Hof 's-Hertogenbosch, 20-02-2025, nr. 200.333.776/01
ECLI:NL:GHSHE:2025:423
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
20-02-2025
- Zaaknummer
200.333.776/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:423, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 20‑02‑2025; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2024:1452
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5330
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1952
ECLI:NL:GHSHE:2024:1452, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 25‑04‑2024; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2025:423
- Wetingang
art. 194a Burgerlijk Wetboek Boek 4
art. 194a Burgerlijk Wetboek Boek 4
- Vindplaatsen
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0293
ERF-Updates.nl 2025-0293
JERF Actueel 2025/280
JERF 2025/96
JERF Actueel 2024/268
ERF-Updates.nl 2024-0303
VEAN-ERF-Updates.nl 2024-0303
JERF 2024/118
Uitspraak 20‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 4:194a lid 1 BW / de kennis van de executeur is niet de kennis van de erfgenaam / de schuldeisers zijn toegelaten tot bewijs van hun stelling dat de erfgenaam de aanspraken van de schuldeisers op de nalatenschap kende dan wel behoorde te kennen vóór 2 juni 2022/ Bewijs niet geleverd.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 20 februari 2025
Zaaknummer : 200.333.776/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10082214 OV VERZ 22-5510
in de zaak in hoger beroep van:
1. [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] , Zwitserland,
3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats] ,
4. [appellant 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [appellant 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [appellant 6],
wonende te [woonplaats] ,
7. [appellant 7],
wonende te [woonplaats] ,
8. [appellant 7],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen: [de erven] ,
gemachtigde: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] , Italië,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. R.A.J. van Zomer te Oosterhout.
belanghebbenden:
a. [belanghebbende],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.G. Hees te ’s-Hertogenbosch,
b. [executeur], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen mevrouw [betrokkene] en opvolger van [oud-executeur] ,
wonende te Oosterhout NB.
5. Het verdere verloop van het geding
Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 25 april 2024 en de daarin opgenomen bewijsopdracht.
Naar aanleiding van deze beschikking hebben [de erven] op 26 september 2024 in enquête getuigen doen horen. [verweerster] heeft vervolgens afgezien van contra-enquête.
Daarna hebben [de erven] op 31 oktober 2024 een memorie na enquête met vier producties ingediend.
Op 15 november 2024 heeft [verweerster] een antwoordmemorie na enquête ingediend.
Vervolgens heeft het hof een datum bepaald voor uitspraak.
6. De verdere beoordeling
6.1.
Bij tussenbeschikking van 25 april 2024 heeft het hof (overweging 3.5.6) [de erven] toegelaten om middels getuigenverhoren te bewijzen dat de executeur [oud-executeur] de correspondentie tussen hem en [appellant 1] vóór 2 juni 2022 heeft doorgestuurd naar [verweerster] dan wel dat de executeur [oud-executeur] of anderen [verweerster] over de inhoud ervan heeft/hebben geïnformeerd, in die zin (dictum) dat [verweerster] de aanspraken van [de erven] op de nalatenschap kende dan wel behoorde te kennen vóór 2 juni 2022.
6.2.
[de erven] hebben op 26 september 2024 drie van de vier opgeroepen en verschenen getuigen doen horen, te weten kandidaat-notaris [kandidaat-notaris] , oud-executeur [oud-executeur] en erfgenaam [appellant 1] , die de beide eerdere verhoren niet heeft bijgewoond.
6.3.
Kandidaat-notaris [kandidaat-notaris] , als notaris betrokken bij de akte van erfrecht (en zuivere aanvaarding) van 21 januari 2022, heeft als volgt verklaard:
“Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Na het overlijden van mevrouw [betrokkene] hadden de erfgenamen een verklaring voor erfrecht nodig. Mevrouw [betrokkene] had enkele jaren eerder via mijn kantoor een testament opgesteld en de toen nog beoogd executeur wendde zich tot mij voor een verklaring voor erfrecht. Dat was op 3 januari 2022, ik heb dat nog even nagekeken in het dossier.
Er is bij dat eerste contact weinig besproken. Mevrouw [verweerster] was de enige dochter en erfgenam. Het testament bevatte alleen de gebruikelijke uitsluitingsclausule en benoeming van de executeur-testamentair.
Er is gekeken naar de nalatenschap. Er was sprake van een huis en bankrekeningen, en verder geen bijzonderheden. Schulden waren niet bekend. Dat was de informatie die ik van de heer [oud-executeur] kreeg.
Op 20 januari 2022 is de verklaring voor erfrecht besproken en de verklaring van zuivere aanvaarding. Mevrouw [verweerster] heeft toen getekend en vervolgens is op 21 januari 2022 de verklaring van erfrecht afgegeven waarin de zuivere aanvaarding staat vermeld.
Mijn opdracht was hiermee vervuld, tot meer was mij ook geen opdracht gegeven.
Ik heb later, in maart 2022, nog contact gehad met de heer [oud-executeur] en alleen met hem. Hij had contact met de heer [appellant 1] en deze stuurde hem documenten die de heer [oud-executeur] niet begreep. Hij stuurde deze naar mij met de vraag wat er nu stond. Ik kreeg deze stukken van hem en hij zei dat ze van [appellant 1] afkomstig waren. Dat kon ik ook zien aan de doorgestuurde e-mails, en wel vanwege de daarin vermelde afzender.
