Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.7:3.7 Conclusie
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.7
3.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192715:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
101. In dit hoofdstuk is de voorgeschiedenis van het dwangakkoord buiten insolventie aan de orde gekomen. Die voorgeschiedenis bestrijkt inmiddels een periode van twee decennia waarin gediscussieerd is over de wenselijkheid van een pre-insolventieakkoord en de manier waarop een dergelijke akkoordregeling zou moeten worden vormgegeven.
Het huidige Nederlandse recht kent een zestal akkoordmogelijkheden. Voor rechtspersonen met een problematische schuldenlast ontbreekt echter een regeling die het mogelijk maakt schuldeisers die op onredelijke gronden dwarsliggen te binden aan een herstructureringsplan. Buiten surseance en faillissement bestaat geen effectief instrument om het hold out-probleem te neutraliseren. Dat heeft enkele Nederlandse schuldenaren in financiële moeilijkheden ertoe gebracht hun toevlucht te zoeken in alternatieve routes. Naast een herstructurering door middel van de uitwinning van pandrechten op aandelen of met gebruikmaking van het enquêterecht, zochten ondernemingen ook hun heil aan de andere kant van Het Kanaal. Door middel van strategische rechts- en forumkeuzes werd gebruik gemaakt van de Engelse scheme of arrangement, teneinde de gewenste c.q. noodzakelijke herstructurering te effectueren.
Er is internationaal steeds meer aandacht voor instrumenten om de reorganisatie van levensvatbare ondernemingen in financiële moeilijkheden te faciliteren. Deze zogenaamde reddingscultuur heeft in vele jurisdicties geleid tot herziening van de insolventiewetgeving. Ook de Europese wetgever heeft wetgevingsinitiatieven ontwikkeld. Een niet-bindende aanbeveling inzake een nieuwe aanpak inzake faillissement en insolventie werd in 2019 opgevolgd door de Herstructureringsrichtlijn. Deze richtlijn verplicht alle lidstaten (onder meer) preventieve herstructureringsstelsels in hun nationale recht op te nemen.
In 2012 is het pre-insolventieakkoord wederom op de Nederlandse wetgevingsagenda gezet. Na een lange consultatiefase is op 5 juli 2019 het wetsvoorstel Wet Homologatie Onderhands Akkoord ingediend bij de Tweede Kamer.1