Procestaal: Fins.
HvJ EU, 14-01-2021, nr. C-450/19
ECLI:EU:C:2021:10
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
14-01-2021
- Magistraten
A. Arabadjiev, R. Silva de Lapuerta, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb
- Zaaknummer
C-450/19
- Conclusie
G. pitruzzella
- Roepnaam
Kilpailu- ja kuluttajavirasto
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:10, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑01‑2021
ECLI:EU:C:2020:698, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 10‑09‑2020
Uitspraak 14‑01‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Artikel 101 VWEU — Mededingingsregelingen — Manipulatie van aanbestedingsprocedures — Bepaling van de duur van de inbreukperiode — Inaanmerkingneming van de periode waarin de deelnemers aan de mededingingsregeling de mededingingsbeperkende overeenkomst ten uitvoer hebben gelegd — Economische gevolgen van de mededingingsbeperkende gedragingen — Beëindiging van de inbreuk bij de definitieve gunning van de opdracht’
A. Arabadjiev, R. Silva de Lapuerta, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb
Partij(en)
In zaak C-450/19,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) bij beslissing van 10 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 13 juni 2019, in de procedure die is ingeleid door
Kilpailu- ja kuluttajavirasto,
in tegenwoordigheid van:
Eltel Group Oy,
Eltel Networks Oy,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, A. Kumin, T. von Danwitz en P. G. Xuereb, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Kilpailu- ja kuluttajavirasto, vertegenwoordigd door J. Nyländen, J. Broms, K. Leivo en T. Mattila als gemachtigden,
- —
Eltel Group Oy en Eltel Networks Oy, vertegenwoordigd door T. Saraste, M. Joutsimo, C. Wik en A. Paanajärvi, asianajajat,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski en A. Laine als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Kanitz en J. Möller als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,
- —
de Letse regering, vertegenwoordigd door V. Soņeca, L. Juškeviča en K. Pommere als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Paasivirta, G. Meessen en L. Wildpanner als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 september 2020,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU.
2
Dit beroep is ingesteld in het kader van een procedure die door de Kilpailu- ja kuluttajavirasto (mededingings- en consumentenautoriteit, Finland) is ingesteld betreffende de rechtmatigheid van de beslissing van de markkinaoikeus (bijzondere rechter bevoegd voor handelsrecht, mededingingsrecht, overheidsopdrachten en internationaal privaatrecht, Finland) om het voorstel dat Eltel Group Oy en Eltel Networks Oy (hierna gezamenlijk: ‘Eltel’) hoofdelijk zouden worden beboet wegens schending van het Finse mededingingsrecht en het mededingingsrecht van de Unie, te verwerpen.
Fins recht
3
Overeenkomstig § 22 van kilpailunrajoituksista annettu laki 480/1992 (wet 480/1992 betreffende mededingingsbeperkingen), zoals gewijzigd bij wet 318/2004 (hierna: ‘wet betreffende mededingingsbeperkingen’), kan onder meer wegens schending van § 4 van deze wet of artikel 101 VWEU geen geldboete worden opgelegd wanneer geen daartoe strekkend voorstel is ingediend bij de markkinaoikeus binnen een termijn van vijf jaar vanaf het tijdstip waarop de mededingingsbeperking is beëindigd dan wel de mededingings- en consumentenautoriteit van die beperking kennis heeft gekregen.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
4
Op 16 april 2007 heeft Fingrid Oyj, de onderneming die eigenaar is van het hoogspanningsnet en verantwoordelijk is voor de ontwikkeling daarvan, en die in Finland de belangrijkste afnemer is van transmissiewerken voor dit soort energie, ter attentie van de exploitanten in de sector een in het Engels opgestelde aanbesteding gepubliceerd voor de aanleg van een hoogspanningstransmissielijn (400 kV) tussen de Finse plaatsen Keminmaa en Petäjäskoski (hierna: ‘hoogspanningslijn in kwestie’). Volgens deze aanbesteding moesten de offerten tegen vaste prijs uiterlijk op 5 juni 2007 zijn ingediend. In de aanbesteding was 12 november 2009 vastgesteld als uiterste datum voor de voltooiing van de werkzaamheden.
5
Op 4 juni 2007 heeft Eltel haar offerte ingediend en de opdracht is haar vervolgens gegund.
6
Op 19 juni 2007 hebben Eltel en Fingrid de overeenkomst voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie ondertekend. Op 12 november 2009 was deze aanleg voltooid. Op 7 januari 2010 heeft Fingrid de laatste tranche van de prijs voor de betreffende werkzaamheden betaald aan Eltel.
7
Op 31 januari 2013 heeft Empower Oy bij de mededingings- en consumentenautoriteit een clementieverzoek ingediend. Naar aanleiding van dat verzoek heeft die autoriteit een onderzoek ingesteld naar een mogelijke mededingingsregeling tussen die vennootschap en Eltel.
8
Op 31 oktober 2014 heeft de mededingings- en consumentenautoriteit clementie verleend aan Empower en haar van alle sancties ontheven.
9
Bij besluit van 31 oktober 2014 heeft dezelfde autoriteit de markkinaoikeus voorgesteld om Eltel Group en Eltel Networks hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een geldboete van 35 000 000 EUR wegens schending van § 4 van de wet betreffende mededingingsbeperkingen en artikel 101 VWEU, omdat zij met Empower afspraken hadden gemaakt over de prijzen, de marges en de marktverdeling voor het ontwerp en de aanleg van elektriciteitstransmissielijnen in Finland.
10
In dat besluit heeft de mededingings- en consumentenautoriteit zich onder meer op het standpunt gesteld dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk die plaatsvond tijdens bijeenkomsten van vertegenwoordigers van Empower en Eltel. Bij gelegenheid van deze bijeenkomsten hebben die vertegenwoordigers in tabellen weergegeven schattingen van toekomstige overheidsopdrachten voor elektriciteitstransmissielijnen, de prijzen daarvan, de daaruit te behalen winstmarges en de verdeling van bepaalde opdrachten besproken en soms gezamenlijk uitgewerkt. Die mededingingsregeling is uiterlijk in oktober 2004 begonnen en heeft ononderbroken voortgeduurd tot ten minste maart 2011. De inbreuk bestreek geheel Finland en kon de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
11
Bij beslissing van 30 maart 2016 heeft de markkinaoikeus overeenkomstig § 22 van de wet betreffende mededingingsbeperkingen het voorstel voor een geldboete verworpen op grond dat Eltel op 31 oktober 2009 niet langer deelnam aan de mededingingsbeperking en dat de desbetreffende inbreuk derhalve was verjaard op het ogenblik dat de mededingings- en consumentenautoriteit dit voorstel bij hem indiende, namelijk op 31 oktober 2014. Volgens de markkinaoikeus had de mededingingsregeling weliswaar betrekking op de ontwerpwerkzaamheden die voorafgingen aan de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie — deze werkzaamheden waren afzonderlijk gepland en zijn in januari 2007 voltooid — maar strekte zij zich niet uit tot de aanleg zelf van deze hoogspanningslijn.
12
De mededingings- en consumentenautoriteit is tegen de beslissing van de markkinaoikeus opgekomen bij de verwijzende rechter — de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) — en heeft verzocht die beslissing te vernietigen alsook Eltel de voorgestelde geldboete op te leggen. Die autoriteit wijst erop dat de markkinaoikeus haar voorstel tot het opleggen van een geldboete heeft ontvangen binnen de in § 22 van de wet betreffende mededingingsbeperkingen vastgestelde termijn van vijf jaar. Op 7 januari 2010 — de datum waarop Fingrid aan Eltel de laatste tranche van de prijs voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie heeft betaald — was de overeenkomst tussen deze ondernemingen nog steeds van kracht en werd de uit de mededingingsregeling voortvloeiende onrechtmatige prijsstelling nog steeds toegepast. Subsidiair voert de mededingings- en consumentenautoriteit aan dat de mededingingsbeperking op zijn vroegst is beëindigd op 12 november 2009, de datum waarop die aanleg werd voltooid. Volgens haar heeft een overeenkomst voor werkzaamheden die is gesloten met een deelnemer aan een mededingingsregeling, zeer concrete en langdurige gevolgen voor de wederpartij bij de overeenkomst, die een hogere prijs dient te betalen dan zonder de mededingingsregeling het geval zou zijn geweest, aangezien deze prijs in de loop van meerdere jaren wordt betaald naarmate het project vordert. Elk jaar waarin die wederpartij een tranche betaalt voor de werkzaamheden waarop de mededingingsregeling betrekking heeft, komen de schadelijke gevolgen van de overeenkomst rechtstreeks tot uiting in haar operationele kosten van het betreffende jaar en bijgevolg in haar economische resultaat alsook zelfs in haar concurrentievermogen op de betreffende markt. In casu heeft Fingrid voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie een hogere prijs betaald dan zonder de mededingingsregeling het geval zou zijn geweest, en deze extra kosten hebben eveneens gevolgen gehad voor de door de eindgebruikers betaalde elektriciteitstransmissieprijs.