Ik heb toen de vragen van de heer [oud-executeur] beantwoord. Het document dat werd doorgestuurd was een partiële scheiding en deling, tussen [de erven] zelf. Mevrouw [betrokkene] was daarbij geen partij. Later bleek dat deze akte voortborduurde op een ander stuk, maar dat stuk zat er niet bij. Eind maart/begin april 2022 heb ik een akte vestiging vruchtgebruik onder ogen gekregen. Dat was het stuk waarop in de door mij genoemde akte werd voortgeborduurd. Die akte vestiging vruchtgebruik ontving ik ook via de heer [oud-executeur] . Ik heb in die periode geen contact gehad met mevrouw [verweerster] .
U houdt mij voor een e-mail van 30 maart 2022 waarin ik aan de heer [oud-executeur] vertel wat ik in de akte heb gelezen. Ik herken hem. Deze heb ik verstuurd. Mijn vragen aan de heer [oud-executeur] waren erop gericht te weten te komen wat er sinds 1983 gebeurd was met het vruchtgebruikvermogen.
De heer [appellant 1] heeft mij op enig moment aangeschreven over fouten die in het kadaster zouden staan ten aanzien van de panden die in vruchtgebruik waren geweest. Hij heeft mij daarover toen ook gebeld. De brief was naar aanleiding van het telefoongesprek. Het vruchtgebruik betrof panden aan de [adres] te [plaats] en ik had de verklaring voor erfrecht in het kadaster laten inschrijven. Ik herinner mij geen ander contact met de heer [appellant 1] .
U houdt mij voor een brief van 4 april 2022 als opgenomen in het dossier (onderdeel bijlage 3 verweerschrift eerste aanleg) en ik zie dat daar inderdaad wordt verwezen naar het telefoongesprek waar ik net over heb verklaard. Nu ik het stuk zie, zie ik ook dat er over het vruchtgebruik het nodige wordt opgemerkt. Ik heb die informatie voor kennisgeving aangenomen. Ik had immers geen opdracht en deze brief was ook naar de heer [oud-executeur] gegaan. Ik denk dat de heer [oud-executeur] mij daar nog vragen over heeft gesteld. Ik denk dat ik de heer [oud-executeur] heb aangegeven dat hij in de administratie moest zoeken om te achterhalen wat er precies na 1983 was gebeurd. Daar hield het voor mij op.
Op vragen van mr. De Bakker antwoord ik als volgt:
Op de vraag of ik nog weet wanneer ik de heer [oud-executeur] heb aangegeven dat hij in de administratie moest gaan zoeken, antwoord ik dat dat rond de tijd moet zijn geweest waar ik net over heb verklaard. Rond die tijd, april 2022, kwamen er stukken naar boven die tot mijn vragen leidden. Eerder had ik die info niet gezien. De vragen die ik stelde, waren de vragen die ook in de brief van de heer [appellant 1] van 4 april 2022 werden geformuleerd.
Ik heb inderdaad één keer contact gehad met mevrouw [verweerster] en dat was op 20 januari 2022. Daarvoor en daarna heb ik niet met haar gesproken.
Op de vraag wat het doel was van de bijeenkomst op 20 januari 2022 antwoord ik dat het ging om voorlichting: hoe werkt het erfrecht, hoe werkt een executeur en wat was het doel van de verklaring die ze zou tekenen. Ik herinner mij niet dat de heer [oud-executeur] bij die bijeenkomst ook aanwezig was, maar ik denk het wel. De heer [oud-executeur] was de steun en toeverlaat van mevrouw [verweerster] en ik verwacht dat hij haar gebracht had, en bij de bijeenkomst aanwezig was. Hij was immers beoogd executeur.
Op de vraag of ik mevrouw [verweerster] gewezen heb op de rechtsgevolgen van zuivere aanvaarding antwoord ik dat ik dat gedaan heb. Ik teken daarbij wel aan dat op dat moment het vermogen van erflaatster ruim positief was. Het vruchtgebruik op de panden was op zich bekend maar hield op bij overlijden van erflaatster. Dat laatste heb ik ook aan mevrouw [verweerster] uitgelegd.
Ik herinner mij niet dat toen gesproken is over een contact tussen mevrouw [verweerster] en de heer [appellant 1] in december 2021.
Ik weet niet of de heer [oud-executeur] de communicatie die ik met hem voerde besprak met mevrouw [verweerster] . Daar heb ik nooit iets over gehoord.
Ik heb voorafgaand aan dit getuigenverhoor geen contact gehad met partijen of een van de advocaten. De heer [oud-executeur] heeft mij gisteren gebeld met de vraag of hij met mij mee mocht rijden en dat mocht. We hebben onderweg niet over deze zaak gesproken.
Op vragen van mr. Zomer antwoord ik als volgt:
Tijdens de bespreking op 20 januari 2022 is nog op tafel gekomen dat erflaatster in een eerder gesprek met de heer [oud-executeur] en haar dochter had verklaard dat er met [de erven] niets meer af te rekenen viel, behalve de panden in de [adres] . Bij die eerdere bespreking ben ik niet bij geweest, het werd mij zo verteld. Ik meen mij te herinneren dat de mededeling door erflaatster op haar sterfbed werd gedaan, maar zeker weet ik dat niet.
6.4.
Voormalig executeur [oud-executeur] heeft als volgt verklaard:
“Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Ik wist van tevoren dat in het testament van mevrouw [betrokkene] een benoeming tot executeur testamentair was opgenomen. Op enig moment had ik wat administratieve werkzaamheden voor haar verricht en wij hadden een prettige klik onderling. Toen vroeg ze mij of ik executeur testamentair wilde zijn en dat heb ik positief beantwoord. Ik had op zich geen ervaring als executeur testamentair.
