Hof 's-Hertogenbosch, 14-04-2026, nr. 20-003452-24
ECLI:NL:GHSHE:2026:1001
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
20-003452-24
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2026:1001, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 14‑04‑2026; (Hoger beroep)
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Het hof spreekt de verdachte vrij van de tenlastegelegde witwasfeiten, nu het onvoldoende duidelijk is geworden in hoeverre het gaat om geld dat aan de fiscus afgedragen had moeten worden. Voor zover al sprake zou zijn van vermenging van vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn met vermogensbestanddelen die uit een legale bron afkomstig zijn, had het vermogen in dat geval als ‘gedeeltelijk’ van misdrijf afkomstig aangemerkt dienen te worden, terwijl dit niet aan de verdachte is tenlastegelegd. Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gedurende een periode van tweeënhalve maand contacten heeft onderhouden met een persoon die via een deklading bananen vanuit Zuid-Amerika cocaïne in Nederland wilde invoeren. De verdachte heeft daartoe informatie gegeven over wat voor hem wel en niet mogelijk was om te doen, heeft foto's gemaakt van de situatie bij het bedrijf waar hij werkte in de haven en die naar die persoon gestuurd. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, en een geldboete ter hoogte van € 10.000,00 subsidiair 75 dagen hechtenis.
Parketnummer : 20-003452-24
Uitspraak : 14 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-025704-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede zal opleggen een geldboete ter hoogte van € 15.000,00. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen verbeurd zal verklaren.
De verdachte heeft het onder 1 tenlastegelegde feit bekend. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1. Door de verdediging is verder vrijspraak bepleit van de onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde feiten. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 7 juni 2020, te Ritthem , in de gemeente Vlissingen en/of te [plaats 2] , in de [gemeente] en/of te Goes , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of bewerken en/of verwerken en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere onbekend gebleven (forse) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne (in (een) deklading(en) fruit), zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of zijnde een ander middel zoals genoemd in lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)
-één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
-voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en),
hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens):
- -
een mobiele PGP-telefoon met het beveiligingsprogramma Sky ECC voorhanden gehad en/of gebruikt, en/of
- -
(als ZZP’er, vorkheftruckchauffeur, werkzaam bij [bedrijf 1] te Vlissingen) via (Sky)chatberichten contact met één of meer mededader(s) en/of contactperso(o)n(en) onderhouden en/of informatie uitgewisseld over o.a. de logistiek en/of administratie van zee- en/of landtransporten van deklading(en) bananen ten behoeve van de invoer van cocaïne en/of over de (on)mogelijkheden waarmee, hij verdachte heeft te kampen binnen [bedrijf 1] , inhoudende onder andere:
de merken bananen die door [bedrijf 1] worden overgeslagen ( [merk 1] , [merk 2] ), en/of
bedrijven die bananen overslaan bij [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] , [bedrijf 3] ), en/of
de inhoud van loslijsten en/of laadlijsten en/of laadplannen (met foto’s), en/of
de scheepslijn en/of dienstregeling en/of namen van schepen die diensten onderhouden (met foto’s) tussen Zuid-Amerika en [bedrijf 1] (zijnde o.a. [scheepslijn] ), en/of
een bananenproducent in Ecuador ( [bedrijf 4] ) (met foto), en/of
een transportbedrijf dat vaste vervoerder is bij [bedrijf 1] ( Op [bedrijf 5] ), en/of
foto’s van de ruimen van schepen (met bananen) die bij [bedrijf 1] lossen, en/of
foto’s van partijen bananen die voor Douanecontrole geselecteerd zijn (rood gearceerd op loslijsten), en/of
een foto van Vesselfinder.com (waarmee de posities van schepen inzichtelijk zijn), en/of
(een) loods(en) van [bedrijf 1] waarover hij, verdachte controle zegt te hebben, en/of
overleg over een “switch” waarvan hij, verdachte stelt te gaan kijken wat wij met die switch kunnen gaan doen, en/of
het aanbod te kunnen helpen met pallets, en/of
het bezig zijn met het “bespelen” van douane-personeel, en/of