13
Om redenen die verband houden met de beoordeling van het bewijsmateriaal ontkent Eltel het bestaan van enige mededingingsregeling tussen haar en Empower met betrekking tot de hoogspanningslijn in kwestie. Daarnaast voert zij aan dat de duur van de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie dient te worden vastgesteld aan de hand van de periode waarin de inbreukmakende ondernemingen zich onrechtmatig hebben gedragen. Wat betreft werkzaamheden waarvoor een aanbestedingsprocedure is uitgeschreven, gaat de verjaringstermijn volgens Eltel in op de datum waarop de offerte is ingediend, in casu op 4 juni 2007. Subsidiair betoogt Eltel dat wanneer na de indiening van de offerte nog over de prijs kan worden onderhandeld, de verjaringstermijn aanvangt op de datum waarop de definitieve overeenkomst is gesloten, in casu op 19 juni 2007. Volgens Eltel heeft de aangeboden dan wel de overeengekomen prijs na de indiening van de offerte of uiterlijk na de ondertekening van die overeenkomst niet langer gevolgen voor de markt, ook al neemt de verwezenlijking van het betreffende project meerdere jaren in beslag en worden de daarvoor verschuldigde tranches in de loop van meerdere jaren betaald. Noch het tempo van de werkzaamheden noch het tijdschema van de desbetreffende betalingen heeft gevolgen voor de mededinging op de markt in kwestie, aangezien geen van beide factoren de overeengekomen prijs nog wijzigt.
14
De verwijzende rechter is van oordeel dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de vaststelling van de economische gevolgen van een inbreuk op artikel 101 VWEU en de duur van deze inbreuk in een situatie waarin ten eerste een partij bij een mededingingsregeling met een derde een overeenkomst voor de uitvoering van werkzaamheden heeft gesloten tegen de in het kader van die mededingingsregeling overeengekomen prijs, ten tweede de werkzaamheden pas meerdere jaren na de sluiting van die overeenkomst worden voltooid, en ten derde de prijs in tranches wordt betaald, waarbij sommige termijnen nog worden voldaan na de voltooiing van de werkzaamheden.
15
Uit de arresten van 15 juni 1976, EMI Records (51/75, EU:C:1976:85), 3 juli 1985, Binon (243/83, EU:C:1985:284), en 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351), volgt dat voor de beoordeling van de duur van mededingingsbeperkende gedragingen de economische gevolgen en niet de juridische vorm ervan relevant zijn. De economische gevolgen van een mededingingsbeperking kunnen zelfs na de formele beëindiging van één enkele voortdurende inbreuk voortbestaan, bijvoorbeeld tot het einde van de periode gedurende welke de onrechtmatig afgesproken prijzen zijn toegepast.
16
Volgens de verwijzende rechter biedt deze rechtspraak steun aan de opvatting dat een inbreuk op artikel 101 VWEU — zoals die welke door de mededingings- en consumentenautoriteit in het hoofdgeding is vastgesteld — voortduurt totdat de door de mededingingsregeling benadeelde wederpartij bij de betreffende overeenkomst de onrechtmatig afgesproken prijs volledig heeft voldaan, aangezien deze prijs gedurende de volledige periode van de uitvoering van die overeenkomst economische gevolgen heeft voor zijn activiteiten. Die rechtspraak zou evenwel ook indirect steun kunnen bieden aan het argument dat de gevolgen van de onrechtmatig afgesproken prijs voor de mededinging voortduren totdat de offerte is ingediend of totdat de definitieve overeenkomst is gesloten, aangezien die prijs na dit tijdstip geen invloed meer heeft op de markt.
17
In deze omstandigheden heeft de Korkein hallinto-oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Kan het mededingingsstelsel van artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat in een situatie waarin een karteldeelnemer een als in de mededingingsregeling onderling afgesproken bouwovereenkomst heeft gesloten met een marktdeelnemer die niet tot het kartel behoort, de mededingingsinbreuk wegens de uit die situatie voortvloeiende economische gevolgen voortduurt zolang de contractuele verplichtingen uit de bouwovereenkomst worden nagekomen dan wel zolang voor de werkzaamheden betalingen worden verricht aan de partijen bij die overeenkomst, dat wil zeggen totdat de laatste tranche voor de werkzaamheden wordt voldaan, of ten minste totdat deze werkzaamheden worden voltooid;
of kan worden aangenomen dat de mededingingsinbreuk slechts voortduurt totdat de onderneming die zich aan die inbreuk schuldig heeft gemaakt, een offerte voor de werkzaamheden in kwestie heeft ingediend of een overeenkomst over de uitvoering van de werkzaamheden heeft gesloten?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen op welk tijdstip de veronderstelde deelname van een onderneming aan een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU die bestaat in het feit dat zij in het kader van een aanbestedingsprocedure een offerte heeft ingediend die was afgestemd op die van haar concurrenten, moet worden geacht te zijn beëindigd wanneer die onderneming die aanbestedingsprocedure heeft gewonnen en met de aanbestedende dienst een overeenkomst heeft gesloten voor werkzaamheden waarbij de uitvoering van deze werkzaamheden en de betaling van de prijs in de tijd zijn gespreid.
19
In dit verband kunnen volgens de verwijzende rechter vier tijdstippen in aanmerking worden genomen waarop de veronderstelde deelname van een onderneming aan een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU eindigt: het tijdstip waarop die onderneming haar offerte heeft ingediend, het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten, het tijdstip waarop de laatste tranche van de overeengekomen prijs is betaald en het tijdstip waarop de werkzaamheden waarop de overeenkomst betrekking heeft, zijn voltooid.
20
Volgens artikel 101, lid 1, VWEU zijn onverenigbaar met de interne markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
21
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is er reeds sprake van een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer de betrokken ondernemingen uiting hebben gegeven aan hun gezamenlijke wil om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (zie in die zin arresten van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, EU:C:1970:71, punt 112, en 29 oktober 1980, van Landewyck e.a./Commissie, 209/78–215/78 en 218/78, niet gepubliceerd, EU:C:1980:248, punt 86).
22
Het begrip ‘onderling afgestemde feitelijke gedraging’ als bedoeld in artikel 101, lid 1, VWEU ziet op een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arrest van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C-609/13 P, EU:C:2017:46, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Die voor het bestaan van een ‘onderling afgestemde feitelijke gedraging’ in de zin van die bepaling vereiste coördinatie en samenwerking moeten worden begrepen tegen de achtergrond van de in de bepalingen van het VWEU inzake mededinging besloten liggende voorstelling dat iedere marktdeelnemer zelfstandig dient te bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (arrest van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C-609/13 P, EU:C:2017:46, punt 71).
24
In zoverre staat artikel 101, lid 1, VWEU in de weg aan elk al dan niet rechtstreeks contact tussen marktdeelnemers waardoor ofwel het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent kan worden beïnvloed ofwel deze concurrent kennis kan krijgen van het marktgedrag dat de betrokken marktdeelnemer heeft besloten aan te nemen of voornemens is aan te nemen, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C-609/13 P, EU:C:2017:46, punt 72).
25
Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat overeenkomsten over de verdeling van klanten, net zoals overeenkomsten over de prijzen, tot de categorie van de ernstigste mededingingsbeperkingen behoren (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, ING Pensii, C-172/14, EU:C:2015:484, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Tevens zij eraan herinnerd dat het begrip ‘één enkele voortdurende inbreuk’, zoals dat wordt erkend in de rechtspraak van het Hof, onderstelt dat er sprake is van een ‘totaalplan’, waarvan verschillende handelingen deel uitmaken wegens hun identieke doel om de mededinging op de interne markt te verstoren, ongeacht of een of meer van die handelingen ook op zichzelf, afzonderlijk beschouwd een schending van artikel 101 VWEU kunnen vormen (arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C-702/19 P, EU:C:2020:857, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de door de mededingings- en consumentenautoriteit vastgestelde gedragingen van de bij het onderzoek van deze autoriteit betrokken ondernemingen bestonden in het feit dat vertegenwoordigers van deze ondernemingen bijeenkomsten hebben gehouden tijdens welke zij in tabellen weergegeven schattingen van toekomstige aanbestedingen voor de aanleg van elektriciteitstransmissielijnen, de prijzen daarvan, de daaruit te behalen winstmarges en de verdeling van die aanbestedingen hebben besproken en soms gezamenlijk hebben uitgewerkt, alsmede in het feit dat die ondernemingen in het kader van de betreffende aanbestedingsprocedures onderling afgestemde offertes hebben ingediend. De mededingings- en consumentenautoriteit heeft dat gedrag gekwalificeerd als één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU.
28
Wat betreft de meest recente gedragingen van Eltel die volgens de mededingings- en consumentenautoriteit deel uitmaken van die inbreuk, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat die autoriteit zich op het standpunt heeft gesteld dat Eltel vóór de indiening van de offerten in het kader van de aanbestedingsprocedure voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie — waarbij elke inschrijver een offerte tegen vaste prijs moest indienen — met haar concurrent Empower overeenstemming had bereikt over de prijs van hun respectieve offerten. Vervolgens hebben deze vennootschappen hun offerten ingediend en heeft Eltel de opdracht binnengehaald op basis van haar offerte. Deze offerte was geldig tot en met 19 juni 2007, de datum waarop Eltel en Fingrid een overeenkomst hebben gesloten tegen de in die offerte vermelde prijs.