Mevrouw [betrokkene] is overleden door euthanasie, nadat haar dochter een half jaar voor haar had gezorgd en daarvoor uit Italië was overgekomen. Het was toen coronaperiode dus de weinige contacten verliepen telefonisch. Er was ook weinig reden voor contact gezien de medische situatie van mevrouw [betrokkene] . Zij was ongeneeslijk ziek en ik deed wat administratief werk voor haar dat wel kon wachten. Ik ben nog een keer bij haar langs geweest toen ze beneden in haar huis lag. Ik heb toen nog gevraagd of er nog iets was wat ik als executeur moest weten. Zij zei nee. Vervolgens is begin januari 2023, in ieder geval begin van het jaar, contact gezocht met notaris [kandidaat-notaris] bij wie haar testament was verleden. Er moest een verklaring voor erfrecht komen en hij was de logische notaris daarvoor.
Ik weet niet of mevrouw [verweerster] en ik zelf samen bij de notaris zijn geweest. Ik denk dat ik zelf niet bij de notaris ben geweest en dat alles via de mail ging. De verklaring voor erfrecht is vervolgens afgegeven en er was toen geen taak meer voor de notaris.
Op uw vraag of ik daarna nog contact heb gehad met de notaris antwoord ik dat ik mij herinner dat ik in juli van datzelfde jaar een pakket van een deurwaarder overhandigd kreeg. Ik heb toen de notaris benaderd met de vraag ‘wat is dit allemaal?’ Ik heb geen logboek bijgehouden van alle telefoontjes met de notaris. Het is zo lang geleden en ik weet het niet meer.
Ik had in de periode tussen de verklaring voor erfrecht en de ontvangst van het pakket van de deurwaarder weinig contact met mevrouw [verweerster] . Zij verbleef ook regelmatig in Italië waar ze zelf woont en haar partner en dochter ook. De contacten verliepen voornamelijk telefonisch. Ik heb de brief aangaande de erfbelasting opgehaald bij mevrouw [verweerster] en ook wat administratie meegenomen. Het was nogal een boeltje. Ik had het in die tijd ook druk met ander werk en er was geen tijdsdruk op de afwikkeling van de nalatenschap.
Op uw vraag of ik mails heb ontvangen van de heer [appellant 1] of [de erven] antwoord ik dat ik mij herinner dat er een mail is binnengekomen over de afwikkeling van de huurpenningen betreffende de [adres] . Ik heb dat toen uitgezocht en afgewerkt. Dat kostte best nog wat moeite want de administratie was een bende. Ik herinner mij verder een mail met een lijst van kostbaarheden. Dat snapte ik niet en die lijst heb ik terzijde gelegd.
U houdt mij voor een mail van de heer [appellant 1] van 22 december 2021. Ik kan mij dit niet herinneren. Ik vind het zo moeilijk. Sinds het overlijden van mijn vrouw ligt er een deken van vermoeidheid over mijn hersens en staat de wereld stil. Ik kan dit niet aan. Ik kan me niets herinneren. Ik weet niet welke mails uit 2022 of 2023 ik nog in mijn mailbox heb. Ik gooi weg wat ik niet belangrijk vind. Datzelfde geldt voor door mij verstuurde mails.
Ik kan mij niet herinneren dat er door mij mails of brieven zijn ontvangen over het vruchtgebruik van andere goederen dan de panden in de [adres] .
Ik heb over de mail betreffende de huurpenningen gesproken met mevrouw [verweerster] , toen ik het huurdossier bij haar ging ophalen en later ook wat administratie. Ik heb de huurders ook aangeschreven dat de huur voortaan op een ander rekeningnummer moest worden betaald. “
6.5.
Appellant [appellant 1] heeft als volgt verklaard:
“Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Ik heb rechtstreeks contact gehad met mevrouw [verweerster] voor en na het overlijden van haar moeder. Het betrof telefonisch contact en whatsapp contact. U houdt mij voor dat tijdens de mondelinge behandeling een uitdraai van een whatsapp bericht van 22 december 2021 is overgelegd. Dat is een van de whatsapp berichten die ik bedoel. Ik denk dat in totaal 20 whatsapp berichten in genoemde periode zijn gewisseld. Er is in die contacten uitvoerig gesproken over het vruchtgebruik, ook voor het overlijden van mevrouw [betrokkene] . Dat betrof het vruchtgebruik in brede zin.
Mevrouw [verweerster] wist in ieder geval al van de panden. Ze wist dat er een vruchtgebruik akte was, dat wist ze van haar moeder. Mevrouw [verweerster] heeft mij gevraagd contact op te nemen met de heer [oud-executeur] die al haar zaken zou gaan behandelen. De heer [oud-executeur] heeft dat bevestigd en verzocht om geen contact met mevrouw [verweerster] op te nemen over de nalatenschap. Dat verzoek is op 23 december 2021 schriftelijk gedaan, dan wel de eerste week van januari 2022. Over de precieze inhoud van de akte heb ik met haar niet gesproken, want ik werd verwezen naar de heer [oud-executeur] .
Ik heb de heer [oud-executeur] de akte van vruchtgebruik doen toekomen en 16 mails gestuurd over het vruchtgebruik in brede zin inclusief de hoogte van het totale vruchtgebruik, de huurpenningen en de overdracht van de panden. Vanaf eind januari 2022 is die correspondentie gevoerd waarin expliciet het totaalbedrag is genoemd.
