Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.1
7.1 Inleiding
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS462843:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook alinea 764 hiervoor.
Buiten deze definitie van industriële eigendom vallen dus bijvoorbeeld kwekersrechten en topografierechten, zie alinea 10 hiervoor. Zie voorts art. 1 lid 3 van het Verdrag van Parijs.
Oneerlijke mededinging wordt nader gedefinieerd in art. 10bis Verdrag van Parijs. De bestrijding van oneerlijke mededinging deed haar intrede in het Verdrag van Parijs tijdens de conferentie van Brussel in 1897 en 1900; zij werd toen geregeld in art. 10bis ('Les ressortissants de la Convention (art. 2 et 3), jouiront, dans tous les Etats de l'Union, de la protection accordée aux nationaux contre la concurrence déloyale'), zie Actes VP 1987/1900, p. 164 (voorstel Frankrijk); p. 187-188, p. 310 en p. 382-383 (Procès-verbaux); p. 359 (Tableau); en p. 411 (Actes adoptés). Tijdens de conferentie van Washington in 1911 werd oneerlijke mededinging óók in art. 2 opgenomen, zie Actes VP 1911, p. 42-43 (voorstel Bureau); p. 268-271 (Rapport I de la Sous-Commission Articles 1 et 2); p. 305 (Rapport V de la Sous-Commission Marques); p. 310 (Rapport d'ensemble); p. 334 (Actes adoptés).
Zie ook Polak 1998 (Preadvies), p. 104.
Zie ook Ulmer 1975, p. 20.
Zie bijvoorbeeld art. 4 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad van 11 april 2001, art. 136 van de Zwitserse IPR-Wet van 18 december 1987, en § 48 lid 2 van de Oostenrijkse IPR-Wet van 15 juni 1978. Zie ook Hellner 2007, p. 51-52. Zie in verband met art. 4 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad onder meer het advies van de Staatscommissie IPR van 23 december 1996 in: De Boer 1998, p. 57 (p. 64). Zie ook alinea 452 hiervoor. Zie nader Van Nispen 2007 (Onrechtmatige daad W), aant. 76-86 met verdere verwijzingen.
Verordening (EG) nr. 864/2007(PbEU 2007, L 199/40); zie par. 5.1.1 onder (c)(ii). Art. 6 van deze verordening heeft betrekking op 'oneerlijke concurrentie' (lid 1 en 2) en op 'daden die de vrije concurrentie beperken' (lid 3). Eerstgenoemde categorie wordt ook bestreken door het Verdrag van Parijs (zie art. 10bis); hier prevaleert derhalve de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van dat verdrag. Bij laatstgenoemde categorie gaat het om schendingen van het mededingingsrecht (zie overweging 22 en 23). Het lijkt onwaarschijnlijk dat de verdragsopstellers die in 1900 'oneerlijke mededinging' in het Verdrag van Parijs invoerden, daarbij ook het oog hebben gehad op schendingen van het mededingingsrecht. Zij sneden art. 10bis immers geheel toe op de traditionele 'oneerlijke concurrentie', terwijl zij toch niet onbekend kunnen zijn geweest met het mededingingsrecht (dat bestond anno 1890 immers al; in de Verenigde Staten was in 1890 de Sherman Act afgekondigd, zie Mok 2004, p. 14). Ergo: de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van het Verdrag van Parijs is niet van toepassing op 'daden die de vrije concurrentie beperken' als bedoeld in art. 6 lid 3 Rome II-Verordening, en laat de conflictregel in die bepaling dus ongemoeid. Zie, nader over art. 6, ook Schaafsma 2008, p. 1001-1003.
Deze situatie — alsook de vraag of deze situatie wenselijk is — wordt hier niet verder uitgewerkt omdat de oneerlijke mededinging buiten het bestek van deze studie valt (zie alinea 10 hiervoor, alsook alinea 1219 hierna).
In alinea's 278 e.v. hiervoor is reeds uiteengezet dat de referte aan beschermingsomvang en rechtsmiddelen in art. 5 lid 2 van de Berner Conventie geen afbakening van de reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling behelst. Het Verdrag van Parijs is in dit opzicht duidelijker, omdat het in art. 2 lid 1, tweede volzin, spreekt over 'dezelfde bescherming?'
Zie par. 5.3.2 onder (a)(i).
Zie par. 5.3, met name par. 5.3.3. Ten overvloede: op de vreemdelingenrechtelijke kant van het beginsel van nationale behandeling heeft dit alles geen effect: zowel de publiek- als de privaatrechtelijke bescherming worden beheerst door het non-discriminatiebeginsel.
Zie par. 5.3.2 onder (b)(iv). Vgl. ook Katzenberger 2006, p. 2122, nr. 127; Drexl 2006, p. 861 e.v.; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 315 met een ietwat andere indeling die op hetzelfde neerkomt. Zie ook Ladas 1938, p. 363.
Zie alinea 29 hiervoor. Voorts ligt de nadruk in dit hoofdstuk meer op de conflictenrechtelijke aspecten van de reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling dan op de vreemdelingenrechtelijke aspecten daarvan. Dat neemt niet weg dat de reikwijdte (verwijzingscategorie) van de lex loci protectionis-conflictregel en het non-discriminatiebeginsel logischerwijs gelijk zijn.