29
Uit de overwegingen in de punten 20 tot en met 26 van dit arrest volgt dat dergelijke gedragingen, indien komt vast te staan dat zij zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, in beginsel een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU kunnen vormen.
30
Wat de beëindiging van de deelname van een onderneming aan een dergelijke inbreuk betreft, is het vaste rechtspraak dat in het mededingingsstelsel van de artikelen 101 en 102 VWEU meer gewicht wordt toegekend aan de economische gevolgen van overeenkomsten of elke vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie dan aan de juridische vorm ervan. Wanneer mededingingsregelingen niet meer van kracht zijn, is het voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU dan ook voldoende dat zij na de formele beëindiging van de heimelijke contacten effect blijven sorteren. Hieruit volgt dat de duur van de inbreukperiode kan worden beoordeeld aan de hand van de periode waarin de beschuldigde ondernemingen zich op een met die bepaling strijdige wijze hebben gedragen. Zo kan de duur van de inbreuk zich uitstrekken tot de gehele periode waarin de onrechtmatig afgesproken prijzen zijn toegepast, ook al zou de mededingingsregeling formeel gesproken reeds hebben opgehouden te bestaan (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie, C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing — zoals in punt 28 van dit arrest in herinnering is gebracht — dat de onderling afgestemde deelname aan de aanbestedingsprocedure voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie de meest recente gedraging van Eltel is die volgens de mededingings- en consumentenautoriteit deel uitmaakt van één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU. Daarnaast merkt de verwijzende rechter op dat Eltel en Empower volgens die autoriteit een akkoord hebben bereikt over de prijzen van hun respectieve offerten en dit akkoord ten uitvoer hebben gelegd door offerten in te dienen die aldus waren gecoördineerd.
32
Onder voorbehoud van een definitieve beoordeling door de verwijzende rechter in het licht van alle relevante gegevens die hem zijn overgelegd, moet dan ook worden geoordeeld dat de duur van de deelname van Eltel aan de gestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU de gehele periode bestrijkt waarin deze onderneming de met haar concurrenten gesloten mededingingsbeperkende overeenkomst ten uitvoer heeft gelegd, daaronder begrepen de periode waarin de door haar ingediende offerte tegen vaste prijs geldig was of kon worden omgezet in een definitieve overeenkomst tussen Eltel en Fingrid.
33
Anders dan de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse, de Duitse en de Letse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen aanvoeren, kan niet worden geoordeeld dat de deelname van Eltel aan de gestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU zich uitstrekt tot de periode na het tijdstip waarop de wezenlijke kenmerken van de opdracht voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie — met name de totale prijs die voor deze werkzaamheden moet worden betaald — definitief zijn vastgesteld.
34
Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 33 tot en met 35 van zijn conclusie, vereist het in punt 38 van het arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343), in herinnering gebrachte doel dat met de mededingingsregels van de Unie wordt nagestreefd — namelijk de bescherming van niet alleen de rechtstreekse belangen van de concurrenten of van de consumenten, maar ook de structuur van de relevante markt en dus de mededinging als zodanig — dat een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU wordt geacht voort te duren zolang de uit het gedrag in kwestie voortvloeiende beperking van de mededinging blijft bestaan.
35
Wanneer er sprake is van op grond van artikel 101, lid 1, VWEU verboden gedragingen die bestaan in de manipulatie van een openbare aanbestedingsprocedure door middel van een overeenkomst tussen concurrenten over de in het kader van die procedure in te dienen prijzen en/of over de gunning van de betreffende opdracht, verdwijnen de mededingingsbeperkende gevolgen van de mededingingsregeling in beginsel uiterlijk op het tijdstip waarop de wezenlijke kenmerken van de opdracht — met name de totale prijs die moet worden betaald voor de goederen, de werkzaamheden of de diensten waarop de aanbesteding betrekking heeft — definitief zijn vastgesteld, in voorkomend geval doordat een overeenkomst is gesloten tussen de geselecteerde inschrijver en de aanbestedende dienst. Vanaf dat tijdstip is de aanbestedende dienst immers definitief de mogelijkheid ontnomen om de goederen, werkzaamheden of diensten in kwestie onder normale marktvoorwaarden te verwerven respectievelijk te doen verrichten. In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht — met name de totale prijs die voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie moet worden betaald — definitief zijn vastgesteld.
36
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument dat de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse, de Duitse en de Letse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd, te weten dat de schadelijke economische gevolgen van de mededingingsregeling voor de in de overeenkomst tussen Eltel en Fingrid afgesproken prijs zich manifesteerden totdat de laatste tranche van deze prijs was betaald en dat dit op de downstream markt schadelijke economische gevolgen kon hebben, met name in de vorm van hogere elektriciteitsdistributietarieven voor de klanten van Fingrid.
37
Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 39 van zijn conclusie, moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de mededingingsbeperkende gevolgen van de mededingingsregeling — die bestaan in de uitsluiting van concurrerende inschrijvers en/of de eventueel kunstmatige beperking van de keuze van de klant, en die afbreuk doen aan de mogelijkheid waarover de aanbestedende dienst beschikt om de overeengekomen goederen, werkzaamheden of diensten onder concurrerende voorwaarden te verwerven respectievelijk te doen verrichten — en anderzijds de uit die mededingingsregeling voortvloeiende ruimere economische gevolgen die schadelijk zijn voor de overige marktdeelnemers, die daarvoor — zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt — bij de nationale rechter schadevergoeding kunnen vorderen.
38
Voorts zijn de kwesties betreffende de verjaringstermijn van een dergelijke vordering tot schadevergoeding en van een eventuele vordering van de aanbestedende dienst die ertoe strekt de rechtmatigheid van de aanbesteding te betwisten of de overeenkomst te doen ontbinden, juridische kwesties die losstaan van de kwesties betreffende de datum waarop een inbreuk op de mededingingsregels is beëindigd en de termijn waarbinnen een sanctie voor deze inbreuk kan worden opgelegd vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.
39
Evenmin kan worden ingestemd met het door de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse en de Duitse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument dat het met het doeltreffendheidsvereiste van artikel 101 VWEU in strijd zou zijn om in een situatie als in het hoofdgeding een te korte duur van de inbreuk in aanmerking te nemen, omdat de toepassing van de verjaringsregels tot gevolg zou hebben dat een groter aantal inbreuken onbestraft blijft.
40
Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 45 en 46 van zijn conclusie, is in het Unierecht — overeenkomstig beginselen die kenmerkend zijn voor een rechtsunie — als beginsel aanvaard dat er een verjaringstermijn geldt voor het optreden van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten om inbreuken op artikel 101 VWEU te vervolgen en te bestraffen, zodat de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze bepaling geen rechtvaardiging kan vormen om de duur van de inbreukperiode kunstmatig te verlengen teneinde de vervolging ervan mogelijk te maken.
41
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een onderneming die aan één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling zou hebben deelgenomen waarbij het meest recente bestanddeel van deze inbreuk bestond in het feit dat die onderneming in het kader van een aanbestedingsprocedure met het oog op de gunning van een overheidsopdracht voor werkzaamheden een offerte heeft ingediend die was afgestemd op die van haar concurrenten, deze aanbestedingsprocedure heeft gewonnen en met de aanbestedende dienst een overeenkomst voor de uitvoering van die werkzaamheden heeft gesloten waarin de wezenlijke kenmerken van deze opdracht worden vastgesteld — met name de totale prijs die voor de betreffende werkzaamheden moet worden betaald — en waarbij zowel de uitvoering van de werkzaamheden als de betaling van de prijs in de tijd is gespreid, de inbreukperiode eindigt op het tijdstip van ondertekening van de overeenkomst die tussen de betrokken onderneming en de aanbestedende dienst is gesloten op basis van de door die onderneming ingediende, op de offerte van haar concurrenten afgestemde offerte. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht — met name de totale prijs die voor de werkzaamheden moet worden betaald — definitief zijn vastgesteld.