De heer [oud-executeur] zou ernaar kijken en we zouden bericht krijgen. Hij schreef letterlijk in zijn e-mail dat hij het zou gaan oppakken. Mevrouw [verweerster] heeft in december 2021 geschreven dat zij zich vanaf januari 2022 erin zou gaan verdiepen.
Ik heb in de periode tussen december 2021 en eind juni 2022 niet meer rechtstreeks contact gezocht met mevrouw [verweerster] , omdat mij dat uitdrukkelijk was verzocht en ik me daaraan heb gehouden. De heer [oud-executeur] heeft mij schriftelijk laten weten dat hij het zou gaan bespreken met mevrouw [verweerster] . Ik weet niet of hij dat daadwerkelijk heeft gedaan. Ik heb niet gecontroleerd hoe hij zijn werk deed als executeur.
Ik heb ook rechtstreeks contact gehad met de notaris. Ik heb contact gezocht met de notaris eind maart 2022, omdat de notaris in het kadaster aanpassingen had aangebracht en toen bleek dat daar fouten in stonden. Dat moest worden gecorrigeerd. Ik heb hem ook gevraagd of hij in het bezit was van de akte van vruchtgebruik. Hij antwoordde ‘vanzelfsprekend heb ik die.’ Hij zei toen ook dat hij die akte had besproken tijdens de bijeenkomst voorafgaande aan de zuivere aanvaarding. Hij had die akte naar eigen zeggen ontvangen van mevrouw [betrokkene] . Ik heb vervolgens dat telefoongesprek bevestigd in een brief van 4 april 2022. Bij die brief heb ik gevoegd de memorie van successie aangaande de nalatenschap van mijn vader, want daar had de notaris om gevraagd. Deze brief en de stukken zijn ook in kopie aan de heer [oud-executeur] gestuurd.
Op vragen van mr. De Bakker antwoord ik als volgt:
U houdt mij voor productie 8 bij beroepschrift, zijnde een brief van mij aan de heer [oud-executeur] van 20 maart 2022. Die brief heb ik geschreven. In de brief wordt inderdaad melding gemaakt van overleg met mevrouw [verweerster] over kostbaarheden. Dat betrof goederen uit ons ouderlijk huis die niet onder het vruchtgebruik vielen.
Er zijn toen geen afspraken gemaakt in dat overleg en de goederen zijn ook niet bij ons terechtgekomen. Mevrouw [verweerster] belde mij om te vragen of bepaalde stukken tot ons ouderlijk huis behoorden of niet. Zij wist dat zelf niet.
Er zijn telefonisch enkele gesprekken met haar gevoerd over de kostbaarheden en dat is ook gedeeld met de heer [oud-executeur] . Er hebben na juni 2022 ook nog telefoongesprekken met haar plaatsgevonden, alsook in december 2023 een uitgebreide whatsapp uitwisseling. Ik wil benadrukken dat niet alle telefoongesprekken gefixeerd waren op het vruchtgebruik, maar ik houd vast aan mijn eerdere verklaringen over die gesprekken.
6.6.
Na kort beraad hebben [de erven] er vanaf gezien op een nader te bepalen zittingsdag - dit vanwege de zittingsagenda van de rechter-commissaris - de vierde beoogde getuige, [verweerster] , als op 26 september 2024 wel verschenen, te doen horen.
6.7.
[verweerster] heeft vervolgens afgezien van contra-enquête.
6.8.
[de erven] hebben – kort weergegeven – betoogd dat het bewijs is geleverd, dat het hof moet meenemen dat [verweerster] zich niet als getuige heeft laten horen en er voorts op gewezen dat gezien de eerder ingenomen standpunten en gewisselde correspondentie [verweerster] vóór 2 juni 2022 behoorde te weten dat [de erven] de aanspraken hadden als aan de orde.
6.9.
[verweerster] heeft een en ander bestreden en gesteld dat het bewijs niet is geleverd.
6.10.
Het hof oordeelt als volgt.
6.11.
Voor zover [de erven] betogen dat in het licht van de door het hof in de tussenbeschikking vastgestelde feiten zonder meer al blijkt dat [verweerster] vóór 2 juni 2022 behoorde te weten dat de aanspraken van [de erven] ter zake het (beëindigde) vruchtgebruik van haar moeder meer omvatten dan teruggave van de beide appartementen, geldt het volgende.
6.12.
In onderdeel 3.5.5. van de tussenbeschikking heeft het hof ten aanzien van toerekening van kennis van de (toenmalige) executeur aan [verweerster] als volgt overwogen:
“Het hof volgt [de erven] daarin niet. [verweerster] heeft [oud-executeur] als executeur gemachtigd op grond van artikel 4:145 BW, zoals in het verweerschrift in hoger beroep ook aangevoerd. Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat [verweerster] de executeur [oud-executeur] heeft aangewezen/gemachtigd om bepaalde zaken te regelen rondom de nalatenschap van haar moeder. De machtiging is een standaardtekst en de inhoud van deze machtiging om als executeur op te treden leidt er niet toe dat de kennis van de executeur [oud-executeur] ook de kennis van [verweerster] is (zie ook de Parlementaire Geschiedenis behorend bij artikel 4:194a BW). Het hof rekent de kennis van [oud-executeur] als executeur niet toe aan [verweerster] . Het gaat om (het moment van) de kennis bij [verweerster] zelf als hieronder nader te duiden”.
6.13.
