Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.4
IV.2.4 Het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460144:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sommige auteurs vragen zich af of een verwijt niet uit de aard der zaak persoonlijk is. Zie bijvoorbeeld Karapetian 2019, p. 22; Verstijlen 2013.
Karapetian 2019, p. 22-23 schrijft dat het aannemelijk is dat de Hoge Raad “met de woorden ‘persoonlijk (ernstig) verwijt’ tot uitdrukking wil brengen dat aansprakelijkheid van de bestuurder uit onrechtmatige daad op subjectieve schuld dient te zijn gebaseerd”. Voor zover de te beoordelen gedraging verband houdt met de taakvervulling van de bestuurder, ziet Karapetian wel ruimte voor enige objectivering. Vergelijkbaar, Verstijlen 2013. Deze interpretatie van het woord ‘persoonlijk’ strookt mijns inziens echter niet met de (objectieve) invulling die de Hoge Raad in jurisprudentie heeft gegeven aan de ‘ernstig verwijt’-maatstaf. Zie wat ik hierover opmerk in par. IV.2.4.5 onder het kopje ‘Gezichtspunten voor andere gevalstypen’, en in par. IV.5.4 onder het kopje ‘Verkeersopvatting’.
Zie hierboven par. IV.2.2.1.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.4.2 en 3.5.1. Bij de toepassing van artikel 2:11 BW lijkt op dit uitgangspunt een uitzondering te worden gemaakt: HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215, m.nt. Van Schilfgaarde (Kampschöer/Le Roux Fruit Exporters). Waarover kritisch Vetter 2017 en Lennarts 2017, par. 4.1.2.
Waarover terecht kritisch Lennarts in haar annotatie onder het X/TMF-arrest, p. 469 en Westenbroek 2018c, par. 4.4.
HR 25 november 1927, ECLI:NL:HR:1927:BG9436, NJ 1928, p. 364, m.nt. Scholten (Kretschmar/Mendes de Léon).
Zie bijvoorbeeld HR 13 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC3112, NJ 1986/825 (De Leeuw/Wijnen), waarin de Hoge Raad bepaalt dat het enkele feit dat een (mede)bestuurder niet erop toeziet dat de vennootschap tijdig diens betalingsverplichting jegens een crediteur nakomt, in beginsel onvoldoende is om hem persoonlijk aansprakelijk te stellen. Aldus ook Assink e.a. 2011, p. 18-19; HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2812, NJ 1999/318, m.nt. Maeijer (Pelco/Sturkenboom) r.o. 3.6 e.v., waarin wordt geoordeeld dat voor aansprakelijkheid de commissaris of bestuurder is vereist dat deze persoonlijk een verwijt moet worden gemaakt. Zie voorts HR 7 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2485, NJ 1998/269 (Kandel/Koolhaas).
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81 m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.3.3.
Zie verder par.IV.2.2.3 onder toerekenbaarheid en par. IV.5.4.
Zie bijvoorbeeld Van Dam 2000, p. 273; De Valk 2009, p. 137-140; Karapetian 2019, p. 21-22; Verstijlen 2013.
Strik 2010, p. 40 e.v.
Strik 2010, p. 41 en Asser/Sieburgh 6-IV 2019/106 met uitvoerige verwijzingen.
Dit is te herkennen aan de zinsnede ‘wist of behoorde naar objectieve maatstaven te begrijpen’, zie o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, NJ 2009/418, m.nt. Van Schilfgaarde (Eurocommerce), r.o. 4.2-4.3 en opnieuw in o.a. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), 3.5.2.
Aldus Assink e.a., 2011, p. 31-32, en 63.
Zie Timmerman 2016b, p. 327.
Zie voorts wat ik hierover schrijf in par. IV.5.4 onder het kopje ‘Verkeersopvatting’.
