Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.7.1
1.7.1 Van de legis actiones naar het formula-proces
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644892:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gaius 4, 11: “(…) Unde eum qui de vitibus succisis ita egisset, ut in actione vites nominaret, responsum est rem perdidisse, quia debuisset arbores nominare eo quod lex XII tabularum, ex qua de vitibus succisis actio conpeteret, generaliter de arboribus succisis loqueretur.”
Kaser (1971), p. 177-178.
De legis actiones werden vanaf dat moment nog gebruikt in twee gevallen, namelijk bij de actio damni infecti en bij processen die voor de centumviri werden gebracht, zie: Kaser/Hackl (1996), p. 36.
Gaius 4, 30: “Sed istae omnes legis actiones paulatim in odium venerunt. Namque ex nimia subtilitate veterum qui tunc iura condiderunt eo res perducta est, ut vel qui minimum errasset litem perderet. Itaque per legem Aebutiam et duas Iulias sublatae sunt istae legis actiones effectumque est, ut per concepta verba, id est per formulas litigemus.”
Kaser/Hackl (1996), p. 163; Manthe (2016), p. 66.
Manthe, (2016), p. 66 e.v. Zie ook: Smit (2020), p. 15 e.v.
Runia (2016), p. 17; Kaser/Hackl (1996), p. 295; Manthe, (2016), p. 66-67.
Runia (2016), p. 17. Kaser/Hackl (1996), p. 295-296; Manthe (2016), p. 67.
Gaius 4, 39: “Partes autem formularum haec sunt: demonstratio, intentio, adiudicatio, condemnatio” ; Later werden aan deze onderdelen ook nog de exceptio en de praescriptio toegevoegd.
Gaius 4, 41: “Intentio est ea pars formulae qua actor desiderium suum concludit (…).”
Gaius 4, 40: “Demonstratio est ea pars formulae quae principio ideo inseritur, ut demonstretur res de qua agitur (…).”
Gaius. 4, 43: “Condemnatio est ea pars formulae qua iudici condemnandi absolvendive potestas permittitur (…).”
Kaser/Hackl (1996), p. 258.
Zwalve (1981), p. 4-5; Runia (2016), p. 17; Kaser/Hackl (1996), p. 266.
Coenraad (2000), p. 48.
Zoals gezegd moest de eiser bij het proces van de legis actiones zijn vordering voor de praetor uitspreken in bepaalde voorgeschreven formulae. Deze formele woorden dienden vloeiend en foutloos uitgesproken te worden. Maakte de eiser een fout, versprak hij zich, vergat hij een woord of stotterde hij, dan had hij het proces verloren. Dezelfde nauwkeurigheid gold ook voor de gedaagde die de actie van de eiser bestreed. Gaius gaf een treffend voorbeeld hoe streng de Romeinse juristen dit uitspreken hanteerden:
“… Het gevolg was, dat wie over omgehakte wijnstokken procedeerde en in zijn actie het woord ‘wijnstokken’ noemde, van de juristen te horen kreeg dat hij zijn zaak verloren had, aangezien hij ze ‘bomen’ had moeten noemen. Want de Wet der Twaalf Tafelen, op grond waarvan de actie wegens het omhakken van wijnstokken toepasselijk was, sprak nu eenmaal in algemene bewoordingen over het omhakken van bomen.”1
Vanaf de tijd van de Punische oorlogen (uitgevochten in de periode 264-146 v. Chr.) tot en met de tijd van keizer Augustus maakte het Romeinse rijk een enorme groei door. Deze bloei had ook gevolgen voor het privaatrecht. De Romeinse maatschappij transformeerde van een agrarische samenleving in een samenleving waarin het handels- en geldverkeer de belangrijkste inkomstenbronnen werden.2 In deze tijd werd het formula-proces ontwikkeld. De beginselen van het oude Romeinse procesrecht werden overgenomen, maar het strenge regime van de gesproken procesvorm werd teruggedrongen. Keizer Augustus gaf de procedure van de legis actiones aan het begin van onze jaartelling uiteindelijk de genadeklap, doordat hij de strenge voorgeschreven regels door de leges Iuliae iudiciorum privatorum afschafte.3 Gaius schreef:
