onttrekking aan het verkeer en verwees hij de zaak wel terug. Volgens Mevis lijkt dit arrest op dit punt meer een incident dan een breuk met de actuele rechtspraak, omdat de Hoge Raad ook in een nadien gewezen arrest, te weten HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:571 de terugwijzing achterwege liet. Dat het een incident is geweest, blijkt mijns inziens ook uit nog weer later gewezen arresten (zie voetnoot 11).
2.14
In de onderhavige zaak gaat het echter niet om een in cassatie bestreden arrest, maar om een beschikking. Daarmee is mijns inziens de weg naar een vernietiging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer zonder terugwijzing afgesneden.
2.15
Voor zover mij bekend heeft de Hoge Raad in beklagzaken waarin terecht werd geklaagd over de toewijzing van een vordering tot onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 552f Sv nooit cassatie achterwege gelaten, omdat de belanghebbende onvoldoende belang bij vernietiging van de bestreden beschikking zou hebben. Evenmin zijn mij (beklag)zaken in cassatie bekend waarin – zoals in de onderhavige zaak – het voorhanden hebben van een in beslag genomen voorwerp dat ten tijde van de inbeslagneming niet strafbaar was, maar ten tijde van de behandeling van de zaak (in eerste aanleg en) in cassatie wel.
2.16
Gelet op het voorgaande, verwacht ik dat de Hoge Raad in de onderhavige zaak zal opteren voor een vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. Desalniettemin meen ik dat in dit specifieke geval ruimte is voor een meer praktische benadering. De in beslag genomen partij goederen bevat namelijk 3-MMC, te weten een middel dat (inmiddels) is vermeld in lijst I van de Opiumwet. Op grond van art. 2 Ow is het invoeren, uitvoeren, produceren, verhandelen en bezitten van 3-MMC strafbaar. De gevaarlijke aard van de goederen maakt dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De goederen mogen met het oog op de bescherming van de volksgezondheid per definitie niet terugkeren in het verkeer (zie ook art. 13a Ow).13.Teruggave aan de belanghebbende van de goederen is enkel en alleen daarom al uitgesloten. Daarbij komt dat een eventuele teruggave automatisch tot gevolg zal hebben dat de belanghebbende zich schuldig maakt aan overtreding van in ieder geval art. 2, aanhef en onder C, Ow, de goederen op grond daarvan (wederom) in beslag kunnen worden genomen en op grond van art. 36c, aanhef en onder 2°, Sr vatbaar zullen zijn voor onttrekking aan het verkeer. Naar ik meen heeft de belanghebbende derhalve geen rechtens te respecteren belang bij teruggave van de in beslag genomen goederen. Nu in de cassatieschriftuur ook niet is aangegeven welk (ander) belang de belanghebbende bij de klacht heeft, is het middel tevergeefs voorgesteld.
3. Slotsom
3.1
Het middel is gegrond, maar leidt niet tot cassatie.14.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑02‑2025
HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7509, NJ 1982/380, m.nt. A.L. Melai, rov. 4 en HR 5 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:318, rov. 2.3.2.
HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9338, NJ 1993/586, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 5.4.
HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007/437, rov. 3.5.1; HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728, NJ 2006/87, rov. 4.3; HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:225, NJ 2023/92, rov. 2.3.2.
Kamerstukken II 1954/55, 4034, nr. 3, p. 10-11.
HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655, rov. 4.2; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1410, rov. 2.3; HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1548, rov. 3.3.2; HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:194, rov. 2.3.2; HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 3.3.2.
HR 18 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9225, NJ 1986/694 en HR 24 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0065, NJ 1988/635.
HR 28 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9208, NJ 1986/551, rov. 6.7; HR 29 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9332, NJ 1987/74, rov. 5.1; HR 28 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0760, NJ 1989/706, rov. 5.
Bij het Besluit van 10 april 2024, houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing van enkele stoffen op deze lijst en verplaatsing van het middel 3-MMC van lijst II naar lijst I (Stb. 2024, 90) is 3-MMC per 16 april 2024 verplaatst van lijst II naar lijst I van de Opiumwet.
HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1830, NJ 2006/410; HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9859; HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5709; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:197; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1410; HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1298.
HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1548; HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:194; HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:896; HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1586, NJ 2022/364; HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166, m.nt. J.M. ten Voorde; HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1466; HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1627.
Zie de noot van Mevis, randnr. 11, onder HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:216, NJ 2021/183.
Art. 13a Ow schrijft voor dat, als de rechter vaststelt dat op grond van art. 33 Sr tot en met art. 34 Sr dan wel art. 36b Sr tot en met art. 36d Sr de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van de in lijst I of II bedoelde middelen mogelijk is, die verbeurdverklaring of die onttrekking aan het verkeer ook moet plaatsvinden. Art. 13a Ow biedt echter geen zelfstandige of aanvullende grondslag voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de in lijst I of II bedoelde middelen, in gevallen waarin de hiervoor genoemde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer niet toelaten (HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:231, NJ 2023/91, rov. 3.6.3).