In de voorgaande paragraaf is in beeld gebracht hoe de ernstig verwijt-maatstaf is beland in de onrechtmatige daad. Hierna ga ik nader in op de betekenis van deze maatstaf. Om te beginnen met het eerste woord uit het criterium: wat bedoelt de Hoge Raad met het (ogenschijnlijk pleonastische1) vereiste dat het ernstige verwijt een persoonlijk karakter moet hebben?
Hierover bestaan verschillende ideeën.2 De gangbare – en mijns inziens meest overtuigende –interpretatie is dat het woord ‘persoonlijk’ erop wijst dat bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad géén collectief karakter heeft.3 Oftewel, anders dan bij aansprakelijkheid op basis van artikelen 2:9 BW of 2:138/248 BW,4 is bij bestuurdersaansprakelijkheid op basis van 6:162 BW niet collegiale verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid behoudens disculpatie het uitgangspunt, maar moet de onrechtmatige daad persoonlijk aan de bestuurder worden toegerekend.5
Hierbij past wel een kanttekening: in het X/TMF-arrest overweegt de Hoge Raad dat onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak van medebestuurder onder omstandigheden ernstig verwijtbaar kan zijn. Door deze overweging van de Hoge Raad krijgt de aansprakelijkheid van de bestuurder toch een collegiaal randje. Er blijft mijns inziens echter sprake van een persoonlijk verwijt, omdat de bestuurder zelf moet worden verweten dat deze onvoldoende toezicht houdt op diens medebestuurders.
Helaas heeft de Hoge Raad in dit arrest niet verduidelijkt onder wélke omstandigheden onvoldoende toezicht persoonlijke aansprakelijkheid kan opleveren. Kennelijk was de trustkantoor-bestuurder uit dit arrest niet gehouden tot het inwinnen van deskundig advies over de toepasselijke wet- en regelgeving op het terrein dat niet tot zijn takenpakket behoort.6
Het persoonlijke karakter van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad volgt reeds uit het Kretschmar-arrest7 en is herhaald in daaropvolgende jurisprudentie van de Hoge Raad.8 In een arrest uit 2018 overweegt de Hoge Raad als volgt:9
“3.3.3 Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, (..) voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.”
De Hoge Raad beklemtoont dat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW een onrechtmatige daad persoonlijk aan de bestuurder moet kunnen worden toegerekend. De Hoge Raad bemerkt dat dit uit het persoonlijke karakter van het ernstig verwijt volgt, echter is hier geen sprake van een afwijkende regeling voor bestuurders. Toerekenbaarheid van de onrechtmatige handelen is een constitutief vereiste van de onrechtmatige daad. Met de toerekening wordt een verband gelegd tussen de dader van de daad en zijn gedraging.10 Artikel 6:162 lid 3 BW bepaalt dat een onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend, ‘indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt’.11
Sommige auteurs betogen dat vanwege het persoonlijke karakter van de ernstig verwijt-maatstaf toerekening aan de bestuurder op basis van verkeersopvatting niet mogelijk is.12 Met Strik meen ik dat deze opvatting niet klopt, omdat deze uitgaat van een te ruime uitleg van het schuldbegrip.13 De toerekeningsgrond ‘schuld’ dient namelijk in de subjectieve zin te worden opgevat.14 Daarentegen blijkt uit de bestuurdersaansprakelijkheidsjurisprudentie van de Hoge Raad juist dat de toerekening niet hoeft te worden gebaseerd op de persoonlijke kenmerken van de aangesproken bestuurder, maar dat voor de verwijtbaarheidstoets ook een maatman-bestuurder kan worden gebruikt.15 In de literatuur wordt dit zelfs een ‘verworvenheid’16 of een ‘beginsel van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht’17 genoemd. Dus ondanks het ‘persoonlijke karakter’ van de ernstig verwijt-maatstaf, kan het verwijt dat nodig is voor de toerekening van een onrechtmatige gedraging worden geobjectiveerd. Daarom is (uitgaande van de gewone betekenis van dit leerstuk) toerekening krachtens verkeersopvatting niet uitgesloten in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid.18