Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/3.3
3.3 Evaluatie van kwaliteitsbevorderende wetgeving voor Nederlandse accountantsorganisaties
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS608624:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1990/91, 22008, 1-2, p. 23 e.v.
Veerman merkt over deze zes kwaliteitseisen in zijn oratie overigens terecht op dat het er eigenlijk twaalf zijn, Veerman 2004, p. 16.
Kamerstukken II, 1990/91, 22008, 1-2, p. 25
Zie nader de aanwijzingen voor regelgeving waarin met name de wetgevingstechniek en –kwaliteit centraal staan (aanwijzing 1.1) en die door ministers en staatssecretarissen bij het ontstaan van wetgeving in acht moeten worden genomen (aanwijzing 1.2). Aanwijzing 4.43 bevat de minimumvereisten voor de inhoud van de toelichting waarvan het doel onderdeel uitmaakt, Stcrt. 2017, 69426.
Kamerstukken II, 1990/91, 22008, 1-2, p. 25.
Zie ook Vletter-van Dort 2009.
Veerman 2004, p. 17.
De maatregelen beïnvloeden achtereenvolgens de gehele accountantssector, de governance van de individuele accountantsorganisatie en het product van de accountantscontrole. Zie nader paragraaf 2.2. en paragraaf 5.1.
Naast informatie uit onder meer gezaghebbende wetenschappelijke bronnen uit de juridische en accountancy wetenschap is ook publiek toegankelijke informatie als parlementaire stukken, onderzoeksrapportages van diverse gremia uit de (internationale) accountantssector en berichtgeving in de media in het promotieonderzoek betrokken.
De deductieve rechtvaardigingstheorie van MacCormick dient als uitgangspunt bij de beoordeling van de doelmatig- en doeltreffendheid van de kwaliteitsbevorderende maatregelen. Zie hoofdstuk III uit MacCormick 1994 en Feteris 1994, p. 93-97.
De wettelijke verplichting is opgenomen in art. 22a Wta. OOB-accountantsorganisaties voerden voorafgaand aan de wettelijke plicht een raad van commissarissen in, in navolging van de maatregelen uit het rapport ‘In het publiek belang’, zie NBA 2014, Maatregel 2.1. Strikt genomen was er dus geen sprake van anticipatie maar werd een initiatief uit de beroepsgroep enige tijd later, in aangepaste vorm, verheven tot wetgeving. Zie nader paragraaf 5.3. en hoofdstuk 7.
Zie voor een toelichting op deze onderzoeksmethode Van Schaaijk 2011, p. 79-81.
Raad voor de Jaarverslaggeving 2018/930.30.
De Bos 1996, p. 2.
In het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie is een gedeelte van het in hoofdstuk 8 opgenomen onderzoek gepubliceerd, Eijkelenboom 2019.
Gegevens van banken en verzekeraars zijn gedownload van respectievelijk www. dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/banken/gegevens-individuele-banken/ index.jsp en www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/verzekeraars/gegevens-individuele-verzekeraars/index.jsp.
Bij Koninklijke Ahold Delhaize N.V. en Eurocommercial Properties N.V. is sprake van een, van het kalenderjaar, afwijkend boekjaar. Deze vennootschappen zijn desondanks wel meegenomen in de analyse.
Met dank aan L.J. (Lester) Hartelust MSc LLM en J.M. (Jenny) Eikelboom BSc LLB voor hun hulp bij het verzamelen van de accountantsverklaringen en het selecteren van de data.
Bijvoorbeeld doordat de accountantsverklaring incompleet of onvindbaar was.
Kas Bank N.V. en BinckBank N.V. zijn zowel in de categorie banken als in de categorie beursvennootschappen opgenomen.
De materialiteit van de verschillende groepsonderdelen en afspraken die door de accountant met de raad van commissarissen gemaakt zijn om tijdens de controle door de accountant geconstateerde afwijkingen te rapporteren die mogelijk om kwalitatieve redenen relevant zijn maar kleiner dan de materialiteit worden niet in het onderzoek betrokken, zie nader Iskandar en Iselin 1999, p. 211.
De gegevens over de accountant en accountantsorganisatie zijn nodig om inzicht te krijgen in de verdeling van de wettelijke controles over de OOB-accountantsorganisaties. Tevens geven deze gegevens inzicht in het aantal wisselingen van accountants en accountantsorganisaties.