Kosten
42
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling zou hebben deelgenomen waarbij het meest recente bestanddeel van deze inbreuk bestond in het feit dat die onderneming in het kader van een aanbestedingsprocedure met het oog op de gunning van een overheidsopdracht voor werkzaamheden een offerte heeft ingediend die was afgestemd op die van haar concurrenten, deze aanbestedingsprocedure heeft gewonnen en met de aanbestedende dienst een overeenkomst voor de uitvoering van die werkzaamheden heeft gesloten waarin de wezenlijke kenmerken van deze opdracht worden vastgesteld — met name de totale prijs die voor de betreffende werkzaamheden moet worden betaald — en waarbij zowel de uitvoering van de werkzaamheden als de betaling van de prijs in de tijd is gespreid, de inbreukperiode eindigt op het tijdstip van ondertekening van de overeenkomst die tussen de betrokken onderneming en de aanbestedende dienst is gesloten op basis van de door die onderneming ingediende, op de offerte van haar concurrenten afgestemde offerte. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht — met name de totale prijs die voor de werkzaamheden moet worden betaald — definitief zijn vastgesteld.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑01‑2021
Conclusie 10‑09‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Bepaling van de duur van een inbreuk op de mededinging — Criteria — Mededingingsregelingen die effect blijven sorteren na de formele beëindiging ervan — Voorwaarden — Vaststelling van de economische gevolgen van de mededingingsverstorende gedraging — Voltooiing van werken verscheidene jaren na sluiting van de overeenkomst — Betaling van tranches na afronding van de werken’
G. pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-450/191.
Kilpailu- ja kuluttajavirasto
in tegenwoordigheid van
Eltel Group Oy,
Eltel Networks Oy
[verzoek van de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Wanneer een vermeende inbreuk op artikel 101 VWEU de vorm aanneemt van een onderlinge afstemming met betrekking tot de indiening van offerten in het kader van een aanbesteding voor de uitvoering van constructiewerken, hoe moet dan worden beoordeeld wanneer die afstemming is beëindigd? Kan de afstemming eindigen vóór het einde van de betrokken werkzaamheden of vóór het einde van de betaling ervan? Dat is in wezen de inzet van de onderhavige prejudiciële verwijzing.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Verordening nr. 1/2003
2.
Artikel 25 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag2. luidt als volgt:
- ‘1)
De bevoegdheid van de Commissie overeenkomstig de artikelen 23 en 24 verjaart
- a)
na drie jaar bij inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties;
- b)
na vijf jaar bij de overige inbreuken.
- 2)
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
- 3)
De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie of van de mededingingsautoriteit van een lidstaat ter instructie of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemersvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen. Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name:
- a)
een schriftelijk verzoek om inlichtingen van de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat;
- b)
een door de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdracht tot inspectie;
- c)
de inleiding van een procedure door de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat;
- d)
de mededeling van punten van bezwaar door de Commissie of door de mededingingsautoriteit van een lidstaat.
- 4)
De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
- 5)
Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 6 wordt geschorst.
- 6)
De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang de beschikking van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie.’
B. Fins recht
3.
Artikel 1a van de kilpailunrajoituslaki (wet tegen mededingingsbeperkingen) bepaalt dat ‘[h]et bepaalde in de artikelen 81 en 82 van het [EG-Verdrag] van toepassing [is] wanneer een beperking van de mededinging van invloed kan zijn op de handel tussen lidstaten’.
4.
Artikel 4 van deze wet luidt als volgt:
‘Verboden zijn alle overeenkomsten tussen beroepsbeoefenaren, alle besluiten van beroepsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen van handelaren die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging in aanzienlijke mate wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
Verboden zijn overeenkomsten, besluiten en gedragingen die met name bestaan in:
- 1)
het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
- 2)
het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
- 3)
het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
- 4)
het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, waardoor zij in een ongunstige concurrentiepositie worden geplaatst; of
- 5)
het sluiten van overeenkomsten afhankelijk stellen van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.’
- 5.
Artikel 22 van deze wet bepaalt: ‘Een boete wegens met name een inbreuk op artikel 4 […] van deze wet of op artikel 81 of 82 van het EG-Verdrag kan niet worden opgelegd indien niet binnen vijf jaar na beëindiging van de beperking van de mededinging of na de datum waarop de autoriteit kennis heeft gekregen van deze beperking van de mededinging een daartoe strekkend voorstel is ingediend bij de markkinaoikeus [bijzondere rechter bevoegd voor handelsrecht, mededingingsrecht, overheidsopdrachten en ipr]’.
III. Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6.
Fingrid Oyj is de grootste afnemer van elektriciteitstransmissiewerken in Finland. Zij is er eigenaar van en verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hoogspanningsnet dat wordt gebruikt voor de algemene elektriciteitstransmissie. Op 16 april 2007 heeft zij een aanbesteding bekendgemaakt voor de aanleg van een transmissielijn van 400 kV tussen Keminmaa en Petäjäskoski. De inschrijvingen moesten uiterlijk op 5 juni 2007 worden ingediend. De werkzaamheden moesten op 12 november 2009 zijn afgerond.
7.
Op 4 juni 2007 heeft de Finse onderneming Eltel Networks Oy het bod ingediend op grond waarvan haar de opdracht is gegund. De offerte vermeldt dat de voltooiing van het project en de levering aan de klant waren voorzien voor 12 november 2009. Uit het besluit van de kilpailu- ja kuluttajavirasto (mededingings- en consumentenautoriteit, Finland; hierna: ‘mededingingsautoriteit’) blijkt dat de offerte is ingediend na voorafgaand overleg met een andere onderneming3. die partij was bij de vermeende verboden mededingingsregeling. De overeenkomst betreffende de constructiewerkzaamheden is op 19 juni 2007 ondertekend tussen Eltel Networks en Fingrid. Het werk is voltooid op 12 november 2009. De laatste tranche is betaald op 7 januari 2010.
8.
Bij beslissing van 31 oktober 2014 heeft de mededingingsautoriteit overeenkomstig het Finse recht de markkinaoikeus verzocht Eltel Networks Oy en Eltel Group Oy (hierna samen: ‘Eltel’) een hoofdelijke geldboete van 35 miljoen EUR op te leggen wegens hun vermeende deelname aan een verboden mededingingsregeling.4. Deze mededingingsregeling is volgens de beslissing van de mededingingsautoriteit uiterlijk in oktober 2004 begonnen en heeft ononderbroken voortgeduurd tot ten minste maart 2011. Eltel zou aldus artikel 4 van de wet tegen mededingingsbeperkingen en artikel 101 VWEU hebben geschonden door met een andere onderneming een overeenkomst te sluiten over de prijzen, de marges en de verdeling van markten voor het ontwerp en de aanleg van elektriciteitstransmissielijnen in Finland.
9.
Op 30 maart 2016 heeft de markkinaoikeus het verzoek van de mededingingsautoriteit om oplegging van de geldboete afgewezen. Volgens deze rechter heeft Eltel de gestelde mededingingsbeperking vóór 31 oktober 2009 beëindigd en heeft de mededingingsautoriteit niet bewezen dat de inbreuk na die datum is voortgezet. Uit artikel 22 van de wet tegen mededingingsbeperkingen blijkt dat de mededingingsautoriteit het verzoek om een geldboete binnen vijf jaar na de beëindiging van de mededingingsbeperking moet indienen bij de markkinaoikeus. Volgens de markkinaoikeus had de vermeende mededingingsregeling betrekking op de werkzaamheden voor het ontwerp van de betrokken elektriciteitslijn, maar niet op de constructiewerkzaamheden als zodanig. Het ontwerp was echter al in de loop van 2007 voltooid.
10.
De mededingingsautoriteit heeft tegen deze beslissing hogere voorziening ingesteld bij de verwijzende rechter. Volgens deze autoriteit is het akkoord tussen Eltel en de andere bij de mededingingsregeling betrokken onderneming tot stand gekomen vóór de indiening van de offerte door Eltel en heeft zij betrekking op de prijzen. Deze verboden afstemming heeft voortgeduurd tot de datum van de laatste betaling (7 januari 2010), aangezien de overeenkomst tot onrechtmatige prijsstelling op dat moment nog steeds van kracht was. Subsidiair betoogt de mededingingsautoriteit dat moet worden uitgegaan van de datum van voltooiing van de werken (12 november 2009). De economische gevolgen van de mededingingsregeling in de zin van de rechtspraak van het Hof hebben voortgeduurd. Fingrid heeft tot op die data schade geleden door de betaalde prijs. In het bijzondere geval van het plaatsen van opdrachten heeft de mededingingsregeling wegens de gespreide betaling van de prijs concrete en langdurige gevolgen. De schadelijke gevolgen van de mededingingsregeling komen elk jaar waarin de betaling van een tranche verschuldigd was tot uiting en zijn jaarlijks van invloed op de bedrijfskosten en de economische resultaten van de onderneming die het slachtoffer van de regeling was. De extra kosten die de betaalde prijs, de opbrengst van de regeling, meebrengt, worden ook doorberekend aan de klanten van de netbeheerder. De mededingingsautoriteit stelt dat zij, door haar verzoek om oplegging van een geldboete op 31 oktober 2014 bij de markkinaoikeus in te dienen, heeft gehandeld binnen de in artikel 22 van de wet tegen mededingingsbeperkingen gestelde termijn.
11.