Voor zover [de erven] zich wederom beroepen op kennis bij genoemde executeur als zodanig heeft het hof daar derhalve al over beslist. Daarnaast geldt dat [verweerster] als dochter van erflaatster – ze was ten tijde van de verkrijging van het vruchtgebruik door haar moeder minderjarig – niet betrokken is geweest bij de vestiging van het vruchtgebruik in 1981, noch daarbij enige juridische positie betrokken heeft, althans is dat gesteld noch gebleken. In zoverre leidt de aard van de schuld er niet toe dat [verweerster] een en ander zonder meer behoorde te weten, dan wel meteen nader had dienen te onderzoeken.
6.14.
Uit de verklaringen van zowel [kandidaat-notaris] als [oud-executeur] leidt het hof af dat [verweerster] niet alleen onbekend was met de reikwijdte van het vruchtgebruik maar tevens dat zij op grond van mededelingen van haar moeder geen reden had te twijfelen aan de haar wel bekende omvang, namelijk vruchtgebruik van twee appartementen, zodat zij onderzoek moest gaan doen.
6.15.
Uit de verklaring van [appellant 1] leidt het hof af dat hij niet rechtstreeks met [verweerster] heeft gesproken of contact heeft gehad over het totale vruchtgebruik in de periode tussen december 2021 en eind juni 2022. In onderdeel 3.3.1. van de tussenbeschikking wordt reeds melding gemaakt van het app-bericht van 22 december 2021 dat [appellant 1] aan [verweerster] heeft gericht, in welk bericht naar het oordeel van het hof ook geen informatie staat die [verweerster] had moeten alarmeren. Er wordt slechts in algemene zin gerept van ‘informatie’ en ‘goederen … uit het ouderlijk huis’ die in bezit zouden zijn van erflaatster en die [verweerster] wellicht wilde teruggeven.
6.16.
De verklaring van partijgetuige [appellant 1] dat de notaris al ten tijde van de zuivere aanvaarding in januari 2022 zou hebben beschikt over de akte van vruchtgebruik wordt door de getuige [kandidaat-notaris] niet bevestigd. Deze rept immers van het eerst kennisnemen van de akte van vruchtgebruik op een veel later moment (maart/april 2022). Dat zowel de notaris (getuige [kandidaat-notaris] ) als de executeur (getuige [oud-executeur] ) kennis droeg vóór juni 2022 van de volledige inhoud van de akte van vruchtgebruik, en daarover onderling contact hebben gehad, is wel komen vast te staan, maar dit betekent niet dat deze kennis ook vóór juni 2022 voor [verweerster] gold. Noch getuige [kandidaat-notaris] noch getuige [oud-executeur] heeft immers die inhoud besproken met [verweerster] vóór juni 2022, aldus hun respectieve eigen verklaring. De gestelde maar niet gebleken kennis bij de notaris al in januari 2022 zou dit ook niet anders maken. Ook toen is met [verweerster] immers niet over de volle reikwijdte van het vruchtgebruik gesproken.
6.17.
Dat getuige [oud-executeur] de door hem ontvangen correspondentie van de zijde van [de erven] heeft doorgestuurd aan [verweerster] vóór juni 2022 is evenmin gebleken, zodat niet is komen vast te staan dat [verweerster] op die wijze kennis heeft genomen van alle (gestelde) aanspraken die hetzij rechtstreeks voortvloeiden uit de akte van vruchtgebruik dan wel indirect, namelijk uit het (gestelde onjuiste) beheer door erflaatster van de appartementen als zodanig.Hierboven is reeds ten aanzien van het vruchtgebruik als zodanig geoordeeld dat [verweerster] ook niet behoorde te weten dat een (mogelijke) haar onbekende aanspraak bestond.Voor het gestelde onjuist beheer geldt dit a fortiori: gesteld noch gebleken hoe [verweerster] dit eerder wist dan wel had behoren te weten.Voor beide (categorieën) aanspraken geldt dat steeds sprake is van een onverwachte schuld voor [verweerster] , waar op zich één onverwachte schuld al voldoende is om een (tijdig gedaan) beroep op artikel 4:194a BW te rechtvaardigen.
6.18.
Het is op zich juist dat [verweerster] als getuige geen verklaring heeft afgelegd. Nu uiteindelijk [de erven] zelf ervan af hebben gezien [verweerster] te doen horen in enquête tijdens of na een tweede verhoordag en de bewijslast in deze bij [de erven] lag en ligt, wordt aan het niet horen van [verweerster] door het hof geen betekenis toegekend. In ieder geval draagt het in de gegeven omstandigheden er niet toe bij dat het bewijs van weten of behoren te weten door [verweerster] - als in de bewijsopdracht bedoeld - bij [verweerster] aan de orde is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 maart 2024 heeft [verweerster] overigens duidelijk aangegeven dat zij het niet wist en dat als zij het wist “zou ik beneficiair aanvaard hebben”.
6.19.
De conclusie is dat het bewijs niet is geleverd. Het moet er voor worden gehouden dat [verweerster] vóór 2 juni 2022 geen kennis had dan wel behoorde te hebben van de uit het vruchtgebruik van erflaatster voortvloeiende (gestelde) nadere schulden tot afgifte van (substantiële) geldbedragen als in de tussenbeschikking en hiervoor gepasseerd. Dit geldt derhalve zowel voor de aanspraken rechtstreeks uit de akte (gelden/obligaties) als voor de later geformuleerde aanspraken samenhangend met het vruchtgebruik (schadevergoeding uit onjuist beheer), terwijl onbekendheid met één categorie aanspraak al voldoende is om een beroep te kunnen doen op artikel 4:194a BW.
Het verzoek is aldus tijdig ingediend, alle aangevoerde grieven falen en de beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
6.20.