- een of meerdere ontmoeting(en) voorgesteld en/of gehad te Goes en/of te [plaats 2] , althans ergens in Nederland, met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) deklading(en) met daarin een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval met betrekking tot het opzetten van (een) scheepslijn(en) voor de invoer van cocaïne via [bedrijf 1] ; 2. primairhij op of omstreeks 6 maart 2021 te [plaats 2] , in de [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een contant geldbedrag van 10.000 euro verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dit (contante) geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; 2. subsidiairhij op of omstreeks 6 maart 2021 te [plaats 2] , in de [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een contant geldbedrag van 10.000 euro verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dit (contante) geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf; 3.hij op een of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 10 juli 2020 tot en met 19 juli 2021 te [plaats 4] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een contant geldbedrag van in totaal 24.000 euro (bestaande uit drie contante bedragen, te weten: 8.000 euro, 6.500 euro en 9.500 euro) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat geldbedrag van in totaal 24.000 euro gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dit (contante) geldbedrag - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was uit enig misdrijf; 4.hij op een of meerdere tijdstip(pen), op of omstreeks 1 maart 2019, te [plaats 5] , in de [gemeente] , althans (ergens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen zich (telkens) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), van een of meerdere contante geldbedrag(en), te weten (circa) in totaal 28.441 euro (bestaande uit drie contante bedragen, te weten: 9.500 euro, 9.450 euro en 9.491 euro, gestort op bankrekeningen van derden), in elk geval van enig(e) contant(e) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is, en/of
heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een of meerdere contante geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat die/deze (contante) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
5.hij op of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 6 april 2018 tot en met 9 april 2020 te [plaats 2] , in de [gemeente] en/of te [plaats 5] , in elk geval (ergens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een geldbedrag van in totaal 11.656 euro, bestaande uit contante stortingen op de bankrekeningen:
- [bankrekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte] (9756 euro), en/of
- [bankrekeningnummer 2] ten name van [betrokkene 2] (1000 euro), en/of
- [bankrekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte] eo [verdachte] (900 euro),
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat geldbedrag(en) gebruik gemaakt en/of daarvan de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig misdrijf;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde
Inleiding
De politie heeft diverse onderzoeken verricht naar georganiseerde samenwerkingsverbanden
die in de haven van Vlissingen actief waren en zich bezig hielden met de invoer van cocaïne. De verdachte werd in dit onderzoek verdacht van het verrichten van strafbare voorbereidingshandelingen ten behoeve van de import van cocaïne. Naar aanleiding van voornoemde verdenking werd er ook een financieel onderzoek verricht naar het vermogen van de verdachte en zijn (toenmalige) partner [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte). Uit het financieel onderzoek is het vermoeden ontstaan dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het (eenvoudig) witwassen dan wel gewoontewitwassen van verschillende geldbedragen. Deze geldbedragen betreffen:
- -
i) een contant aangetroffen geldbedrag van € 10.000,- in de woning van verdachte en de medeverdachte tijdens de doorzoeking op 6 maart 2021 (feit 2), en
- -
ii) de in drie losse geldbedragen contant afbetaalde keuken ter waarde van € 24.000,- in de periode van 10 juli 2020 tot en met 19 juli 2020 (feit 3), en
- -
iii) de storting van contante geldbedragen van in totaal € 28.441,00 door de medeverdachte op de bankrekeningen van haar en verdachtes ouders, waarna die geldbedragen onder vermelding van ‘schenking’ zijn overmaakt naar de bankrekeningen van de medeverdachte en/of de verdachte, op 1 maart 2019 (feit 4), en
- -
iv) de storting van contante geldbedragen van in totaal € 11.656,00 op de bankrekeningen van de verdachte, de medeverdachte en zijn bedrijf, in de periode van 6 april 2018 tot en met 9 april 2020 (feit 5).
Standpunt van de advocaat-generaal
Volgens de advocaat-generaal kunnen de onder 2 subsidiair, 3, 4, en 5, tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal gerekwireerd dat de verdediging weliswaar een verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de aangetroffen geldbedragen, te weten inkomsten uit zwart werk, maar dat dan nog steeds sprake is van witwassen omdat het niet opgeven van deze inkomsten aan de fiscus en het besteden ervan ook een vorm van witwassen betreft. Het deel van deze inkomsten dat had moeten worden afgedragen aan de Belastingdienst, moet worden aangemerkt als ‘van misdrijf afkomstig’. Volgens de advocaat-generaal zijn er ook verhullingshandelingen verricht met betrekking tot de onder 4 tenlastegelegde geldbedragen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het navolgende aangevoerd.