Eltel betwist deze analyse en stelt in wezen dat de duur van de inbreuk moet worden beoordeeld aan de hand van de periode waarin de bij de mededingingsregeling betrokken ondernemingen het inbreukmakende gedrag hebben vertoond. In het geval van opdrachten voor de uitvoering van werken gaat de verjaringstermijn volgens Eltel in op de dag van indiening van de offerte, in casu 4 juni 2007. Subsidiair kan de datum van sluiting van de overeenkomst (19 juni 2007) in aanmerking worden genomen, maar na deze twee gebeurtenissen heeft de aangeboden of overeengekomen prijs die voortkomt uit de mededingingsregeling geen gevolgen meer voor de markt. Het tempo van de werkzaamheden en het tijdschema van de betalingen hebben geen invloed op de mededinging op de markt, aangezien zij geen invloed hebben op de gevraagde prijs. Andere uitleggingen, zoals de uitlegging die door de mededingingsautoriteit wordt voorgesteld, houden geen verband met het vraagstuk van de beperking van de mededinging als gevolg van de regeling en zijn in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het verzoek van de mededingingsautoriteit om oplegging van een geldboete is dus te laat bij de markkinaoikeus ingediend.
12.
De verwijzende rechter gaat uit van de veronderstelling dat de aan Eltel gegunde opdracht betrekking heeft op werken betreffende de aanleg van een elektriciteitstransmissielijn. In deze omstandigheden vraagt hij zich af tot wanneer kan worden aangenomen dat de vermeende onderling afgestemde offerte en de onrechtmatige prijsstelling die daaruit is voortgevloeid, economische gevolgen hebben gehad. Volgens de nationale rechtspraak gaat de in artikel 22 van de wet tegen mededingingsbeperkingen vastgestelde vijfjarige termijn in op de dag waarop de laatste met de inbreuk verband houdende gedraging is beëindigd. Hij vraagt zich af hoe dit moet worden beoordeeld in het geval dat een partij bij een mededingingsregeling met een niet bij deze mededingingsregeling betrokken derde een overeenkomst voor de uitvoering van werken sluit die overeenstemt met hetgeen in het kader van de mededingingsregeling is overeengekomen, waarbij de werken meerdere jaren na de verlening van de betrokken opdracht voor de uitvoering van werken zijn voltooid en voor deze opdracht verschuldigde betalingen nog na de voltooiing van het werk plaatsvinden. Hij merkt op dat de rechtspraak van het Hof geen duidelijke oplossing biedt.
13.
Enerzijds heeft het Hof volgens de verwijzende rechter in het arrest Quinn Barlo e.a./Commissie5. geoordeeld dat de economische gevolgen van een mededingingsbeperking kunnen voortduren tot het einde van de periode waarin de onrechtmatige prijzen van kracht zijn en dat voor de beoordeling van de duur van de inbreuk rekening kan worden gehouden met de periode gedurende welke de kartelprijzen van kracht zijn.6. Niet zozeer de rechtsvorm van de mededingingsverstorende gedraging is dus van belang als wel de economische gevolgen ervan. Indien ervan wordt uitgegaan dat dergelijke gevolgen zelfs na de formele beëindiging van een complexe en voortdurende inbreuk kunnen voortduren en in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de duur van de inbreuk, kan de stelling van de mededingingsautoriteit slagen. De verwijzende rechter merkt evenwel op dat de beperking van de mededinging waarom het in het arrest Quinn Barlo e.a./Commissie7. ging, van een geheel andere aard was dan die in het hoofdgeding.
14.
Anderzijds heeft het Hof in zijn arrest EMI Records8. geoordeeld dat het bij beëindigde mededingingsregelingen voor het vaststellen van de duur van de inbreuk voldoende is dat de gevolgen van die regelingen voortduren tot na de formele beëindiging, bijvoorbeeld indien de handelwijze der betrokkenen impliciet van de aan ondernemersafspraken eigen afstemmings- en coördinatie-elementen doet blijken en hetzelfde resultaat oplevert als met de ondernemersafspraak werd beoogd.9. Indien de prijzen van opdrachten voor werken en de mededingingsregeling vanaf de indieningsdatum van de offerte of de ondertekening van de overeenkomst geen gevolgen meer hebben, zoals Eltel betoogt, dient eerder de redenering van Eltel te worden gevolgd. In dat geval moet worden geoordeeld dat het verzoek van de mededingingsautoriteit om oplegging van een boete te laat is ingediend bij de markkinaoikeus.
15.
De verwijzende rechter merkt overigens op dat het vraagstuk van de duur van de vermeende inbreuk op de mededinging niet mag worden verward met dat van de schade die de slachtoffers van de gestelde mededingingsregeling eventueel hebben geleden.10.
16.
In die omstandigheden heeft de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij beslissing, ingekomen ter griffie van het Hof op 13 juni 2019, verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Kan het mededingingsstelsel van artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat een inbreuk op de mededinging, ingeval een karteldeelnemer met een marktdeelnemer die niet tot het kartel behoort een overeenkomst voor de uitvoering van werken heeft gesloten die overeenstemt met hetgeen is overeengekomen in het kader van de betrokken mededingingsregeling, wegens de uit die situatie voortvloeiende economische gevolgen voortduurt zolang de contractuele verplichtingen uit de overeenkomst voor de uitvoering van werken worden nagekomen dan wel voor de werkzaamheden betalingen worden verricht aan de partijen bij de overeenkomst, dat wil zeggen tot en met het tijdstip waarop de laatste tranche voor de werkzaamheden wordt voldaan, of ten minste tot en met het tijdstip waarop de desbetreffende werkzaamheden worden voltooid; of kan worden aangenomen dat de inbreuk op de mededinging slechts voortduurt tot het tijdstip waarop de onderneming die zich aan die inbreuk schuldig heeft gemaakt, een offerte voor de desbetreffende opdracht heeft ingediend of een overeenkomst over de uitvoering van de werkzaamheden heeft gesloten?’
IV. Procedure bij het hof
17.
De mededingingsautoriteit, Eltel, de Finse, de Duitse, de Italiaanse en de Letse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof.
18.
Na de beslissing van de Tweede kamer van het Hof van 16 april 2020 om de aanvankelijk voor het Hof geplande terechtzitting af te zeggen, hebben deze kamer en de advocaat-generaal schriftelijke vragen gesteld aan alle deelnemers aan de schriftelijke behandeling van de onderhavige prejudiciële procedure. De mededingingsautoriteit, Eltel, de Finse, de Italiaanse en de Letse regering en de Commissie hebben hun antwoorden op deze vragen aan het Hof toegezonden.
V. Analyse
19.
De verwijzende rechter wenst in wezen van het Hof te vernemen hoe het einde van een gestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU moet worden bepaald wanneer de inbreuk bestond in afstemming tussen ondernemingen die partij waren bij de mededingingsregeling over de in te dienen offerten in het kader van een opdracht voor het ontwerp en de uitvoering van werken die in casu betrekking had op de aanleg van een elektriciteitstransmissielijn. Deze vraag is aan het Hof voorgelegd in de context van een verzoek van de mededingingsautoriteit om Eltel een geldboete op te leggen, aangezien partijen in het hoofdgeding het oneens zijn over de datum waarop de verjaringstermijn voor de oplegging van de geldboete is verstreken.
A. Inleidende opmerkingen
20.
Alvorens deze vraag te onderzoeken, wil ik twee inleidende opmerkingen maken, waarvan de eerste betrekking heeft op een verduidelijking van het nationale recht en de tweede op het gedecentraliseerde karakter van de uitvoering van het mededingingsbeleid van de Unie.
21.
In de eerste plaats de stand van het nationale recht. Hoewel op de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen een sterk vermoeden van relevantie voor de beslechting van het hoofdgeding rust11., blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat artikel 22 van de wet tegen mededingingsbeperkingen voorzag in twee mogelijke vertrekpunten voor de verjaringstermijn van vijf jaar, te weten het einde van de inbreuk of het tijdstip waarop de mededingingsautoriteit op de hoogte was van de mededingingsverstorende gedragingen. Deze autoriteit heeft op 31 januari 2013 kennis gekregen van deze gedragingen en op 31 oktober 2014 haar voorstel voor een geldboete ingediend. Indien het tweede vertrekpunt van de verjaringstermijn van artikel 22 van de wet tegen mededingingsbeperkingen zou worden aanvaard, zou men kunnen twijfelen aan het nut van het antwoord van het Hof op de gestelde prejudiciële vraag voor de beslechting van het hoofdgeding.
22.
Deze twijfel is echter weggenomen door de aanvullende informatie die het Hof in antwoord op zijn vragen heeft ontvangen. Zowel voor Eltel als voor de Finse regering lijkt namelijk vast te staan dat in het geval van één enkele voortgezette inbreuk die reeds is beëindigd, alleen het eerste aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van vijf jaar — de datum waarop de inbreuk is beëindigd — van toepassing is. Er bestaat dus geen twijfel meer over het nut van de gestelde vraag voor de beslechting van het hoofdgeding.
23.
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat het hier gaat om gedecentraliseerde tenuitvoerlegging van het mededingingsbeleid van de Unie. In dit verband moet onmiddellijk worden opgemerkt dat de verjaring die van toepassing is op het optreden van de nationale mededingingsautoriteiten als zodanig niet door het Unierecht wordt geregeld.
24.
