Het hof overweegt in de strafmotivering op p. 11 van het arrest: “De verdachte was gedurende het grootste deel van de periode waarin de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd jonger dan 18 jaar en dus minderjarig. De psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming hebben in hun rapporten van respectievelijk 18 februari 2021 en 4 februari 2022 geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Het hof ziet daarin, met de advocaat-generaal en de verdediging, aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.” Ook de toegepaste wettelijke voorschriften geven blijk van toepassing van het jeugdstrafrecht.
HR, 24-03-2026, nr. 24/03216
ECLI:NL:HR:2026:475
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2026
- Zaaknummer
24/03216
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:475, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:64
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1416
ECLI:NL:PHR:2026:64, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:475
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑09‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0113
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. Marktplaatsfraude. Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), computervredebreuk, meermalen gepleegd (art. 138ab.1 Sr), (medeplegen) diefstal d.m.v. valse sleutel, meermalen gepleegd (art. 311.1 Sr), (medeplegen) gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en als leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.4 Sr). Strafoplegging in strijd met art. 9.4 Sr, nu aan verdachte een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk, is opgelegd in combinatie met taakstraf (werkstraf) van 90 uren, subsidiair 45 dagen jeugddetentie? Opvatting dat in deze zaak art. 9.4 Sr van toepassing is, is gelet op art. 77a Sr onjuist. Als rechter het jeugdstrafrecht toepast, zijn o.g.v. art. 77g Sr in beginsel alle combinaties van hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen mogelijk. Hof heeft in het licht van voorgaande een wettelijk toegestane combinatie van straffen opgelegd. Volgt verwerping. Samenhang met 24/03219.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03216 J
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 augustus 2024, nummer 22-002747-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.E. Kötter en J.L. L’Homme bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd, door een onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan zes maanden te combineren met een taakstraf.
2.2
Het hof heeft toepassing gegeven aan het jeugdstrafrecht en aan de verdachte een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf (werkstraf) van 90 uren opgelegd.
2.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
- Artikel 77a (oud) Sr, dat net als de hierna geciteerde artikelen is geplaatst in Titel VIII A (“Bijzondere bepalingen voor jeugdigen en jongvolwassenen”) van het Eerste Boek (“Algemene bepalingen”) en dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende bepaling:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 9 (...) niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77hh.”
- Artikel 77g Sr:
“1. In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.
2. Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen of met bijkomende straffen worden opgelegd.
3. Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.”
- Artikel 77h lid 1 Sr:
“De hoofdstraffen zijn:
a. in geval van misdrijf: jeugddetentie, taakstraf of geldboete;
b. in geval van overtreding: taakstraf of geldboete.”
2.3.2
Artikel 77g Sr is gewijzigd bij de Wet van 20 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdzorg met het oog op verruiming van de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen (gedragsbeïnvloeding jeugdigen), Stb. 2007, 575. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid houdt onder meer in:
“1.5 De uitbreiding van de mogelijkheden om jeugdsancties te combineren
(...)
Bij het leveren van maatwerk in het jeugdstrafrecht vormt het combineren van sancties één van de mogelijkheden. Bij de behoefte om per jeugdige een individuele aanpak samen te stellen uit de beschikbare mogelijkheden, past dat de wet zo min mogelijk beperkingen stelt aan het combineren van sancties. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de wettelijke beperkingen om sancties te combineren volledig op te heffen. Het is vervolgens aan de rechter om in elke individuele strafzaak maatwerk te leveren in de op te leggen straffen en maatregelen en daarbij de proportionaliteit te bewaken. Als gevolg van deze voorstellen wordt ook de beperking dat een taakstraf slechts kan worden gecombineerd met een onvoorwaardelijke jeugddetentie van maximaal drie maanden opgeheven. Met onderhavig wetsvoorstel wordt mede uitvoering gegeven aan amendement nr. 18 op het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Kamerstukken II 2003/04, 28 484, nr. 18). Dit amendement houdt in dat de zinsnede «ten hoogste drie maanden» in artikel 77g, derde lid, wordt vervangen door: ten hoogste zes maanden. Daarmee werd beoogd dat in de situatie dat een jeugdige tot de behandeling op de terechtzitting in voorlopige hechtenis verblijft en de rechter meent dat jeugddetentie niet langer geïndiceerd is, de rechter naast de op dat moment al ondergane jeugddetentie (die dan veelal net de termijn van drie maanden overschrijdt), nog een taakstraf kan opleggen. Het wetsvoorstel gaat zelfs verder dan het betreffende amendement door geen specifieke beperking meer te stellen aan de duur van de jeugddetentie voor het geval deze wordt gecombineerd met een taakstraf.
(...)
Artikel I, onderdeel B
De formulering van artikel 77g, tweede en derde lid, impliceert dat in beginsel alle combinaties van hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen mogelijk zijn. Het streven naar individueel maatwerk bij het opleggen van sancties aan jeugdigen maakt het wenselijk geen enkele combinatie wettelijk uit te sluiten. Het is aan de rechter om in elke individuele strafzaak het beoogde maatwerk te leveren en de proportionaliteit te bewaken.”
(Kamerstukken II 2005/06, 30332, nr. 3, p. 11, 12 en 19.)