933. Inleiding. In de voorgaande twee hoofdstukken zijn de twee componenten van het beginsel van nationale behandeling onderzocht. Eerst, in hoofdstuk 5, is de conflictenrechtelijke component onderzocht, te weten de lex loci protectionisverwijzing.1 Vervolgens, in hoofdstuk 6, is de vreemdelingenrechtelijke component onderzocht, te weten het non-discriminatiebeginsel. Thans, in het onderhavige hoofdstuk 7, wordt de reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling onderzocht. De reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling is logischerwijs ook de reikwijdte van zijn twee componenten. Zij is dus de reikwijdte van het non-discriminatiebeginsel; en zij is de reikwijdte van de conflictregel, ofwel — Savigniaans geformuleerd — de omvang van de verwijzingscategorie van de lex loci protectionis-verwijzingsregel.
934. Reikwijdte is materiële toepassingsgebied. De reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling wordt bepaald door het materiële toepassingsgebied van de Berner Conventie respectievelijk het Verdrag van Parijs: waarop de verdragen van toepassing zijn, daarop is ook hun beginsel van nationale behandeling van toepassing.
935. Het materiële toepassingsgebied van de Berner Conventie laat zich kennen uit de preambule en uit artikel 1, die beide al sinds de eerste Berner conferentie in 1884 stipuleren dat de conventie strekt tot "de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst."
936. Het materiële toepassingsgebied van het Verdrag van Parijs laat zich kennen uit artikel 1: dit verdrag is van toepassing op de "bescherming van industriële eigendom", waarbij industriële eigendom is gedefinieerd als omvattende de "octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de tekeningen of modellen van nijverheid, de fabrieks- of handelsmerken, de dienstmerken, de handelsnaam en de aanduidingen van herkomst of benamingen van oorsprong, zomede de bestrijding van de oneerlijke mededinging."2 Dat laatste verdient een korte uitweiding. Wij dienen ons te realiseren dat het Parijse beginsel van nationale behandeling niet alleen op de zojuist genoemde industriële-eigendomsrechten van toepassing is, maar óók op de bestrijding van de oneerlijke mededinging.3 Ook de oneerlijke mededinging wordt dus beheerst door de conflictregel in dit beginsel van nationale behandeling, welke conflictregel — vertaald naar de oneerlijke mededinging4 — exclusief de marktregel stipuleert.5 Deze conflictregel wordt tegenwoordig alom miskend. Zo hebben nationale wetgevers specifieke conflictregels voor de oneerlijke mededinging ontwikkeld.6 En ook de Europese wetgever heeft zich niet onbetuigd gelaten: artikel 6, lid 1 en 2, van de Rome II-Verordening bevat een conflictenrechtelijke regeling voor de oneerlijke mededinging.7 Dergelijke conflictregels dienen, zo moge duidelijk zijn, te wijken voor de conflictregel van het Verdrag van Parijs, die immers prevaleert.8 Dit wordt hier terzijde opgemerkt; oneerlijke mededinging valt immers buiten het bestek van deze studie.
937. Bescherming. Keren wij terug naar de reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling: dit beginsel is, als gezegd, van toepassing op 'de bescherming' van de betrokken intellectuele-eigendomsrechten. In lijn daarmee wordt in de verdragen ook steeds gesproken over (de wetgeving van) het land waar 'de bescherming' wordt ingeroepen.9
938. Publiekrechtelijke bescherming. Het beginsel van nationale behandeling heeft betrekking op de gehele bescherming van de betrokken intellectuele-eigendomsrechten. Het ziet dus niet alleen op de privaatrechtelijke bescherming van deze rechten, maar óók op de — in de praktijk overigens minder relevante — publiekrechtelijke bescherming van die rechten, zoals door straf- en bestuursrechtelijke regelingen. In dit verband, zo kwam in hoofdstuk 5 al naar voren, brengt het buiten toepassing laten van de formele-territorialiteitscomponent van de oorspronkelijke conflictregel in het beginsel van nationale behandeling een onderscheid met zich10 Ten aanzien van de publiekrechtelijke bescherming kan deze component immers niet buiten toepassing worden gelaten; hier geldt dus nog altijd de materieel- én formeel-territoriaal toepasselijke wet. Ten aanzien van de privaatrechtelijke bescherming kan de formele-territorialiteitscomponent daarentegen wél buiten toepassing blijven; de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling is hier geconverteerd naar de lex loci protectionis-verwijzing.11
939. Privaatrechtelijke bescherming. In dit hoofdstuk staat de privaatrechtelijke bescherming centraal. Deze behelst, zo werd al in hoofdstuk 5 aangesneden, in het bijzonder12:
het object van de bescherming (wat wordt verstaan onder een werk van letterkunde of kunst, een merk, een uitvinding, enz.);
het subject van de bescherming (ten gunste van wie ontstaat het recht); de inhoud van de bescherming (ontstaan, omvang en einde van de rechten); en de handhaving van de bescherming (de 'rechtsmiddelen' en de sancties).
940. Op deze elementen is dus het beginsel van nationale behandeling, dat wil zeggen het non-discriminatiebeginsel en de lex loci protectionis-verwijzing, van toepassing, zulks uiteraard met inachtneming van eenvormig intellectuele-eigendomsrecht (ius conventionis) in de verdragen.
941. Plan van behandeling. In dit hoofdstuk worden deze vier elementen nader onderzocht, zowel voor de Berner Conventie (par. 7.2) als voor het Verdrag van Parijs (par. 7.3). Daarbij ligt, zoals steeds in deze studie, de nadruk op het auteursrecht c.q. de Berner Conventie, omdat de meeste meningsverschillen zich in het kader van die conventie voordoen.13 Vervolgens wordt in par. 7.4 stilgestaan bij een aantal terreinen waarop het beginsel van nationale behandeling, behoudens enkele kleine uitzonderingen, niet van toepassing is, namelijk exploitatie, vererving en procesrecht.