Allereerst heeft de raadsman gewezen op het feit dat aanvankelijk het witwasdossier is opgebouwd in de veronderstelling dat de verdachte de in de tenlasteleggingen genoemde geldbedragen had verkregen middels onbekend gebleven (Opiumwet-)delicten. Volgens de verdediging heeft de verdachte hierop een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de legale herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen. De verdachte heeft in een door hem overgelegde notitie exact de herkomst van de geldbedragen uiteengezet en dit tevens onderbouwd met meerdere schriftelijke verklaringen. Uit dit overzicht volgt dat de verdachte in de periode van 2013 tot en met februari 2021 op verschillende adressen in totaal tien klussen heeft verricht die een totaalbedrag van € 24.500,00 aan contante inkomsten zouden hebben opgebracht. De medeverdachte zou volgens deze verklaring in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2022 met schoonmaakwerkzaamheden in totaal € 62.905,00 hebben verdiend. Dit betekent dat alle tenlastegelegde geldbedragen volledig afkomstig zijn van inkomsten uit arbeid en derhalve in hun geheel niet ‘van misdrijf afkomstig’ zijn.
Tegen die achtergrond heeft de raadsman aangevoerd dat een deel van die inkomsten aan de Belastingdienst afgedragen had moeten worden, maar dat dit deel een dermate miniem bedrag betrof dat niet gesproken kan worden van vermenging en dus van een geheel ‘besmet’ vermogen. Immers komt bijna 90% van de verklaarde inkomsten uit de schoonmaakwerkzaamheden van de medeverdachte, te weten € 62.095,00. Volgens de verdediging vielen de inkomsten van de medeverdachte ruimschoots binnen de Regeling Dienstverlening aan Huis, waardoor zij geen belasting hoefde te betalen. De strafzaak tegen de medeverdachte is dan ook geseponeerd. Het resterende bedrag, te weten € 8.100,00, is in ieder geval verkregen door de zwarte kluswerkzaamheden van de verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat wanneer dit bedrag in 2020 belast zou worden tegen het volle tarief van 19,45%, dit zou neerkomen op een bedrag van € 1.575,00 aan belasting en wanneer zou worden uitgegaan van de volledige zwarte inkomsten van de verdachte van € 24.500,00 de af te dragen belasting € 4.765,00 zou bedragen. Voornoemd bedrag betreft een zeer geringe omvang in verhouding tot het op legale wijze verkregen deel van meer dan € 70.000 waardoor geen sprake is geweest van vermenging in juridische zin, aldus de raadsman. Gelet op het voorgaande dient de verdachte vrijgesproken te worden van de tenlastegelegde witwasfeiten.
Oordeel van het hof
Vooropgesteld dient te worden dat het hof, evenals de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, uitgaat van de verklaringen van de verdachte dat de aangetroffen contanten en contante stortingen voor een totaalbedrag van meer dan € 70.000 zoals in de feiten 2 tot en met 5 ten laste gelegd afkomstig is van inkomsten uit zwart werk. In zoverre volgt het hof ook de verklaring van de verdachte en de medeverdachte dat het grootste gedeelte van dat bedrag, te weten € 62.095,00, geheel afkomstig is van de inkomsten uit de schoonmaakwerkzaamheden van de medeverdachte, die ook heeft verklaard dat zij degene is geweest die in ieder geval de contante stortingen, zoals opgenomen onder feit 4, heeft verricht. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen de medeverdachte heeft geseponeerd, nu het volgens het Openbaar Ministerie eerder een kwestie betreft tussen haar en de Belastingdienst.