[de erven] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [verweerster] , en wel vermeerderd met nakosten en tevens uitvoerbaar bij voorraad zoals verzocht.
Deze kosten stelt het hof aan de zijde van [verweerster] tot op heden vast op:
- griffierecht | € | 343,00 | |
- salaris advocaat | € | 3.035,00 | (2,5 punten × appeltarief II) |
- nakosten | € | 178,00 | (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld) |
- totaal: | € | 3.556,00 |
7. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juli 2023;
veroordeelt [de erven] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 3.556,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en, als [de erven] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
verklaart deze beschikking ten aanzien van voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.W. van Rijkom en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2025.
Uitspraak 25‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 4:194a lid 1 BW / de kennis van de executeur is niet de kennis van de erfgenaam / de schuldeisers worden toegelaten tot bewijs van hun stelling dat de erfgenaam de aanspraken van de schuldeisers op de nalatenschap kende dan wel behoorde te kennen vóór 2 juni 2022
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 25 april 2024
Zaaknummer : 200.333.776/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10082214 OV VERZ 22-5510
in de zaak in hoger beroep van:
1. [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] , Zwitserland,
3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats] ,
4. [appellant 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [appellant 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [appellant 6],
wonende te [woonplaats] ,
7. [appellant 7],
wonende te [woonplaats] ,
8. [appellant 8],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen: de erven [appellant 1] ,
gemachtigde: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] , Italië,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. R.A.J. van Zomer te Oosterhout.
belanghebbenden:
a. [belanghebbende],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.G. Hees te ’s-Hertogenbosch,
b. [executeur], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster] en opvolger van [betrokkene 1] ,
wonende te [woonplaats] .
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juli 2023, waarbij de kantonrechter [verweerster] machtiging heeft verleend om de nalatenschap van erflaatster [erflaatster] alsnog beneficiair te aanvaarden.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties (nr. 8 t/m 10), ingekomen ter griffie van dit hof op 24 oktober 2023, hebben de erven [appellant 1] het hof verzocht, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 26 juli 2023 te vernietigen en [verweerster] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen, zulks met voordeling [verweerster] in de kosten van deze procedure.
2.2.
Bij verweerschrift met twee bijlagen heeft [verweerster] het hof verzocht bij arrest [het hof begrijpt: beschikking], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de erven [appellant 1] niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep, dan wel deze af te wijzen en de erve [appellant 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder nasalaris.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- -
de aantekeningen van de griffier ter zitting in eerste aanleg gehouden op 7 maart 2023;
- -
het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie van dit hof op 10 november 2023 en
- -
de ter zitting in hoger beroep door mr. De Bakker overgelegde WhatsApp-berichten van 22 en 23 december 2021.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- -
de heer [appellant 1] (hierna: [appellant 1] ), bijgestaan door mr. De Bakker en
- -
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van Zomer.
[belanghebbende] is niet verschenen. Bij aanvang van de mondelinge behandeling gaven beide verschenen partijen aan dat ze een bericht van de onttrekking van mr. Hees – zijnde de advocaat van mevrouw [belanghebbende] – hebben ontvangen.
3. De beoordeling
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
a. Op [datum 1] 2021 is in haar laatste woonplaats [plaats]
overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster).
[verweerster] is de dochter en enig erfgenaam van erflaatster. [verweerster] heeft haar moeders nalatenschap op 21 januari 2022 zuiver aanvaard.
In haar testament heeft erflaatster de heer [betrokkene 1] tot executeur benoemd. Hij heeft deze benoeming aanvaard. [verweerster] heeft aan [betrokkene 1] een volmacht gegeven om haar te vertegenwoordigen bij het beheer van en het beschikken over de goederen van de nalatenschap. In de verklaring van erfrecht is de volmacht als volgt omschreven:
“Het kind van de overledene heeft aan de voornoemde executeur, de heer [betrokkene 1] , volmacht gegeven, welke volmacht inhoudt:
de volmachtgever te vertegenwoordigen bij het beheer van de nalatenschap
(erfenis) van de overledene.
Deze volmacht geeft de gevolmachtigde de bevoegdheid om in naam en voor rekening van de ondergetekende alle daden van beheer en beschikking te verrichten in verband met de nalatenschap, te weten:
1. het beheer als bedoeld in artikel 3:170 Burgerlijk Wetboek, welke
bevoegdheid tot vertegenwoordiging onder meer betreft:
a. het innen van vorderingen, zoals van levensverzekering of pensioen, die aan de nalatenschap toekomen, alsook voor de ontvangst hiervan kwijting te verlenen;
b. het opnemen van banktegoeden en het beschikken over rekeningen bij banken;
c. het openen van (tijdelijke) opslagruimte en kluisloketten;
d. het doen van de vereiste belastingaangiften en het betalen van de verschuldigde belastingen (waarover die vanwege de Successiewet);
e. het voldoen van schulden van de nalatenschap, waaronder de uitvaartkosten;
2. het verkopen en leveren van goederen, waaronder registergoederen en effecten onder de voorwaarden en voor een koopprijs door de gevolmachtigde te bepalen;
3. het verkopen en leveren van het registergoed, gelegen te (…) [plaats] , (…) onder de voorwaarden en voor een koopprijs door de gevolmachtigde te bepalen;
4. overgaan tot verdeling van de nalatenschap.
