Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.4.2.1
5.4.2.1 De rechtspraak van het EHRM
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363617:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Barkhuysen en Van Emmerik Preadvies, p. 63. Zie ook Schuld (Diss.), par. 4.2.4.2.
Barkhuysen en Van Emmerik 2003, p. 6. Zie ook EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 m.nt. Alkema (Pye/UK), r.o. 71 en E.D. Geuns, ‘Verkrijgende verjaring is toch niet in strijd met art. 1 EP EVRM: EHRM 15 november 2005 en 30 augustus 2007, 44302/02 (Pye v. UK)’, MvV 2007/10, p. 217.
EHRM 20 juli 2004, NJ 2005/479 (Bäck).
EHRM 12 januari 2012, appl.nrs. 12266/07, 40059/07, 36038/09 and 47155/09 (Pekárny), r.o. 48 en 49.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 25 juni 2015, ARO 2015/163 (Vikariën)
Het EHRM constateert slechts zelden dat een inmenging in strijd is met het tweede vereiste van art. 1 EP, dat de inmenging gerechtvaardigd wordt door het algemeen belang.1 Het EHRM laat de lidstaten namelijk veel ruimte om te bepalen wat zij als een algemeen belang zien. Deze ruimte wordt door het EHRM en in navolging daarvan in dit onderzoek aangeduid als de “margin of appreciation”. Deze term is door Barkhuysen en Van Emmerik omschreven als “beoordelingsvrijheid bij de toetsing of is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een rechtmatige inmenging in het eigendomsrecht”2 en daar sluit ik me bij aan. Slechts inmengingen die evident iedere redelijke grond ont-beren, zijn in strijd met het algemeen-belang-vereiste. Het EHRM formuleerde het als volgt in het Bäck-arrest:3
“53 The notion of ‘public interest’ is necessarily extensive. In particular, the decision to enact property laws will commonly involve consideration of political, economic and social issues. The taking of property in pursuance of legitimate social, economic or other policies may be in the public interest even if the community at large has no direct use or enjoyment of the property. The national authorities are in principle better placed than the international judge to appreciate what is ‘in the public interest’. The Court, finding it natural that the margin of appreciation available to the legislature in implementing social and economic policies should be a wide one, will respect the legislature’s judgment as to what is ‘in the public interest’ unless that judgment is manifestly without reasonable foundation (see Former King of Greece and Others v. Greece[GC], no. 25701/94, § 87, ECHR 2000-XII, and James and Others v. the United Kingdom, judgment of 21 February 1986, Series A no. 98, pp. 31-32, §§ 45-46).
54 The possible existence of alternative solutions does not in itself render the contested legislation unjustified. Provided that the legislature remains within the bounds of its margin of appreciation, it is not for the Court to say whether the legislation represented the best solution for dealing with the problem or whether the legislative discretion should have been exercised in another way (see James and Others, cited above, p. 35, § 51).”
In het Bäck-arrest bevestigde het EHRM daarnaast dat het algemeen belang onder omstandigheden kan worden gediend door een gedwongen eigendomsovergang van de ene naar de andere private persoon. Het EHRM formuleerde het als volgt:
“The Court agrees with the applicant that a transfer of property effected for no reason other than to confer a private benefit on a private party cannot be ‘in the public interest’. Nonetheless, it is settled case-law that the compulsory transfer of property from one individual to another may, depending upon the circumstances, constitute a legitimate means of promoting the public interest. Thus, a transfer of property effected in pursuance of legitimate social, economic or other policies may be ‘in the public interest’, even if the community at large has no direct use or enjoyment of the property transferred (see James and Others, cited above, § 40-45).”
Een algemeen belang kan ook zijn gelegen in de maatschappelijke wenselijkheid van de mogelijkheid om particuliere belangen te beschermen, zo blijkt uit het Pekárny-arrest.4 Dit arrest betrof een geschil dat werd uitgevochten voor de Tsjechische rechter, maar dat in een Nederlandse context waarschijnlijk bij de ondernemingskamer zou belanden.5
Twee partijen meenden elk eigenaar te zijn van 99% van de aandelen in het kapitaal van een Tsjechische vennootschap. Bij wijze van voorlopige voorziening had een Tsjechische rechter verboden dat deze vennootschap aandeelhoudersvergaderingen hield. Deze maatregel beoogde te voorkomen dat, hangende de bodemprocedure over wie eigenaar van deze aandelen was, de rechten van een partij onherstelbaar zouden worden geschaad. Het EHRM achtte het bestaan van de mogelijkheid om een dergelijke voorlopige voorziening te treffen in het algemeen belang. Daarbij overwoog het EHRM expliciet dat het feit dat de voorlopige voorzieningen slechts ten voordele strekten van één van de partijen niet afdeed aan het feit dat de voorlopige voorzieningen in het algemeen belang waren getroffen.
Het feit dat het algemeen-belang-vereiste zoveel ruimte biedt dat slechts zelden een schending van het algemeen belangvereiste wordt geconstateerd, betekent overigens niet dat het net zo goed geschrapt kan worden. Dit vereiste belemmert namelijk dat onteigeningen in machtsmisbruik ontaarden. Zo is een onteigening van een villa, omdat de broer van de minister-president daarin wil wonen, in strijd met het vereiste dat een inmenging in art. 1 EP in het algemeen belang moet zijn. Dergelijk machtsmisbruik is gelukkig in de huidige Nederlands context ondenkbaar, maar is de mensheid niet vreemd. Het algemeen belang vereiste biedt daartegen een waarborg.
Daarnaast biedt het algemeen belang vereiste een aanknopingspunt voor het proportionaliteitsvereiste.