Het resterende geldbedrag, naar het oordeel van het hof zo’n € 12.000, bedraagt in ieder geval veel minder dan de verdachte in de voorafgaande jaren stelt zwart te hebben verdiend. Het hof is van oordeel dat thans onvoldoende duidelijk is in hoeverre het gaat om geld dat aan de fiscus afgedragen had moeten worden. Voor zover al sprake zou zijn van vermenging van vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn met vermogensbestanddelen die uit een legale bron afkomstig zijn, merkt het hof op dat het vermogen in dat geval als ‘gedeeltelijk’ van misdrijf afkomstig dient te worden aangemerkt (volgens HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2010/44), terwijl dit niet aan de verdachte is tenlastegelegd. In het verlengde daarvan ligt, dat het Openbaar Ministerie aanvankelijk het witwasdossier heeft gebaseerd op de veronderstelling dat de verdachte de in de tenlasteleggingen genoemde geldbedragen had verkregen door (Opiumwet)delicten zoals ook onder 1 tenlastegelegd. Met de verdediging, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat het Openbaar Ministerie, bij gebrek aan concrete aanwijzingen over de illegale herkomst van het geld, een andere redenering heeft gekozen, die niet aansluit bij de tenlastelegging. Niet valt in te zien waarom dit niet ook, net als in de zaak van de medeverdachte, een kwestie tussen de verdachte en de Belastingdienst zou moeten zijn.
Gelet op dit alles, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.in de periode van 19 maart 2020 tot en met 7 juni 2020. in Nederland, (telkens) om een feit,
bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere onbekend gebleven (forse) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne (in (een) deklading(en) fruit), zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- ( (een) ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
hebbende verdachte:
- -
een mobiele PGP-telefoon met het beveiligingsprogramma Sky ECC voorhanden gehad en gebruikt, en
- -
(als ZZP'er, vorkheftruckchauffeur, werkzaam bij [bedrijf 1] te Vlissingen) via (Sky)chatberichten contact met één of meer mededaders en contactperso(o)n(en) onderhouden en informatie uitgewisseld over o.a. de logistiek en administratie van zee- en/of landtransporten van dekladingen bananen ten behoeve van de invoer van cocaïne en over de (on)mogelijkheden waarmee, hij verdachte heeft te kampen binnen [bedrijf 1] , inhoudende onder andere:
de merken bananen die door [bedrijf 1] worden overgeslagen ( [merk 1] , [merk 2] ), en
bedrijven die bananen overslaan bij [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] , [bedrijf 3] ), en
de inhoud van loslijsten en laadlijsten en laadplannen (met foto's), en
de scheepslijn en dienstregeling en namen van schepen die diensten onderhouden (met foto’s) tussen Zuid-Amerika en [bedrijf 1] (zijnde [scheepslijn] ), en
een bananenproducent in Ecuador ( [bedrijf 4] ) (met foto), en
een transportbedrijf dat vaste vervoerder is bij [bedrijf 1] (Op ’t Hof Transport BV), en
foto's van de ruimen van schepen (met bananen) die bij [bedrijf 1] lossen, en
foto's van partijen bananen die voor Douanecontrole geselecteerd zijn (rood gearceerd op loslijsten), en
een foto van Vesselfmder.com (waarmee de posities van schepen inzichtelijk zijn), en
loodsen van [bedrijf 1] waarover hij, verdachte controle zegt te hebben, en
overleg over een "switch" waarvan hij, verdachte stelt te gaan kijken wat wij met die switch kunnen gaan doen, en
het aanbod te kunnen helpen met pallets, en
het bezig zijn met het "bespelen" van personeel, en
- ontmoetingen voorgesteld in Nederland met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) deklading(en) met daarin een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur die het hof passend acht en eventueel een geldboete. Daartoe heeft de raadsman aan het hof verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn in deze strafzaak. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat aan de verdachte enig concreet transport of criminele samenwerkingsverband te koppelen is.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij gedurende een periode van tweeënhalve maand contacten heeft onderhouden met een persoon die via een deklading bananen vanuit Zuid-Amerika cocaïne in Nederland wilde invoeren. Hij heeft daartoe informatie gegeven over wat voor hem wel en niet mogelijk was om te doen, heeft foto's gemaakt van de situatie bij het bedrijf waar hij werkte in de haven en die naar die persoon gestuurd. Ook heeft hij ander personeel "bewerkt" om de invoer mogelijk te maken. Door aldus te handelen heeft verdachte meegewerkt in de keten van de verspreiding van verdovende middelen. De internationale drugshandel vormt een ernstige inbreuk op de Nederlandse en internationale rechtsorde. De verdachte heeft ook misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem was gesteld als medewerker van een havenbedrijf. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten kennelijk slechts gehandeld uit eigen belang en zich van de nadelige gevolgen voor anderen niets aangetrokken. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij werkzaam is als ZZP’er in de infrasector en op dit moment belangrijke beslissingen moet nemen over een aanneem-constructie, hetgeen hij nog niet heeft gedaan in afwachting van de uitkomst van de onderhavige strafzaak. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een nieuwe vriendin heeft, maar noodgedwongen nog met zijn ex-vriendin in hun huis woont, en er nog steedsconservatoir beslag rust op hun woning. Zij dragen samen de zorg van hun dochtertje met een verstandelijke beperking.