Weliswaar is hoofdstuk VII van verordening nr. 1/2003 gewijd aan verjaring, maar de regels in dat hoofdstuk zijn enkel van toepassing op de Commissie. Inzonderheid bepaalt artikel 25, lid 1, van die verordening dat de sanctiebevoegdheid van de Commissie bij inbreuken op artikel 101 VWEU onderworpen is aan een verjaringstermijn van vijf jaar. De termijn begint te lopen op de dag waarop de inbreuk is gepleegd of, bij voortdurende of voortgezette inbreuken, op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.12. Uit het dossier blijkt dat de nationale wetgever ervoor heeft gekozen voor procedures van de mededingingsautoriteit dezelfde verjaringstermijn toe te passen als de Uniewetgever voor de Commissie heeft gehanteerd, namelijk vijf jaar.
25.
In richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt13. wordt geen termijn opgelegd, maar is het beginsel neergelegd dat voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van artikel 101 VWEU moet worden voorzien in ‘werkbare regels’, die er met name in bestaan dat ‘de nationale verjaringstermijnen worden opgeschort of onderbroken voor de duur van de procedure bij [nationale mededingingsautoriteiten] van een andere lidstaat of bij de Commissie’, zonder dat de lidstaten wordt belet absolute verjaringstermijnen te handhaven of in te voeren, mits dergelijke termijnen ‘de doeltreffende handhaving van [artikel 101 VWEU] niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk’ maken.14. Artikel 29 van richtlijn 2019/1 bevestigt deze vereisten. De vaststelling van de nationale verjaringstermijn valt volgens de Uniewetgever dus onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten en daarmee onder het beginsel van procedurele autonomie.
26.
De gestelde vraag heeft evenwel niet zozeer betrekking op de duur van de verjaringstermijn op zich als wel op het tijdstip waarop deze termijn ingaat. Zoals hierboven vermeld laat verordening nr. 1/2003 de termijn ingaan op het tijdstip waarop de inbreuk is beëindigd. De vaststelling van de duur van de gestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU valt zonder enige twijfel onder het Unierecht.
B. Duur van de inbreuk in een context als van het hoofdgeding
27.
Voor de beoordeling van de duur van de gestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU in het hoofdgeding moeten de wezenlijke kenmerken ervan in herinnering worden gebracht. Deze inbreuk bestond in afstemming tussen ondernemingen met het oog op beïnvloeding van openbare aanbestedingsprocedures voor de uitvoering van werken. De opdracht is gegund in dezelfde maand waarin de offerte is ingediend. De werken en de betalingen hebben echter meerdere jaren in beslag genomen: de werken zijn twee jaar en vijf maanden na de indiening van de offerte en de sluiting van de overeenkomst beëindigd, terwijl de laatste betaling twee jaar en zeven maanden na de indiening van deze twee gebeurtenissen heeft plaatsgevonden.
1. Duur van de inbreuk in de rechtspraak van het hof
28.
De vraag naar de duur van een mededingingsregeling is vaak aan de orde voor het Hof. Aangezien de zwaarte van de sanctie met name afhangt van de duur van de inbreuk, voeren ondernemingen waaraan een met artikel 101, lid 1, VWEU strijdige gedraging wordt verweten dikwijls een betoog met betrekking tot de duur ervan met het doel om deze duur omlaag te krijgen.
29.
Zoals de verwijzende rechter aangeeft, heeft het Hof al geoordeeld dat het bij beëindigde mededingingsregelingen voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU voldoende is dat zij na hun formele beëindiging hun werking nog uitoefenen.15. Meer in het bijzonder wordt ‘een ondernemersafspraak slechts dan […] geacht haar werking nog uit te oefenen, indien de handelwijze der betrokkenen impliciet van de aan ondernemersafspraken eigen afstemmings- en coördinatie-elementen doet blijken en hetzelfde resultaat oplevert als met de ondernemersafspraak werd beoogd’.16.
30.
In het arrest Binon17. heeft het Hof heeft deze rechtspraak eveneens toegepast op uitgeverijen. In dat arrest heeft het geoordeeld dat artikel 101 VWEU ook van toepassing was geweest ‘indien de uitgevers na de beëindiging van de oude overeenkomst hun parallel gedrag zouden hebben voortgezet zonder dat een nieuwe overeenkomst tot stand was gekomen. […] Het mededingingsstelsel van de artikelen [101 en volgende VWEU] is meer geïnteresseerd in de economische gevolgen van overeenkomsten — en van iedere vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie — dan in de rechtsvorm ervan’.18. Artikel 101 VWEU zou dus als toepasselijk moeten worden beschouwd indien het geheel van de afspraken in de onderhavige zaak ‘tot resultaat [had] dat de erkenning van verkooppunten in feite [werd] overgelaten aan de beoordeling van dat agentschap of van een door dit agentschap in het kader van die overeenkomsten opgericht orgaan’.19.
31.
In het kader van het recentere arrest Quinn Barlo e.a./Commissie20. verweten rekwirantes in hogere voorziening het Gerecht schending van het algemene beginsel van het vermoeden van onschuld, doordat het de duur van de eerste periode van hun deelname aan het kartel had verlengd tot na de datum van de tweede mededingingsverstorende bijeenkomst, terwijl het Gerecht had vastgesteld dat de deelnemers tijdens die bijeenkomst in juni 1998 overeenstemming hadden bereikt over een prijsverhoging voor oktober van datzelfde jaar.21. Het Hof heeft geoordeeld dat ‘[h]et mededingingsstelsel van de artikelen 101 en 102 VWEU […] volgens vaste rechtspraak meer gewicht [toekent] aan de economische gevolgen van overeenkomsten — en van iedere vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie — dan aan de rechtsvorm ervan. Wanneer het mededingingsregelingen betreft die niet meer van kracht zijn, volstaat het derhalve voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU dat zij na de formele beëindiging van de onrechtmatige contacten effect blijven sorteren. Hieruit volgt dat de duur van een inbreuk kan worden beoordeeld aan de hand van de periode waarin de beschuldigde ondernemingen zich op een met het artikel strijdige wijze hebben gedragen […]. Met andere woorden, het Gerecht had theoretisch het bestaan van een inbreuk kunnen vaststellen, bijvoorbeeld gedurende de gehele periode waarin de heimelijk overeengekomen prijzen van kracht waren, hetgeen in casu zou hebben geleid tot een objectief minder gunstig resultaat voor de belangen van rekwirantes’.22.
32.
Hoewel de drie bovengenoemde arresten enkele interessante aanknopingspunten voor mijn analyse bevatten, moet worden vastgesteld dat geen van deze arresten op zich volstaat om de gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden. De rechtspraak van het Hof waarnaar de verwijzende rechter uitvoerig heeft verwezen, moet immers in zijn context worden geplaatst, dat wil zeggen in het specifieke kader van elke toentertijd aan de orde zijnde mededingingsregeling, waarvan geen enkele vergelijkbaar is met die van het hoofdgeding. Zo kon in de zaak die heeft geleid tot het arrest EMI23. het bestaan van impliciete afstemmings- en coördinatie-elementen worden vastgesteld. In het arrest Binon24.was de overeenkomst formeel beëindigd, maar leek er nog steeds een feitelijke overeenkomst te bestaan. Ten slotte heeft het Hof in het arrest Quinn Barlo e.a./Commissie25. weliswaar zijn rechtspraak in herinnering gebracht inzake mededingingsregelingen die niet meer van kracht zijn maar waarvan de gevolgen voortduren, maar dan om zeer concreet vast te stellen dat tijdens de laatste kartelbijeenkomst een prijsafspraak voor de toekomst was gesloten.
2. Duur van de inbreuk en beschermd rechtsbelang
33.
Deze drie arresten moeten dus in hun context worden geplaatst wat betreft het belang ervan voor de beslechting van de onderhavige zaak. Tegelijkertijd verdient het arrest T-Mobile Netherlands e.a.26. de aandacht. Daarin heeft het Hof geoordeeld dat ‘artikel [101 VWEU], zoals ook de overige mededingingsregels van het Verdrag, niet uitsluitend bedoeld [is] om de rechtstreekse belangen van de concurrenten of van de consument te beschermen, maar om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen. […] [B]ijgevolg [is er] niet eerst sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkende strekking wanneer er een rechtstreeks verband met de verbruikersprijzen bestaat. […] [E]en onderling afgestemde feitelijke gedraging [heeft] een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel [101, lid 1, VWEU] […] wanneer zij, gelet op de inhoud en het doel ervan en rekening houdend met de juridische en economische context, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt concreet kan verhinderen, beperken of vervalsen. Het is niet noodzakelijk dat de mededinging daadwerkelijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst en evenmin dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze onderling afgestemde feitelijke gedraging en de verbruikersprijzen. De uitwisseling van informatie tussen concurrenten heeft een mededingingsbeperkende strekking wanneer zij de onzekerheden over het door de betrokken ondernemingen voorgenomen gedrag kan wegnemen.’27.
34.
