De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.4.2:4.3.4.2 Invloed proceshouding in verwante zaak voor de mogelijkheid om bepaalde stellingen te betrekken
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.4.2
4.3.4.2 Invloed proceshouding in verwante zaak voor de mogelijkheid om bepaalde stellingen te betrekken
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS382288:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 mei 1995, NJ 1997, 648.
Zie in dit verband ook infra, par. 43.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
153. Uit het arrest Bink/Van Lanschot Bankiers1 kan worden afgeleid dat een goede procesorde niet kan meebrengen, dat een partij op grond van haar proceshouding in een andere zaak met een andere wederpartij wordt belet om ten processe bepaalde stellingen in te nemen.
In de procedure die Bink en zijn moeder tegen Van Lanschot Bankiers - verder te noemen de bank - hadden aangespannen, vorderde Bink vernietiging van een overeenkomst van geldlening wegens dwaling of bedrog, terwijl moeder Bink op dezelfde gronden vernietiging vorderde van de door haar verleende, aan die overeenkomst gekoppelde borgstelling. De rechtbank wees de vordering van Bink af en de vordering van moeder Bink toe. Daarop stelde Bink hoger beroep in tegen het vonnis, voor zover het betrekking had op zijn vordering, terwijl de bank hoger beroep tegen dat vonnis instelde voor zover het betrekking had op de vordering van moeder Bink. Het hof voegde beide zaken. In hoger beroep betwistte de bank een door Bink gegeven voorstelling van zaken, terwijl de bank in de procedure in eerste aanleg eenzelfde, toen door moeder Bink gegeven voorstelling van zaken onbestreden had gelaten, ook in het door haar aangespannen tussentijds appèl tegen het tussenvonnis van de rechtbank, waarin deze voorstelling van zaken tot uitgangspunt was genomen voor de beoordeling van de vorderingen van moeder Bink.
Bink stelde zich in zijn hoger beroep op het standpunt dat de bank tegenover hem niet meer kon ontkennen wat de bank tegenover zijn moeder onbestreden had gelaten. Het hof overwoog echter dat de betreffende vaststelling van de rechtbank in haar tussenvonnis betrekking had op de zaak tussen de bank en moeder Bink en dat deze vaststelling geen rechtskracht had in de zaak tussen de bank en Bink. De bank kon volgens het hof de juistheid van deze vaststelling dan ook in appèl nog tegenover Bink betwisten. In cassatie klaagde Bink erover dat het hof, mede in het licht 'van de eisen van een goede procesorde en een doelmatige procesvoering', de vaststelling van de rechtbank in het appèl van Bink tegen de Bank tot uitgangspunt had moeten nemen. De Hoge Raad verwierp die klacht:
'Noch een goede procesorde, noch een doelmatige procesvoering brengt mee dat het de Bank in de onderhavige zaak tegen Bink niet meer vrij zou staan te ontkennen wat zij in de zaak tegen mevrouw Bink onbestreden heeft gelaten.'
154. Dat een partij niet wordt gebonden aan stellingen die zij heeft ingenomen in een procedure tegen een andere partij, kan worden beschouwd als een erkenning van de autonomie van partijen om - evenals buiten proces - ook in proces te bepalen of, en zo ja, in hoeverre zij hun rechten tegenover een ander willen handhaven of verwezenlijken.
Men bedenke wel dat, indien een partij aanvoert en kan aantonen dat haar wederpartij erkent of ontkent wat zij in een andere procedure, waarin dezelfde feitelijke kwestie aan de orde was, juist heeft ontkend, respectievelijk erkend, dit tot de conclusie leidt dat die wederpartij in één van beide zaken een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Dit wil echter niet altijd zeggen dat zij ook in strijd met art. 21 Rv heeft gehandeld. Mogelijk kan de door haar gegeven onjuiste voorstelling van zaken haar niet worden toegerekend. Niet ondenkbaar is dat een partij er pas na de eerste procedure achter komt dat de werkelijkheid een andere is dan de door haar in die procedure gestelde, terwijl niet gezegd kan worden dat zij de werkelijke feiten toen al behoorde te kennen. Dat is bijvoorbeeld het geval indien een partij zich te goeder trouw baseert op de verklaringen van een derde, maar na de definitieve uitspraak van de rechter ervan op de hoogte geraakt dat die verklaringen onjuistheden bevatten.
Toont een partij aan dat de stellingname van haar wederpartij niet verenigbaar is met de proceshouding van die wederpartij in een andere procedure, dan kan de rechter daaraan het vermoeden ontlenen dat die partij in strijd met art. 21 Rv handelt. Dit kan de rechter aanleiding geven om die partij te bevelen nadere inlichtingen te geven of om de stellingen van die partij op voorhand als ongeloofwaardig te bestempelen en zonder bewijslevering terzijde te stellen.2 Heeft de partij die zich beroept op de onverenigbaarheid van de standpunten die haar wederpartij in verschillende procedures inneemt, ter onderbouwing van haar beroep stukken van die andere procedure in het geding gebracht, dan staat het de rechter gezien art. 152 Rv bovendien vrij om aan die stukken bewijswaarde toe te kennen, ten nadele van die wederpartij.