De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Het hof ziet echter in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, met name in hetgeen bij die gelegenheid is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om in de onderhavige zaak hiervan af te wijken en een gevangenisstraf geheel voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen. Het hof overweegt daarbij dat de verdachte inmiddels een positieve invulling aan zijn leven heeft gegeven en sinds het bewezenverklaarde zich niet meer schuldig heeft gemaakt aan het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep spijt betuigd en verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen, waarin hij oprecht is overgekomen.
Om die reden zal het hof aan de verdachte, als stok achter de deur zodat de verdachte zich niet nogmaals zal inlaten met het plegen van dergelijke strafbare feiten, een gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof net als de advocaat-generaal geen aanleiding om, zoals de rechtbank heeft gedaan, een locatieverbod in het havengebied van Vlissingen als bijzondere voorwaarde te koppelen aan het voorwaardelijke strafdeel.
Daarnaast zal het hof aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 10.000,00 subsidiair 75 dagen hechtenis opleggen. De geldboete dient ter afschrikking, ook in financieel opzicht, van de verdachte en anderen die het overwegen om tegen betaling hun werkpositie te misbruiken door informatie door te geven en zodoende invoer van drugs mogelijk te maken. Geldelijk gewin was immers kennelijk het doel van de verdachte om het bewezenverklaarde te plegen. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. De verdachte is immers op 18 november 2021 voor het eerst verhoord door de politie en de rechtbank heeft op 17 december 2024 vonnis gewezen. Gelet hierop is er in eerste aanleg sprake van een overschrijding van ruim 13 maanden. Niet is gebleken dat deze overschrijding aan de verdachte is te wijten. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Zonder schending van de redelijke termijn zou – naast de hierboven genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf – een onvoorwaardelijk deel voor de duur van 4 maanden gevangenisstraf passend en geboden zijn geweest. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof, in plaats van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis zal opleggen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof, conform de door de verdediging bepleite strafafdoening, de verdachte zal veroordelen tot:
- -
een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en
- -
een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, en
- -
een geldboete ter hoogte van € 10.000,00 subsidiair 75 dagen hechtenis.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Het hof stelt op basis van het dossier vast dat een geldbedrag van in totaal € 10.000,00 (beslagnummers 651821 en 651822) bij de doorzoeking in de woning van de verdachte is aangetroffen. Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van dit geldbedrag, nu niet is komen vast te staan dat dit uit enig misdrijf afkomstig is en er voorts geen strafvorderlijk belang (meer) mee is gediend om het beslag hierop te laten voortduren.
Het hof stelt voorts vast dat een geldbedrag van € 500,00 (beslagnummer 651863) in beslag is genomen tijdens een doorzoeking in de loods aan de [adres 2] . Getuige [getuige] heeft tegenover de politie verklaard, zoals weergegeven op pagina 322 van het politiedossier, dat hij die loods huurt en dat hij een gedeelte van de loods onderverhuurt aan de verdachte. Voorts heeft getuige [getuige] verklaard dat het inbeslaggenomen geldbedrag uit zijn zakenportemonnee is gepakt en het geld dus van hem afkomstig is.
Het hof overweegt dat in het beslagdossier onvoldoende duidelijk is geworden op welke plek in de loods het geldbedrag van € 500,00 is aangetroffen en derhalve wie rechthebbende is van dat geldbedrag. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan een met name te noemen persoon te gelasten. Het hof zal daarom ten aanzien van dit geldbedrag de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 178 (honderdachtenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- -
9000 EUR IBN 06-03-2021 (Omschrijving: _651821);
- -
1000 EUR IBN 06-03-2021 (Omschrijving: _651822);
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
500 EUR IBN 06-03-2021 (Omschrijving: _651863).
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.