De gevolmachtigde is verder bevoegd om alles te doen wat de gevolmachtigde in verband met een juiste afwikkeling raadzaam acht. De opsomming van deze handelingen heeft niet de strekking een andere handeling, welke dan ook,
waarvoor een volmacht in onderhandse vorm kan worden afgegeven, uit te sluiten.
(…)
Genoemde heer [betrokkene 1] is als executeur en als gevolmachtigde van de erfgenaam, met inachtneming van de hiervoor vermelde volmacht, bevoegd de goederen die behoren tot de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken.”
Erflaatster is op huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest met de heer [vader]
(hierna: vader [vader] ). Vader [vader] is overleden op [datum 2] 1980. Hij liet zes kinderen uit een eerder huwelijk achter.
Bij testament heeft vader [vader] zijn kinderen tot zijn erfgenamen benoemd. Aan erflaatster heeft hij onder meer een recht van vruchtgebruik ten aanzien diverse roerende zaken, twee appartementsrechten en een onverdeeld aandeel in twee obligatieleningen (‘notes’) gelegateerd. Blijkens een notariële akte van 12 augustus 1981 zijn deze goederen afgegeven aan erflaatster, die de afgifte heeft aanvaard.
Nadat door het overlijden van erflaatster het vruchtgebruik was geëindigd hebben de
erven [appellant 1] afgifte gevorderd van de in vruchtgebruik gegeven goederen. De appartementsrechten zijn door executeur [betrokkene 1] aan hen afgegeven.
Voordat [verweerster] haar moeders nalatenschap op 21 januari 2022 zuiver heeft aanvaard, heeft [appellant 1] bij e-mail van 22 december 2021 met bijlagen, waaronder een brief aan executeur [betrokkene 1] , het volgende aan de executeur [betrokkene 1] geschreven:
“Bijgaand de stukken die we besproken hebben.
Ik zal zelf met [verweerster] contact opnemen of zij dit direct met mij wil regelen of dat zij dit ook via jou wil laten lopen.
(…)”
In de bijgevoegde brief staat, voor zover van belang, het volgende [vet door GHSHE]:
“Hierbij doe ik u tevens het verzoek om z.s.m. de gegevens aan mij te sturen van de huurders en de huurovereenkomsten van de 2 panden die in het vruchtgebruik zaten t.w. [adres 1] en [adres 2] (…) [woonplaats] zodat z.s.m. de opstalverzekering kunnen worden overgenomen c.q. een nieuwe opstalverzekering kan worden afgesloten.
(…)
Graag zou ik indien aanwezig ,ook alle stukken en eventuele correspondentie met betrekking tot de 2 panden van de laatste 5 jaar ontvangen.
De voornoemde appartementen [adres 1] en [adres 2] waarvan Mevr. [erflaatster] het vruchtgebruik over heeft gehad zijn op 10 juli 1981 in de memorie van aangifte voor het recht van successie (totaal 68.500 Gulden t.w. 31.084 Euro ) opgenomen en dit bedrag maakt dan ook deel uit van het totale vruchtgebruik van 800.000 Gulden ( 363.024 Euro).
Een aantal familieleden waaronder ikzelf zijn geinteresseerd in een aantal roerende goederen destijds, afkomstig uit ons ouderlijk huis en tevens de lijfgoederen van onze vader welke door Mevr. [erflaatster] in eigendom zijn verkregen na zijn overlijden.
(…)
Ik zal mij in eerste instantie tot de dochter van Mevr. [erflaatster] , Mevr. [verweerster] , hierover wenden.
Indien zij er de voorkeur aan geeft dat via u te laten lopen neem ik hierover weer contact met u op.
Graag wordt ik door u verder geinformeerd over de verdere afhandeling van het vruchtgebruik zodat ik alle overige bloot eigenaren kan informeren.
(…)”
i. Nadat [verweerster] haar moeders nalatenschap op 21 januari 2022 zuiver heeft aanvaard, heeft [appellant 1] in de brief van 20 maart 2022 de executeur [betrokkene 1] het volgende bericht [vet door GHSHE]:
“(…)
Betreffende vruchtgebruik [adres 1] & [adres 2] ;
Graag zou ik van u graag z.s.m. in elk geval een copy van de huurovereenkomst ontvangen van Appartement [adres 1] , (…) en ik wil er namens de eigenaren toch op aandringen dat er snel gezocht wordt naar de huurovereenkomst van [adres 2] .
(…)
U stelt dat het vruchtgebruik wat de panden betreft is afgerond echter dit is pas het geval als de eigenaren ook de beschikking hebben over de huurovereenkomsten wat op dit moment niet het geval is.
Betreft lijst van zaken (kostbaarheden).
Uw conclusie dat Mevr. [erflaatster] eigenaresse was van diverse zaken afkomstig uit het ouderlijk huis van de fam. [appellant 1] is juist.
Derhalve staat dit los van het vruchtgebruik.
Ik heb met [verweerster] overlegt over goederen (kostbaarheden) n.a.v. de lijst in mijn bezit wat indertijd in het bezit is gekomen van Mevr. [erflaatster] .
(…)
Tevens wil ik onder uw aandacht brengen dat de overdracht van de panden slechts een klein gedeelte betreft van de afhandeling van het vruchtgebruik .
Graag zouden wij dan ook een opgave willen over de verrekening van dat
gedeelte van het voormalige vruchtgebruik.”
Bij e-mail van 30 maart 2022 heeft [appellant 1] het volgende aan de executeur [betrokkene 1] geschreven [vet door GHSHE]:
“Ik was in de veronderstelling n.a.v. mijn gesprekken met Mevr. [verweerster] in december 2021 dat u de gehele administratie heeft gedaan van mevr. [erflaatster] en dat u derhalve over de volledige financiële administratie beschikte.