Zo kan op basis van het arrest T-Mobile Netherlands e.a. het vraagstuk betreffende de duur van de inbreuk vanuit een ander perspectief worden behandeld dan in de arresten EMI28., Binon29. en Quinn Barlo e.a./Commissie30., aangezien een van de fundamentele vragen die voor de bepaling van de duur van de inbreuk moeten worden beantwoord, die van het beschermde rechtsbelang is, dat wil zeggen de vrije keuze van de klant, de mogelijkheid om betere offerten te verkrijgen tegen de best mogelijke voorwaarden op basis van vrije mededinging, zoals met name de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen stelt. Derhalve bestaat de inbreuk zolang de onrechtmatige samenwerking, formeel of feitelijk, deze mogelijkheid beperkt. Voor de beoordeling van de duur van de inbreuk moet dus de weerslag van deze inbreuk op het beschermde rechtsbelang en dus uiteindelijk de precieze draagwijdte van de mededingingsregeling worden beoordeeld, een beoordeling die de verwijzende rechter dient te verrichten.
35.
Indien de in het verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven mededingingsregeling enkel betrekking had op de opdracht voor het ontwerp en de aanleg van de transmissielijn van 400 kV tussen Keminmaa en Petäjäskoski, zou de mededingingsbeperkende strekking van de mededingingsregeling naar analogie van het arrest T-Mobile Netherlands e.a.31. uiterlijk na de ondertekening van de overeenkomst verdwijnen. Na deze ondertekening was er immers geen voortdurende overeenkomst meer tussen de bij de mededingingsregeling betrokken ondernemingen32., zodat evenmin kan worden aangenomen dat de heimelijk overeengekomen prijzen, opgevat als de uitdrukking van de wil van de partijen bij de regeling om afspraken te maken over de voor toekomstige opdrachten toe te passen prijzen, nog ‘van kracht’ zouden zijn in de zin van het arrest Quinn Barlo e.a./Commissie33.. De periode gedurende welke de beschuldigde ondernemingen een verboden gedraging in de zin van dat arrest ten uitvoer hebben gelegd, zou dus eindigen met de ondertekening van de overeenkomst.
36.
Onder voorbehoud van de verificaties door de verwijzende rechter kan een dergelijke vaststelling worden verklaard door het feit dat iedere aanbesteding van werken haar eigen kenmerken heeft, onverminderd eventueel bewijs van een mededingingsregeling betreffende de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht voor de uitvoering van werken en andere soortgelijke toekomstige opdrachten.34. Indien er, met Eltel, van wordt uitgegaan dat de prijs van de opdracht voor de aanleg van de lijn Keminmaa-Petäjäskoski was bepaald op basis van de specifieke kenmerken ervan (te weten de uitvoering van een enkel werk, in een bepaald gebied, binnen een bepaalde periode en volgens een bepaald technisch procedé), zou mijns inziens niet kunnen worden aangenomen dat deze prijs op de markt in ruime zin gevolgen had gehad die verder gingen dan de overeenkomst waarin hij was vastgesteld.
3. Duur van de inbreuk en voornemen tot inbreuk
37.
Niettemin moet worden vastgesteld dat het Hof over weinig informatie beschikt over de bestanddelen van het in het hoofdgeding verweten inbreukmakende gedrag. Het beschikt bijvoorbeeld niet over informatie over eventuele onrechtmatige contacten of bijeenkomsten die na ondertekening van de overeenkomst zouden zijn voortgezet. Uit de aanvullende informatie die het Hof in het kader van de schriftelijke antwoorden op zijn vragen is verstrekt, blijkt enkel dat de manipulatie van de aanbesteding zou hebben bestaan in een overeenkomst met de andere bij de mededingingsregeling betrokken onderneming over de offerteprijs, waarbij de andere partij noodzakelijkerwijs een hogere prijs diende te vragen dan Eltel. Fingrid zou in totaal vier aanbiedingen hebben ontvangen. Indien in die omstandigheden wordt aangenomen dat de mededingingsregeling enkel betrekking had op die ene opdracht, vormt de ondertekening van de overeenkomst na afloop van de aanbestedingsprocedure niet alleen de concretisering van de mededingingsregeling, de climax van de daaruit voortvloeiende beperking van de mededinging (de potentiële concurrenten op de markt zijn uitgeschakeld), maar ook het einde van de periode waarin de heimelijk overeengekomen prijzen ‘van kracht’ waren in de zin van het arrest Quinn Barlo e.a. /Commissie.35.
38.
Met andere woorden, de duur van de inbreuk kan niet worden losgekoppeld van de bedoeling van de aan de mededingingsregeling deelnemende ondernemingen om inbreuk te maken. Op een quasi-strafrechtelijk gebied als het mededingingsrecht36. lijkt het niet toelaatbaar om de duur van de inbreuk afhankelijk te stellen van een element dat buiten de wil van de plegers staat, zoals de wijze van uitvoering van de werken of het tijdschema van de betalingen. Dat zou erop neerkomen dat aan partijen de hun toekomende mogelijkheid wordt ontnomen om op enig moment een einde te maken aan hun inbreukmakende gedrag. Kan bijvoorbeeld de duur van de inbreuk in geval van onmogelijkheid of weigering om de in de overeenkomst overeengekomen prijs te betalen, dienovereenkomstig, en dus potentieel voor onbepaalde tijd, worden verlengd op de enkele grond dat de heimelijk overeengekomen prijs nog steeds verschuldigd is? Ik denk het niet.
39.
Daarom ben ik niet overtuigd door het betoog van de mededingingsautoriteit en de Finse regering. De economische gevolgen van de mededingingsregeling mogen niet worden verward met de schadelijke gevolgen ervan. De mededingingsbeperkende gevolgen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde marktmanipulatie, die leidt tot uitsluiting van de inschrijvende concurrenten en tot de eventueel kunstmatige beperking van de keuze van de ‘klant’, moeten worden onderscheiden van de ruimere economische gevolgen die de klant en, incidenteel, de klanten van de klant hebben gehad (zoals de doorberekening door de klant van de vervalste prijs, waarbij deze doorberekening op zich niet het bewijs is dat het aan Eltel toe te rekenen inbreukmakende gedrag heeft voortgeduurd, maar slechts een van de gevolgen ervan vormt).37.
40.
In die omstandigheden kan de inbreuk uitsluitend worden voortgezet na de formele beëindiging ervan (wat in de omstandigheden van het hoofdgeding de ondertekening van de overeenkomst zou zijn) indien ook het verboden gedrag nog steeds als zodanig kan worden gekwalificeerd, evenwel zonder dat de gevolgen die niet strikt onderdeel uitmaken van het verweten concurrentieverstorende gedrag deel kunnen uitmaken van die kwalificatie.
41.
Ter bepaling van het tijdstip waarop de inbreuk in een context als in het hoofdgeding wordt beëindigd, moet ten slotte worden benadrukt dat, indien de onderneming waaraan het mededingingsverstorende gedrag wordt verweten uiteindelijk niet de opdracht heeft gekregen, de datum van indiening van de offerte — bij ontbreken van andere gegeven die doen vermoeden dat de inbreuk heeft voortgeduurd tot na de betrokken opdracht — de datum van beëindiging van de inbreuk kan zijn. Met andere woorden, de datum van ondertekening van de overeenkomst kan niet in elk geval worden beschouwd als bepalend voor het einde van de inbreuk. Het einde van de inbreuk moet noodzakelijkerwijs worden beoordeeld aan de hand van de subjectieve en objectieve elementen die deze inbreuk kenmerken.
42.
Op dezelfde voet kan de datum van ondertekening van de overeenkomst worden gezien als het einde van de inbreuk of het einde van de geldigheid van de heimelijk overeengekomen prijzen, op voorwaarde dat de overeenkomst voldoende nauwkeurig de wilsovereenstemming van partijen met betrekking tot deze elementen weergeeft. Dat veronderstelt dus dat de overeenkomst voldoende duidelijk is over, in casu, de prijs van de werken.
4. Duur van de inbreuk, daadwerkelijke uitvoering van Artikel 101 vweu en rechtsunie
43.
De mededingingsautoriteit, de Finse en de Duitse regering betogen dat de keuze van een te korte duur van de inbreuk in een geval als in het hoofdgeding aan de orde in strijd is met het doeltreffendheidsvereiste van artikel 101 VWEU.
44.
Ik ben uiteraard gevoelig voor dit argument.
45.
Aangezien in het Unierecht, overeenkomstig de kenmerkende beginselen van een rechtsunie, het beginsel is aanvaard van de verjaring van het optreden van haar instellingen en van haar nationale partners, namelijk de nationale mededingingsautoriteiten, moet, om inbreuken op artikel 101 VWEU te vervolgen en te bestraffen, worden afgezien van de idee van een absolute doeltreffendheid van artikel 101 VWEU en dus worden aanvaard dat bepaalde inbreuken op deze bepaling onbestraft blijven. Met andere woorden, het doel kan niet alle middelen heiligen.38.
46.
