Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.5.2
III.5.2 Toespitsing op de context van de buitengerechtelijke afdoening
Jan Crijns en Renée Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
Jan Crijns en Renée Kool
- JCDI
JCDI:ADS303140:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Crijns 2010, p. 288-289.
Herstelrecht is in beginsel op alle niveaus en ten aanzien van alle soorten schendingen van rechtsnormen mogelijk. Dat verklaart ook de toepassingen ervan voor grove mensenrechtenschendingen binnen het internationale strafrecht. In dit betoog blijven die buiten beschouwing en ligt de focus op toepassing van herstelrecht voor reguliere strafbare feiten, waarbij het veelal – gelet op de te maken opportuniteitsafweging – gaat om lichtere misdrijven.
Zie Cleiren 2001, p. 17. Zie ook Duff 2001 en Duff e.a. 2004 over de strafrechtelijke afdoening als communicatiemiddel.
Zie Cleiren 2001, p. 71-73.
Wel kan sprake zijn van niet-afdwingbare en niet-sanctioneerbare rechten; zie Leferink 2004.
Anders dan Cleiren suggereert is hier geen sprake van afwezigheid van een bemiddelende ‘derde instantie’ (lees: de rechter), die de partijen uit hun eigen positie los dient te weken (Cleiren 2001, p. 25). Binnen de methodiek van het herstelrecht wordt namelijk op eenzelfde neutrale leest opgetreden (Dierx, Slump en Leijten 2012; Walgrave 2016).
Lauwaert stelt dat implementatie van het herstelrecht niet gepaard mag gaan met ‘het opgeven van verworvenheden van het juridische civiliseringsproces’ (Lauwaert 2009, p. 20).
Hetgeen in het voorgaande is gesteld ten aanzien van de wederkerige rechtsbetrekking heeft ook consequenties binnen de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten. Ook in de verschillende rechtsbetrekkingen binnen die context is er – in aanvulling op en in het licht van de precieze stand van het positieve recht – per definitie sprake van gehoudenheden over en weer, juist vanwege het feit dat de betrokken rechtssubjecten tot elkaar in rechtsbetrekking staan. Wat die gehoudenheden zijn hangt af van de vraag welke rechtsbetrekking aan de orde is en wat daarvan de specifieke karaktertrekken zijn. Duidelijk is dat gezien het uit de publiekrechtelijke aard van het strafrecht voortvloeiende asymmetrische karakter van de verschillende strafrechtelijke rechtsbetrekkingen impliciete gehoudenheden van de overheid jegens verdachte en slachtoffer beter denkbaar zijn dan andersom.1 Voorts is de rechtsbetrekking tussen verdachte en slachtoffer voor wat betreft de strafrechtelijke kant van de zaak een ingewikkelde, omdat de strafvorderlijke overheid hier in zekere zin een (be)middelende rol vervult, hetgeen het lastig maakt te bepalen waartoe verdachte en slachtoffer over en weer zijn gehouden binnen de strafrechtelijke context. De gehoudenheden van slachtoffer en verdachte vloeien immers met name voort uit hun rechtsbetrekking tot de overheid.