In 1991 stelde het toenmalige kabinet de nota ‘Zicht op wetgeving’ op waarin het zes kwaliteitseisen voor wetgevingsbeleid formuleerde.1 De vereisten zijn:
rechtmatigheid en gerichtheid op verwerkelijking van rechtsbeginselen;
doeltreffendheid en doelmatigheid;
subsidiariteit en evenredigheid;
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid;
onderlinge afstemming met andere regelingen; en
eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid.2
Met deze vereisten kwam een kader voor wetgevingskwaliteitsbeleid tot stand. In 2000 zijn de kwaliteitseisen opnieuw onderschreven door het kabinet.3 In de hoofdstukken 5 tot en met 8 staat de beoordeling van kwaliteitsbevorderende wetgeving aan de hand van het kwaliteitsvereiste ‘doeltreffendheid en doelmatigheid’ centraal. In voornoemde hoofdstukken besteed ik aandacht aan de beantwoording van de tweede deelvraag, te weten: In hoeverre is de kwaliteitsbevorderende wetgeving voor accountantsorganisaties effectief vormgegeven en in staat kwaliteitsbevorderend te werken in de praktijk?
De wetgever merkt in de nota ‘Zicht op wetgeving’ met betrekking tot de begrippen doelmatigheid en doeltreffendheid slechts het volgende op: “Het spreekt vanzelf dat de wet, op zijn minst in belangrijke mate, tot de verwezenlijking van de door de wetgever beoogde doelstellingen moet leiden: het vereiste van doeltreffendheid (effectiviteit). Daarnaast dient de wet niet tot nodeloze inefficiency in de samenleving of bij de overheid te leiden. Er mag niet een te ongunstige verhouding ontstaan tussen de baten en lasten van, die uit de werking van de wet zullen – kunnen – voortvloeien: het vereiste van doelmatigheid (efficiëntie)”.4 Uit deze summiere toelichting op en met in achtneming van de context waarin de wetgever de begrippen doelmatigheid en doeltreffendheid gebruikt leid ik de volgende definities van doelmatigheid en doeltreffendheid af. Ik definieer doelmatigheid als de theoretische geschiktheid van een maatregel om het vooropgezette doel te bereiken. Onder doeltreffendheid versta ik de mate waarin een kwaliteitsbevorderende maatregel in de praktijk ook daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de kwaliteit. Ik realiseer mij dat kwaliteit een subjectief begrip is daarom probeer ik dit begrip concreet in te vullen door te beoordelen of de kwaliteitsbevorderende wetgeving doelmatig en doeltreffend is. Om de doelmatigheid en doeltreffendheid te kunnen toetsen is het noodzakelijk het vooropgezette doel van de kwaliteitsbevorderende wetgeving te kennen. Dit doel volgt uit de toelichting bij de wet. Samenvattend bekijk ik dus aan de hand van het vooropgezette doel van de kwaliteitsbevorderende wetgeving of deze wetgeving in theorie geschikt is om dat bewuste doel in belangrijke mate te bereiken en zo ja, of dit op een effectieve wijze gebeurt.
Een onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van wetgeving komt met de nodige uitdagingen. Zo dient de toelichting bij wetgeving onder meer “de doelen die met de regeling worden nagestreefd”5 te bevatten. Dit impliceert dat er aan een wet meerdere doelstellingen ten grondslag kunnen liggen. Een wetsartikel kan een specifiek, aan het doel van de wet ondergeschikte, (sub)doelstelling hebben. En het doel van de wet of het wetsartikel kan nader gespecificeerd zijn in (beroeps)regelgeving. Terecht wordt in de nota ‘Zicht op wetgeving’ gewezen op het belang van een zo helder en volledig mogelijke formulering van de doelstellingen van wetgeving. Een concrete formulering waarbij aandacht is voor ‘doel-middel-relaties’ zal “voor een goede beoordeling van de effecten […] veelal onontbeerlijk zijn.”6 In de praktijk blijkt echter dat het doel van de wet niet altijd helder omschreven wordt.7 Daarnaast biedt de open formulering van de kwaliteitsvereisten voor wetgeving ruimte aan verschillende interpretaties. De beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van wetgeving wordt beïnvloed door de definitie van het probleem en de oplossing, het doel. Voorts hebben de vereisten doelmatigheid en doeltreffendheid een toekomstgericht karakter. Dit impliceert dat maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen de realisatie van het doel van de wetgeving in de praktijk beïnvloeden. De kwaliteitsvereisten zijn daarmee eerder kwaliteitsverwachtingen.8
Het is lastig, zo niet onmogelijk, om een algemeen toetsingskader als beoordelingscriterium voor de doelmatigheid en doeltreffendheid van wetgeving te gebruiken. Dit zou geen recht doen aan de doelstellingen van de kwaliteitsbevorderende wetgeving. De doeltreffendheid en doelmatigheid van een wet of wetsgedeelte kan dus enkel beoordeeld worden in het licht van de bij het specifieke wet(sgedeelte) behorende doelstelling. Het beoordelen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de kwaliteitsbevorderende wetgeving voor accountantsorganisaties impliceert een omvangrijke hoeveelheid beoordelingen. Ik licht in de hoofdstukken 5 tot en met 8 drie van de kwaliteitsbevorderende maatregelen uit die naar mijn mening relevant zijn omdat zij het accountantsberoep (inter)nationaal ingrijpend veranderd hebben. Ik heb daarbij gekozen voor de kwaliteitsbevorderende maatregelen die resulteerden in de invoering van (i) een externe onafhankelijke toezichthouder op de accountantsorganisaties, (ii) een onafhankelijk stelsel van intern toezicht bij Nederlandse OOB- accountantsorganisaties en (iii) de uitgebreide accountantsverklaring. Deze maatregelen beïnvloeden de context waarbinnen de accountant zijn controlewerkzaamheden verricht en de accountantsverklaring afgeeft op verschillende niveaus. De maatregelen zijn te plaatsen binnen een spectrum van meer indirecte naar directe invloed op de kwaliteit van de controle.9 De keuze voor deze maatregelen is tot op zekere hoogte arbitrair.