Vgl. HR 1 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7455, NJ 1980/447 waarin de Hoge Raad anders oordeelde. In die zaak had de rechter een beklag over de onttrekking aan het verkeer van een aan de klager toebehorend geweer gegrond geacht en de onttrekking herroepen, maar zich niet in staat verklaard de bewaarder een last te geven tot teruggave van dat geweer aan de klager. Volgens de rechter bestond namelijk de kans dat als de klager – die niet gerechtigd was vuurwapens voorhanden te hebben – wederom in het bezit werd gesteld van het geweer hij daardoor werd blootgesteld aan het gevaar zich schuldig te maken aan een strafbaar feit. De Hoge Raad overwoog dat als de rechter een beklag over een onttrekking aan het verkeer van aan de klager toebehorende voorwerpen gegrond acht en de onttrekking herroept, hij ingevolge art. 552b lid 4 Sv gehouden is een last te geven als bedoeld in art. 353 Sv en dat dit mede in het licht van het bepaalde in art. 16 Vuurwapenwet (oud) ook geldt in een geval waarin de klager niet is gerechtigd tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Derhalve slaagde het middel waarin werd geklaagd dat de rechtbank niet de voorgeschreven last tot teruggave had gegeven en werd de zaak teruggewezen naar de rechtbank. A-G Remmelink merkt in zijn conclusie vóór het arrest nog op dat de omstandigheid dat de klager na in het bezit krijgen van het geweer zich mogelijk schuldig maakt aan een strafbaar feit een secundaire kwestie is en dat de officier van justitie in dat geval het voorwerp onmiddellijk na afgifte door de bewaarder aan de klager in beslag zal kunnen laten nemen en vervolgens strafvervolging op grond van de Vuurwapenwet (inmiddels Wet wapens en munitie) kunnen beginnen, waarna het geweer kan worden verbeurd verklaard. Vgl. ook HR 25 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8663, NJ 1991/823, m.nt. G.J.M. Corstens, rov. 4.2, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat het aan de rechter die heeft te oordelen op een beklag als bedoeld in art. 552a Sv niet vrijstaat zich buiten staat te verklaren om de gevraagde teruggave te gelasten.
Beroepschrift 16‑01‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
betekening aanzegging ex artikel 447 lid 3 Sv op 16 januari 2024
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
inzake
[belanghebbende] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
Verzoekster van cassatie van een haar betreffende beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant d.d. 17 maart 2023 met raadkamernummer 22-028970
Middel
De rechtbank heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 36d Sr, 24, 94 en 552f Sv., omdat de toewijzing van de vordering onttrekking aan het verkeer door de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd, omdat de beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat inbeslaggenomen goederen in verband staan tot een begaan strafbaar feit.
Toelichting
1.
Uit de stukken van het geding volgt dat op 15 september 2021 een partij goederen met de omschrijving ‘344 kg bruto Fragrances’ (IBN-code [001], UVN: [002]), bevattende de stof 3 MMC, in beslag is genomen op de voet van artikel 94 Sv. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van deze goederen toegewezen. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
‘Uit artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht volgt dat vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op zowel misdrijven als op overtredingen. Het is in dit verband niet te doen om in beslag genomen voorwerpen waarmee het reeds begane delict is begaan. In dat geval is immers artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Artikel 36d ziet op voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan. Deze formulering duidt op feiten die nog niet begaan zijn, maar mogelijk in de toekomst worden begaan, terwijl het werkwoord ‘kunnen’ en het adjectief ‘soortgelijke’ een ruime werking aan het voornoemde artikel bedoelen te geven.
Vaststaat dat 3-MMC sinds 28 oktober 2021 óp lijst II van Opiumwet staat en daarmee officieel een verboden drug is. Dit betekent dat productie, handel en bezit ervan, strafbaar is. Met dit gegeven is volgens de rechtbank dan ook voldaan aan het hiervoor aangehaalde toetsingskader.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van onderhavige partij . goederen met de omschrijving in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechter zal de vordering toewijzen.’
2.
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- —
artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
‘Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
(…)
- 4o.
bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.’
- —
artikel 36c Sr:
‘Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
- 1o.
die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
- 2o.
met betrekking tot welke het feit is begaan;
- 3o.
met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
- 4o.
met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
- 5o.
die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.’
- —
artikel 36d Sr:
‘Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.’
3.
Met het ‘feit’ in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, onder 4o, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit (Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37 en HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:223).
4.
Gelet hierop geeft het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank miskent immers dat sprake moet zijn van een reeds begaan feit. De voorwerpen zijn alleen vatbaar voor onttrekking indien deze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, maar daarvan kan geen sprake zijn indien geen sprake is van strafbare feiten. Ten tijde van de inbeslagneming was de stof 3MMC nog niet op lijst II van de Opiumwet geplaatst (Vgl. HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322).
5.
Door te oordelen dat, ook zonder dat sprake is van een relatie tot een reeds begaan strafbaar feit, uitsluitend van belang is of de goederen in de toekomst kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en dat daaraan voldaan is, omdat de betreffende stof eerst hangende de procedure strafbaar is geworden op grond van de Opiumwet zet de rechtbank de poort open voor inbeslagneming van goederen die in de toekomst (mogelijk) strafbaar worden, maar op het moment van inbeslagneming nog niet. Het oordeel van de rechtbank is in zoverre in strijd met het legaliteitsbeginsel en dat oordeel vindt dan ook geen steun in het recht.
6.
De rechtbank heeft zich dus, anders dan de officier van justitie en de raadsman (blijkens de overgelegde pleitnotities) uitvoerig in raadkamer hebben gedaan, in het geheel niet uitgelaten over de vraag of ten tijde van de inbeslagneming sprake was van het begaan van art. 225, 174 juncto 46 Sr en art. 18 Warenwet (of enig ander strafbaar feit) en evenmin waarom overtreding van de Opiumwet als soortgelijke feiten dienden te worden aangemerkt.
7.
Het oordeel dat de goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer is daardoor ontoereikend gemotiveerd, zodat de beschikking van de rechtbank niet in stand kan blijven.
Deze schriftuur houdende middelen wordt ondertekend en ingediend door mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster van cassatie.
Amsterdam 15 februari 2024
mr. K. Canatan