“Al die wettelijke acties zijn langzamerhand een bron van ergernis geworden. Want door een al te grote letterknechterij van de oude juristen bij wie toen de rechtsvorming berustte, kwam het zover, dat wie ook maar de geringste vergissing maakte, zijn proces verloor. Daarom zijn bij de Lex Aebutia en de beide Julische wetten de wettelijke acties afgeschaft en is bewerkstelligd dat wij door middel van naar vast model geredigeerde bewoordingen, de formula namelijk, moeten procederen.”4
In de klassieke tijd was het formula-proces de procesvorm die de civielrechtelijke geschillen tussen (Romeinse) burgers beslechtte. Het was niet alleen van toepassing op het ius civile maar ook op het praetorische recht (ius honorarium).5 Verschillende onderdelen van de legis actiones bleven echter in het formula-proces gehandhaafd. Zo werd de gedaagde nog steeds voor de praetor gedagvaard met de in ius vocatio en bestond ook het formula-proces uit twee fasen: in iure en apud iudicem.6 Ook in deze procesvorm was de belangrijkste fase de eerste. In plaats van de mondeling uit te spreken formele spreuken, zoals bij de wettelijke acties, was de formula een schriftelijk stuk waarvan de woorden grotendeels al vastlagen in standaardclausules (concepta verba). Het formulier was een invuloefening en voor iedere actie had de praetor een aparte model-formula.7 De praetor wees de vordering af als de formula niet correct was ingevuld. Een formula behelsde allereerst de benoeming van een rechter (Titius iudex esto).8 Daarna volgde één lange zin, die bestond uit verschillende vaste en optionele zinsneden, clausulae genaamd. Gaius noemt enkele: de demonstratio, intentio, adiudicatio en de condemnatio:
“De formula kent de volgende bestanddelen: de beschrijving van de feitelijke toedracht, de rechtsbewering, de toescheidings- en de veroordelingsclausule.”9
Na de benoeming van de rechter volgde allereerst de juridische grondslag, de intentio:
“De rechtsbewering (intentio) is het bestanddeel van de formula waarin de eiser concludeert tot hetgeen hij verlangt (…).”10
Was de actie een persoonlijke, dan werden in de intentio de namen van de eiser en de gedaagde vermeld. De eiser stelde dat de gedaagde iets moest geven (dare), doen (facere) of presteren (praestare). Bestond het gevorderde uit een vast omschreven prestatie (certum) dan begon de intentio met de woorden “Als blijkt dat…(Si paret)”. Was de prestatie een incertum, dan ging aan de intentio een demonstratio vooraf.
“De beschrijving van de feitelijke toedracht is het bestanddeel van de formula dat aan het begin wordt geplaatst, met het doel de feiten van de zaak waarover geprocedeerd wordt te beschrijven. (…).”11
De formula eindigde met een (geldelijke) veroordeling, de condemnatio.
“De veroordelingsclausule (condemnatio) is het bestanddeel van de formula waarin de rechter de bevoegdheid wordt verleend om de eis toe te wijzen of af te wijzen (…).”12
Niet alleen de eiser, ook de gedaagde was met de praetor nauw betrokken bij het opstellen van de formula. Zo kon de gedaagde een exceptio (verweermiddel) laten opnemen. Dit verweermiddel werd tussen de intentio en de condemnatio ingevoegd. Als het verweer werd gehonoreerd maakte het de ingestelde actie van de eiser krachteloos.13 De eiser kon vervolgens weer op die exceptie reageren met een replicatio, die de exceptio weer uitschakelde. Daarop kon de gedaagde op zijn beurt op de replicatio reageren met een duplicatio, enz.14 Als uiteindelijk beide partijen en de praetor tevreden waren met de formula, dan werd er een procesovereenkomst gesloten, de al genoemde litis contestatio. Door het sluiten van de procesovereenkomst fixeerden de partijen de rechtsstrijd. Het sluiten van een procesovereenkomst was, net als bij de procedures van de legis actiones sacramento, een verplicht onderdeel in het Romeinse formula-proces. Het was niet mogelijk om zonder een van de partijen een litis contestatio te sluiten. Beiden moesten hun medewerking verlenen aan het opstellen van de formula. Ook in het formula-proces kon de gedaagde niet bij verstek worden veroordeeld.15