Bij de beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de kwaliteitsbevorderende wetgeving voor accountantsorganisaties die leidt tot de beantwoording van deze deelvraag maak ik gebruik van verschillende evaluatiemethoden. Naast enkele specifieke onderzoeksmethoden, die ik in de navolgende paragrafen bondig toelicht, maak ik in elk hoofdstuk gebruik van een kwalitatief literatuuronderzoek waarin ik naast wetenschappelijke literatuur gebruik maak van publiek beschikbare informatie.10 Tevens ondersteun ik mijn onderzoek met inzichten die ik in de praktijk heb verkregen. Ik heb twee formele bijeenkomsten georganiseerd, de eerste op 21 september 2017 bij de NBA, de tweede op 30 oktober 2017 bij de AFM. Tijdens de ronde tafel bijeenkomst bij de NBA respectievelijk de AFM is aanvullende praktijkinformatie vergaard om, onder meer, de informatie uit de literatuurstudie en duiding van de gegevens uit de accountantsverklaringen te toetsen en aan te scherpen. De eerste ronde tafel bijeenkomst was gericht op het vergaren van inzichten van beroepsbeoefenaars, de wetgever en wetenschappers. Voor deze ronde tafel bijeenkomst zijn vertegenwoordigers van de OOB-accountantsorganisaties, beroepsorganisaties, wetenschap en Ministerie van Financiën uitgenodigd. De tweede bijeenkomst was gericht op het verkrijgen van inzicht in de visie van de toezichthouder. Voor de tweede ronde tafel bijeenkomst zijn vertegenwoordigers van het toezicht op accountantsorganisaties uitgenodigd. In totaal waren er 24 aanwezigen bij de ronde tafel bijeenkomst bij de NBA, en drie bij de ronde tafel bijeenkomst bij de AFM. De aanwezigen bij de ronde tafel bijeenkomst bij de NBA vertegenwoordigden tezamen acht van de negen OOB-accountantsorganisaties, de wetenschap, het Ministerie van Financiën, NBA, Samenwerkende Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten (‘SRA’) en de MCA. De uitkomsten van de ronde tafel bijeenkomst zijn vertrouwelijk behandeld en op anonieme wijze in het proefschrift verwerkt.
In hoofdstuk 5 bespreek en beoordeel ik de drie kwaliteitsbevorderende maatregelen vanuit theoretisch juridisch perspectief. De analyse in hoofdstuk 5 vormt de basis voor de drie navolgende hoofdstukken waarin ik de doelmatigheid en doeltreffendheid van de drie beoordeelde kwaliteitsbevorderende maatregelen in de praktijk beschouw.11
In hoofdstuk 6 staat het extern toezicht op accountantsorganisaties centraal. In mijn beoordeling maak ik gebruik van en bouw ik voort op de inzichten uit de, mede door mijzelf, in 2014 uitgevoerde wetsevaluatie van de Wta. Voorts analyseer ik publiek beschikbare informatie over de toezichtsstrategie van de AFM, het gebruik van toezichts- en handhavingsbevoegdheden en de door de AFM gemaakte kosten.