2.4
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat in deze zaak artikel 9 lid 4 Sr van toepassing is. Gelet op artikel 77a Sr is die opvatting onjuist. Als de rechter het jeugdstrafrecht toepast, zijn op grond van artikel 77g Sr in beginsel alle combinaties van hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen mogelijk. Het hof heeft in het licht van het voorgaande een wettelijk toegestane combinatie van straffen opgelegd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
- vermindert deze in die zin dat deze 291 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Conclusie 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middel inhoudende dat o.g.v. art. 9 lid 4 Sr onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan zes maanden niet kan worden gecombineerd met een taakstraf faalt, nu art. 9 lid 4 Sr geen toepassing vindt in het jeugdstrafrecht (art. 77a Sr). De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak i.v.m. een ambtshalve geconstateerde overschrijding van de behandeltermijn in cassatie, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/03219
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03216 J
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 8 augustus 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002747-22) wegens:1. “oplichting, meermalen gepleegd”;2 en 3. de eendaadse samenloop van “computervredebreuk, meermalen gepleegd” en “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” en “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”;4. “medeplegen van gewoontewitwassen” en “gewoontewitwassen”; en5. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van de tijd overeenkomstig art. 27 Sr, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren, te vervangen door 45 dagen jeugddetentie. Het hof heeft daarnaast beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/03219, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L. L'Homme en J.E. Kötter, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd door onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan zes maanden te combineren met een taakstraf.
2.1.1
Het bestreden arrest houdt over de strafoplegging onder meer het volgende in:
“Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 300 (driehonderd) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 112 (honderdtwaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.”
2.2
Met een beroep op het bepaalde in art. 9 lid 4 Sr wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd, omdat op grond van die bepaling een taakstraf enkel in combinatie met een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf of de hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt. In het onderhavige geval beloopt het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie 188 dagen, dus meer 6 maanden. De combinatie van straffen mist zodoende wettelijke grondslag, aldus de stellers van het middel.
2.3
Het hof heeft in deze zaak toepassing gegeven aan het jeugdstrafrecht,1.zodat de bepalingen die zijn vervat in Titel VIII A (bijzondere bepalingen voor jeugdigen en jongvolwassenen) van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. In art. 77a Sr is (onder meer) bepaald dat ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, art. 9 lid 4 Sr niet van toepassing is. In de plaats van de in art. 77a Sr buiten toepassing verklaarde artikelen, treden de bijzondere bepalingen vervat in de artt. 77d tot en met 77gg Sr. Art. 77h lid 1 Sr houdt in dat aan een jeugdige die wordt veroordeeld voor een misdrijf als hoofdstraffen jeugddetentie, taakstraf en een geldboete kunnen worden opgelegd. Op grond van art. 77g lid 2 Sr kan een hoofdstraf zowel afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen of bijkomende straffen worden opgelegd. De bepalingen in Titel VIII A stellen – anders dan in het volwassenenstrafrecht op grond van art. 9 lid 4 Sr geldt – geen beperkingen aan de combinatie van jeugddetentie en een taakstraf. De achtergrond van dit eigen sanctiestelsel is dat de wetgever aan de rechter in het jeugdstrafrecht een grotere vrijheid heeft willen toekennen in het combineren van sancties, zodat in elke individuele strafzaak maatwerk geleverd kan worden. Het is daarbij aan de rechter om in de straftoemeting de proportionaliteit te bewaken.2.
2.4
Het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 19 december 2025 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Andere gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2026
Kamerstukken II, 2005/06, 30332, 3, p. 12.
Beroepschrift 09‑09‑2025
Cassatieschriftuur
Zaak | : [verdachte] / OM |
Advocaten | : mr. J.E. Kötter en mr. drs. J.L. L'Homme |
Schriftuur houdende één middel van cassatie in de zaak van:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats]
Rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uitgesproken op 8 augustus 2024 met parketnummer 22/002747-22
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn artikel 9, vierde lid, Wetboek van Strafrecht en de artikelen 350 en 359 in verbinding met artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het hof rekwirant heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan zes maanden in combinatie met een taakstraf. Een dergelijke cumulatie van straffen is wettelijk uitgesloten en kent derhalve geen wettelijke grondslag. Het arrest kan om die reden niet in stand blijven.
1.
Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
‘Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 300 (driehonderd) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 112 (honderdtwaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.’
2.
Artikel 9, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat naast een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een taakstraf kan worden opgelegd. Die mogelijkheid is echter beperkt tot gevallen waarin de vrijheidsstraf geheel voorwaardelijk is, dan wel indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt.
3.
De bepaling luidt immers:
‘In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.’
Het hof heeft rekwirant veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 300 (driehonderd) dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel beloopt derhalve 188 dagen, Daarmee overschrijdt de opgelegde vrijheidsstraf de wettelijke maximumduur van zes maanden als bedoeld in artikel 9, vierde lid, Sr. De door het hof opgelegde combinatie van straffen is derhalve in strijd met voornoemde bepaling, en kunt dus geen wettelijke grondslag, reden waarom het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
4.
Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad kan in gevallen waarin de strafoplegging strijd oplevert met artikel 9, vierde lid, Sr, cassatie niet achterwege blijven en ligt terugwijzing in de rede. Daarbij geldt dat de feitenrechter, binnen de wettelijke bandbreedte, opnieuw zal moeten beoordelen op welke wijze de door hem beoogde strafdoelen — waaronder het voorkomen van vrijheidsbeneming teneinde positieve ontwikkelingen niet te doorkruisen, en het hanteren van een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur — het best kunnen worden gerealiseerd.
Rekwirant heeft belang bij cassatie, daar het volgen van vorenstaande zou maken dat de opgelegde combinatie van straffen geen stand kan houden.
Rekwirant verzoekt Uw Edelhoogachtbaar College derhalve het door hem bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 8 augustus 2024 te vernietigen uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. J.E. Kötter en J.L. L'Homme, kantoor houdende te (1071 VG) Amsterdam aan de Roelof Hartstraat 31, die hierbij verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 9 september 2025
mr J.E. Kötter en mr. drs. J.L. L'Homme, raadslieden