Ook is in dit kader van belang welke vorm van buitengerechtelijke afdoening meer specifiek aan de orde is, of en in hoeverre daarbij sprake is van consensualiteit en of al dan niet een concreet slachtoffer bij de afdoening is betrokken. Voor de strafbeschikking kan beter dan voor de herstelbemiddeling worden betoogd dat de verdachte daar verschijnt als ‘tegenpartij’ van het Openbaar Ministerie in de context van de afdoening van een rechtsschending. Bovendien zijn de verschillende verplichtingen over en weer in de context van de strafbeschikking duidelijker omlijnd dan binnen de minder gejuridiseerde context van de herstelbemiddeling. Wanneer het gaat om de herstelbemiddeling betreft het in de regel slachtoffer-gerelateerde delicten en krijgt het rechtsgeding mede daardoor een andere betekenis.2 Het geding strekt er dan toe om, in woorden van Cleiren, de concrete slachtofferervaring om te zetten in ‘een rationele structuur die de onderlinge relaties regelt en het conflict beheersbaar en afsluitbaar maakt’.3 Dat geldt niet alleen voor de klassieke afdoening, via de rechter, maar ook voor het buitengerechtelijk spoor. Want ook dat valt onder de noemer ‘punitieve handhaving’, met de daaraan verbonden reductie van het menselijk conflict en stilering van menselijke verhoudingen.4
Steeds is sprake van een in naam van de gemeenschap uitgeoefende activiteit, gericht op het via dwang en drang (her)bevestigen van de norm. Eventuele consensualiteit van de zijde van de verdachte met betrekking tot de wijze van afdoening berust in dit verband in alle gevallen op een (min of meer) noodgedwongen, althans onderhandelde acceptatie van de maatschappelijke sanctionering. De rechtsbetrekking tot de verdachte is immers per definitie asymmetrisch: de verdachte is onderwerp van onderzoek en heeft zich in die hoedanigheid een inbreuk op zijn (vrijheids)rechten te laten welgevallen. Dat ligt anders voor het slachtoffer. Uitgangspunt daar is de slachtofferpresumptie (art. 288a Sv) en de in de wettelijke slachtofferrechten gelegen verplichting recht te doen aan de belangen van het slachtoffer (titel IIIA Sv). Ook hier is weliswaar sprake van een zekere asymmetrie, maar die brengt geen verkorting van rechten met zich mee voor het rechtssubject.5 Uitgangspunt voor beide verhoudingen is wel dat de wet en de ongeschreven rechtsbeginselen het kader vormen waarbinnen de rechtsverhouding wordt geconstitueerd. Geaccepteerd is bovendien dat de mate van rechtsbescherming mag variëren al naar gelang de aard en omvang van de te maken inbreuk op de autonomie van het rechtssubject. Daarmee hangt ook samen de mogelijkheid te kiezen voor de meest subsidiaire interventie, tot uitdrukking gebracht in (de positieve uitleg van) het opportuniteitsbeginsel. Uit dien hoofde is differentiatie in afdoeningswijzen en het daaraan verbonden regime van rechtsbescherming gelegitimeerd.
Voor slachtoffer-gerelateerde delicten komt er een extra relatie, en daarmee een extra complicatie bij: de rechtsbetrekking tussen de verdachte en het (vermeende) slachtoffer. Hoewel ieders aanspraak op een gewaarborgde rechtshandhaving primair is gericht tot de overheid, dwingt de conflicterende aard daarvan de overheid tot het maken van (belangen)afwegingen. Via de band van de overheid verhouden de verdachte en het slachtoffer zich als rechtssubject indirect tot elkaar. Die indirectheid geeft een zekere waarborg, het is immers de strafvorderlijke overheid die als bemiddelende instantie beide rechtssubjecten moet erkennen. Wanneer sprake is van toepassing van herstelbemiddeling in het buitengerechtelijk spoor wordt die beschermende schil dunner. Er is weliswaar nog steeds sprake van een bemiddelende overheid, maar de rechtssubjecten zijn – met beider instemming – anders gepositioneerd ten opzichte van elkaar. De wederkerigheid uit zich hier in de bereidheid zich op directere wijze met elkaar te verstaan over de duiding van het strafbare feit, de ‘schuldvraag’ en de binnen de relationele rechtsverhouding passende genoegdoening.Ook hier gaat het echter, als gezegd, om punitieve rechtshandhaving, zij het anders gemodelleerd dan binnen de klassieke gerechtelijke procedure.6 Het feit dat de betrokken rechtssubjecten met deze wijze van afdoening instemmen maakt de noodzaak tot vanwege de overheid te bieden rechtsbescherming niet minder, maar wel anders.7 Kortom, bij het denken over de vormgeving van het buitengerechtelijk spoor is creativiteit een groot goed, maar kritische zelfbeperking ook.