Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/105:105 Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door een derde
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/105
105 Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door een derde
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455814:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Leeuwarden 22 september 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU3410, NJF 2005, 430.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een moeder van een door een misdrijf om het leven gekomen zoon verzocht een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van een procedure op grond van onrechtmatige daad.1 Zij meende dat het strafrechtelijk onderzoek naar de (oorzaak van de) dood van haar zoon (mogelijk) onzorgvuldig en onvolledig was geweest en wilde getuigen doen horen over het optreden en handelen van politie, justitie en het Nederlands Forensisch Instituut in het kader van dat onderzoek. Het hof oordeelde dat in beginsel:
“het handelen of het nalaten van politie en/of Openbaar Ministerie in het kader van opsporing c.q. een strafrechtelijk onderzoek een (toerekenbare) onrechtmatige daad kan opleveren (en kan leiden tot schade tot vergoeding waarvan de Staat gehouden kan zijn) en dat in het kader van een (mogelijke) procedure betreffende een vordering tot vergoeding van schade uit hoofde van dergelijk onrechtmatig handelen een voorlopig getuigenverhoor in beginsel mogelijk moet worden geacht om feiten betreffende het (al dan niet) handelen in het kader van de opsporing c.q. het strafrechtelijk onderzoek vast te stellen, zijnde de feiten waaromtrent in een (mogelijke) bodemprocedure – mede te bezien in het licht van de, in zaken als de desbetreffende, geldende (opsporings- en onderzoeks)normen en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie voor het beleid inzake opsporing en vervolging – het (juridische) oordeel omtrent de (on) rechtmatigheid dient te worden gegeven.”
Ondanks de in beginsel bestaande mogelijkheid om tijdens een voorlopig getuigenverhoor informatie te verkrijgen over het strafrechtelijk onderzoek, wees het hof het verzoek in casu af. De moeder wilde aan de getuigen (agenten en de officier van justitie) vragen stellen die waren gericht op het verkrijgen van meer duidelijkheid omtrent de beslissingen en keuzes die door de politie en het OM in het kader van het strafrechtelijk onderzoek waren gemaakt en meer inzicht in de (beweeg)redenen die ten grondslag hadden gelegen aan die keuzes en de interpretaties van de bevindingen van het verrichte onderzoek. De door verzoekster opgeworpen vragen konden geen feiten “opleveren die – indien bewezen – grond bieden voor de door haar gestelde onrechtmatigheid, laat staan dat die feiten voldoende zijn geconcretiseerd.” Het heeft geen zin feiten te onderzoeken die niet relevant zijn voor de vordering in de hoofdzaak en daarom was afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor in deze gerechtvaardigd.