De invoer van een stelsel van onafhankelijk intern toezicht en zijn plaats in de juridische structuur van (het netwerk van) de Nederlandse OOB-accountantsorganisatie vormt het uitgangspunt van hoofdstuk 7. In hoofdstuk 7 voer ik een studie uit naar de statutaire bevoegdheden van de leden belast met het intern toezicht bij de OOB-accountantsorganisaties. Hoewel deze kwaliteitsbevorderende maatregel per 1 juli 2018 in werking is getreden is beoordeling van de maatregel in de praktijk mogelijk omdat de OOB-accountantsorganisaties op deze wettelijke plicht hebben geanticipeerd met de invoer van een raad van commissarissen.12 Door het bestuderen van de statutaire bevoegdheden van de raden van commissarissen bij, en hun positionering binnen de juridische structuur van het netwerk van de OOB-accountantsorganisatie kan inzicht verkregen worden in de doelmatig- en doeltreffendheid van deze maatregel. In dit onderzoek richt ik mij op het nationale netwerk van de OOB-accountantsorganisatie. De versie van de statuten die op 1 juli 2018 beschikbaar was op company.info is gebruikt voor dit onderzoek. Met behulp van casestudy’s en op basis van publiek beschikbare gegevens breng ik – op hoofdlijnen – de juridische structuur van de negen Nederlandse OOB-accountantsorganisaties in kaart. Ik maak daarbij gebruik van publiek beschikbare informatie waaronder de informatie die de accountantsorganisaties op hun wesites beschikbaar stellen, transparantie- en jaarverslagen, het register van de AFM en company.info voor bedrijfsgegevens en statuten.13
In hoofdstuk 8 beoordeel ik de doelmatig- en doeltreffendheid van de uitgebreide accountantsverklaring waarbij ik gebruik maak van materialiteitsgegevens uit de jaarlijkse financiële verslaggeving van OOB’s uit de boekjaren 2014 tot en met 2017. “Informatie is materieel indien het weglaten of het onjuist weergeven daarvan de economische beslissingen die gebruikers op basis van de jaarrekeningen nemen, zou kunnen beïnvloeden. De materialiteit van de post of fout is afhankelijk van de omvang daarvan, beoordeeld onder de bijzondere omstandigheden waaronder het weglaten of onjuist weergeven plaatsvindt. Het begrip materialiteit verschaft dus meer een drempel of kritische grens, dan dat het een primair kwalitatief kenmerk is dat informatie moet bezitten om nuttig te zijn.”14 Materialiteit vormt een maatstaf die de gebruiker van de jaarrekening inzicht geeft in de diepgang van de controlewerkzaamheden.15 Het onderzoek naar de ontwikkeling van materialiteit bij Nederlandse OOB’s verschaft inzicht in de gehanteerde materialiteit bij Nederlandse OOB’s over meerdere jaren en biedt daardoor de mogelijkheid vergelijkingen te trekken tussen verschillende accountantsorganisaties, accountantsverklaringen en de in de controle gehanteerde materialiteit.16
Voor dit onderzoek zijn de accountantsverklaringen bestudeerd van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen waarvan (certificaten van) aandelen zijn toegelaten tot de handel op de gereglementeerde markt van Euronext Amsterdam in de indexen AEX, AMX en AScX in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017, en de Nederlandse banken en verzekeraars die opgenomen zijn in het register van De Nederlandsche Bank17 in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017.18 Alleen gegevens van OOB’s die vier achtereenvolgende jaren als OOB kwalificeerden en een accountantsverklaring deponeerden zijn meegenomen in dit onderzoek. De jaarverslaggeving is gedownload van de website van de vennootschap, uit het register financiële verslaggeving van de AFM of vanuit de database company.info.19 Van de 268 vennootschappen die vier achtereenvolgende boekjaren als OOB kwalificeerden zijn 106 vennootschappen niet meegenomen in het onderzoek. Deze vennootschappen zijn uitgesloten van het onderzoek doordat in een of meerdere boekjaren gegevens ontbraken20 en/of er sprake was van een fusie en of splitsing van de vennootschap waardoor het lastig zo niet onmogelijk is om de materialiteitsgegevens te vergelijken. In bijlage B is een overzicht opgenomen van alle in het onderzoek betrokken OOB’s. In totaal zijn er 162 OOB’s in het onderzoek betrokken. Deze OOB’s zijn verdeeld over drie groepen te weten 56 beursvennootschappen, 23 banken en 83 verzekeraars.21 Uit de accountantsverklaring is de in de controle gehanteerde materialiteit van de financiële overzichten als geheel geselecteerd. De materialiteit wordt uitgedrukt in een bedrag en is veelal gebaseerd op een percentage van een benchmark. Deze benchmark is een grootheid uit de jaarrekening, zoals het eigen vermogen of het balanstotaal, ten opzichte waarvan de accountant beoordeelt of de informatie materieel is.22 Het percentage en de benchmark die met de materialiteit samenhangt, maken eveneens deel uit van het onderzoek. Daarnaast zijn ook de toelichting op de materialiteit, de accountantsorganisatie en de naam van de accountant geselecteerd.23