Bovendien gaat het in het hoofdgeding om een bijzonder geval. De vijfjarige verjaringstermijn in het nationale recht leek prima facie zeker een optreden van de mededingingsautoriteit mogelijk te maken.39. Een doeltreffende tenuitvoerlegging van artikel 101 VWEU kan geen rechtvaardiging vormen voor een kunstmatige verlenging van de duur van de inbreuk tot zelfs na de wil tot inbreukmaking van de plegers, met het doel om vervolging mogelijk te maken. Dat klemt temeer omdat de duur van de inbreuk een factor is waarmee bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening wordt gehouden, zoals de Commissie heeft benadrukt.40.
47.
Uit mijn analyse volgt derhalve dat artikel 101 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een inbreuk op de mededinging, ingeval een partij bij een mededingingsregeling met een niet bij die mededingingsregeling betrokken derde een overeenkomst voor de uitvoering van werken heeft gesloten die overeenstemt met hetgeen in het kader van de betrokken mededingingsregeling was overeengekomen, en voor zover die mededingingsregeling beperkt was tot deze opdracht, in beginsel wordt geacht te zijn beëindigd op de datum waarop de inbreukmakende onderneming de offerte betreffende de betrokken opdracht heeft ingediend of, in voorkomend geval, de overeenkomst voor de uitvoering van de werken heeft gesloten. Een dergelijke uitlegging doet echter geen afbreuk aan de beoordeling door de verwijzende rechter van de inhoud van die overeenkomst en van de mate van nauwkeurigheid ervan, met name wat de prijzen betreft, van de precieze draagwijdte van de mededingingsregeling, van de objectieve en subjectieve kenmerken ervan, van de mededingingsverstorende gevolgen ervan, en aan diens beoordeling van de analyse van de verschillende bewijzen van onrechtmatige gedragingen die aan het licht zijn gekomen door het onderzoek van de mededingingsautoriteit.
VI. Conclusie
48.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Korkein hallinto-oikeus te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een inbreuk op de mededinging, ingeval een partij bij een mededingingsregeling met een niet bij die mededingingsregeling betrokken derde een overeenkomst voor de uitvoering van werken heeft gesloten die overeenstemt met hetgeen in het kader van de mededingingsregeling in kwestie was overeengekomen, en voor zover die mededingingsregeling beperkt was tot die opdracht, in beginsel wordt geacht te zijn beëindigd op de datum waarop de inbreukmakende onderneming de offerte voor de betrokken opdracht heeft ingediend of, in voorkomend geval, de overeenkomst voor de uitvoering van de werken heeft gesloten. Een dergelijke uitlegging doet echter geen afbreuk aan de beoordeling door de verwijzende rechter van de inhoud van die overeenkomst en van de mate van nauwkeurigheid ervan, met name wat de prijzen betreft, van de precieze draagwijdte van de mededingingsregeling, van de objectieve en subjectieve kenmerken ervan, van de mededingingsverstorende gevolgen ervan, en aan diens beoordeling van de analyse van de verschillende bewijzen van onrechtmatige gedragingen die aan het licht zijn gekomen door het onderzoek van de mededingingsautoriteit.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑09‑2020
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2003, L 1, blz. 1.
De andere betrokken onderneming heeft in de loop van 2013 een clementieverzoek ingediend bij de mededingingsautoriteit, dat voor die autoriteit aanleiding is geweest om de mededingingsregeling te onderzoeken. Op 31 oktober 2014 heeft de mededingingsautoriteit deze andere onderneming clementie toegekend en haar vrijgesteld van sancties.
Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat het bestaan van een verboden mededingingsregeling tussen Eltel en de andere bij de gestelde mededingingsregeling betrokken onderneming blijkens het dossier nog steeds niet definitief in rechte is vastgesteld. Eltel betwist zowel voor de verwijzende rechter als voor het Hof dat de mededingingsautoriteit dat in haar beschikking van 31 oktober 2014 genoegzaam heeft aangetoond. De markkinaoikeus zou hebben geoordeeld dat de mededingingsregeling enkel betrekking had op de werkzaamheden voor het ontwerpen van de elektriciteitslijn waarop de aanbesteding betrekking had, anders dan de mededingingsautoriteit en de verwijzende rechter lijken te oordelen. Aangezien het niet aan het Hof staat om te bepalen of een dergelijke mededingingsregeling heeft bestaan, of de eventuele strekking ervan te bepalen, moet elke verwijzing in deze conclusie naar een mededingingsregeling waaraan Eltel heeft deelgenomen, worden opgevat als een verwijzing naar een louter vermeende verboden mededingingsregeling.
Arrest van 30 mei 2013 (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 40).
Arrest van 30 mei 2013 (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Arrest van 15 juni 1976 (51/75, EU:C:1976:85).
De verwijzende rechter verwijst hier naar de punten 30 en 31 van het arrest van 15 juni 1976, EMI Records (51/75, EU:C:1976:85).
Op dit punt preciseert de verwijzende rechter dat naar Fins recht niet de datum van betaling van de prijs, maar de datum van sluiting van de overeenkomst wordt genoemd als datum waarop de schade zich heeft voorgedaan (en dus als beginpunt van de verjaringstermijn inzake schadevergoeding).
Er is uitgebreide rechtspraak over dit onderwerp. Zie onder meer arresten van 31 januari 2017, Lounani (C-573/14, EU:C:2017:71, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 27 februari 2020, Land Sachsen-Anhalt (Bezoldiging van ambtenaren en rechters) (C-773/18–C-775/18, EU:C:2020:125, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003.
PB 2019, L 11, blz. 3. De omzettingstermijn van deze richtlijn is nog niet verstreken (zie artikel 34, lid 1, ervan).
Overweging 70 van richtlijn 2019/1.
Zie arrest van 15 juni 1976, EMI Records (51/75, EU:C:1976:85, punt 30).
Arrest van 15 juni 1976, EMI Records (51/75, EU:C:1976:85, punt 31).
Arrest van 3 juli 1985 (243/83, EU:C:1985:284).
Arrest van 3 juli 1985, Binon (243/83, EU:C:1985:284, punt 17).
Arrest van 3 juli 1985, Binon (243/83, EU:C:1985:284, punt 18).
Arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Zie arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punten 32 en 33).
Arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 40). Cursivering van mij.
Arrest van 15 juni 1976 (51/75, EU:C:1976:85).
Arrest van 3 juli 1985 (243/83, EU:C:1985:284).
Arrest van 30 mei 2013 (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Arrest van 4 juni 2009 (C-8/08, EU:C:2009:343).
Arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 38, 39 en 43). Cursivering van mij.
Arrest van15 juni 1976 (51/75, EU:C:1976:85).
Arrest van 3 juli 1985 (243/83, EU:C:1985:284).
Arrest van 30 mei 2013 (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Arrest van 4 juni 2009 (C-8/08, EU:C:2009:343).
Dit geldt ongeacht of de overeenkomst als formeel of feitelijk wordt beschouwd.
Arrest van 30 mei 2013 (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Uit het aan het Hof overgelegde dossier en uit de verjaringstermijn van vijf jaar na beëindiging van de beperking van de mededinging (zie artikel 22 van de wet tegen mededingingsbeperkingen), die van toepassing is in het hoofdgeding, lijkt echter naar voren te komen dat de vermeende mededingingsregeling niet verder reikte dan de betrokken opdracht voor de uitvoering van werken. Hoe dan ook staat het aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen.
Arrest van 30 mei 2013 (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351).
Zie over dit thema de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (C-352/09 P, EU:C:2010:635, punten 48–52), of die van advocaat-generaal Kokott in de zaak Schenker & Co. e.a. (C-681/11, EU:C:2013:126, punt 40) en haar standpuntbepaling betreffende advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM), EU:C:2014:2475, punt 149.
Ik voeg hier nog aan toe dat de kwestie van het effect van de heimelijk overeengekomen prijs op de economische capaciteit van de klant of op de prijzen die hij eventueel aan de eindafnemers heeft berekend, specifiek lijkt te moeten worden beoordeeld in een context als die van het hoofdgeding, waaruit blijkt dat het aanbod van Eltel de laagste van de vier aan Fingrid voorgelegde offerten was. Het feit dat de offerte van Eltel de laagste prijs bevatte, doet uiteraard niets af aan het mededingingsverstorende karakter ervan, gelet op het gevolg ervan dat de andere inschrijvers zijn uitgesloten [zie in die zin ook het arrest van 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie (T-29/92, EU:T:1995:34), punt 151].
Zie in dezelfde zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Toshiba Corporation e.a. (C-17/10, EU:C:2011:552, punt 54).
In het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt niet gevraagd om een oordeel over de verenigbaarheid van de nationale regels inzake verjaring met het doeltreffendheidsbeginsel van artikel 101 VWEU. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is de duur van de verjaringstermijn niet het enige criterium dat in aanmerking moet worden genomen, aangezien andere factoren — zoals factoren die verband houden met de voorwaarden waaronder deze termijn kan worden gestuit of geschorst — daartoe eveneens beslissend zijn.
Zie artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003.