Ik heb vanmorgen gesproken met het notariskantoor en zij hadden al een copy van deze akte van afgifte via de centrale registratie.
De akte van afgifte vruchtgebruik is dus al enige tijd in het bezit van de notaris.
Om u enig inzicht te geven hierbij de volgende opgave;
1) Mevr. [erflaatster] heeft de navolgende zaken ontvangen uit de nalatenschap van Dhr. [vader] .
1) een vruchtgebruik van 800.000 Gulden waaronder het vruchtgebruik over 2 panden t.w. [adres 1] en [adres 2] tegen een inbrengprijs van 68.500 Gulden.
(…)
Wat alle aktes betreft, deze zijn dus in het bezit van de notaris en u kunt ( misschien) een betere copy krijgen via hem of voor informatie omtrent de afgifte van het vruchtgebruik bij hem terecht. Dat geldt voor alle aktes trouwens want ze zijn allemaal geregistreerd dus opvraagbaar voor een notaris.
Zoals ik u al eerder meldde kan er pas sprake zijn vererving aan Mevr. [verweerster] c.q. handelingen worden verricht als erfgename nadat het vruchtgebruik is afgehandeld. Het is dus ook van belang van haarzelf dat het vruchtgebruik wordt afgehandeld zodat zij daarna zelf gerechtigd is beslissingen te kunnen nemen en te beschikken over haar erfdeel.
Wat op dit moment dus nog niet het geval is.”
Bij e-mail van 30 maart 2022 heeft de notaris mr. [notaris] het volgende gestuurd aan de executeur [betrokkene 1] [vet door GHSHE]:
“Ik heb de akte doorgenomen.
(…)
Op pag. 5 beginnen de regels waaronder het vruchtgebruik is/werd gevestigd. Daar staat "dat de vruchtgebruiker geen zekerheid behoeft te stellen', dat betekend dat de vruchtgebruiker niet hoeft te garanderen dat het vermogen er nog (geheel) is aan het eind van het vruchtgebruik.
Pagina 6 geeft onder B aan wat onder het vruchtgebruik valt:
zaken die op een lijst (die wij niet hebben?) vermeld zijn;
- de appartementen [adres 1 en 2] ;
- onverdeeld aandeel in de bloot-eigendom van notes (ik denk obligaties?) in ABN;
- notes NMB, deze twee pakketten noten samen waard fl 483.500.
Die notes/obligaties zijn er (natuurlijk) niet meer want de looptijd was tot 1983.
Op pag. 7 wordt vermeld dat alles zoveel mogelijk te gelde werd gemaakt door de executeur testamentair, en dat vervolgens de gelden op een speciale rekening werden gestort, ten name van de Erven, waarbij het vruchtgebruik ten name van [erflaatster] zou komen. Op die rekening zullen beleggingen plaats vinden, lees ik daar.
Vraag is nu wat er met die rekening gebeurd is?”
In de brief van 4 april 2022 van [appellant 1] aan de executeur [betrokkene 1] staat het volgende [vet door GHSHE]:
“Ik heb gisteren contact gehad met notaris [notaris] .
Ik stuur u een copy van mijn antwoord aan hem en van de memorie van successie
m.b.t. die zaken welke Mevrouw [erflaatster] in vruchtgebruik heeft genomen voor een bedrag van 316.550,29 Gulden inclusief de panden aan de [adres 1 en 2] .
Het andere gedeelte staat vermeld in de akte van afgifte en betreft de verkochte zogenaamde mantels.
Zoals u ziet betreft het.. buiten de 2 panden [adres 1 en 2] ..allemaal kontanten die liquide waren of liquide zijn gemaakt door Dhr. [betrokkene 2] omdat dit de wens was van mevr. [erflaatster] .
De suggestie in de akte van afgifte vruchtgebruik dat er een rekening op naam van
de erven [appellant 1] met als vruchtgebruikster Mevr. [erflaatster] zou zijn, is ons volledig onbekend.
Wij als familie zijn nooit gekend in het feit dat een dergelijke bankrekening zou zijn geopend.
Als die rekening er toch zou zijn met ruim 331.940,22,-- Euro moeten daar ongetwijfeld stukken en afschriften van bestaan over de afgelopen 41 jaar.
Zijn die bankafschriften er niet ,dan bestaat die bankrekening niet en/of heeft nooit bestaan.
Mevr. [erflaatster] heeft indertijd gekozen voor dit deel van 316.500,29 Gulden en een aanvulling vanuit de verkochte mantels ( zie akte)
De eigenaren van het vruchtgebruik willen in elk geval nu zo spoedig mogelijk opgave ontvangen omtrent de afhandeling van het uitstaande gedeelte van het vruchtgebruik en in welke vorm en wanneer dit vruchtgebruik aan de eigenaren wordt teruggegeven.”
In de bijgevoegde brief van 4 april 2022 van [appellant 1] aan de notaris [notaris] staat het volgende [vet door GHSHE]:
“(…) Ik kom hierbij terug op de akte afgifte vruchtgebruik aan Mevr. [erflaatster] .
Ik heb inmiddels na uitvoerig speurwerk ,het uittreksel uit de successie-aangifte gevonden waarin de 316.500 Gulden, die in de akte staat, is vastgelegd.
Mevr. [erflaatster] heeft het gehele vruchtgebruik buiten de panden in kontanten of kontant gemaakte bestandsdelen, ontvangen.
Dhr. [betrokkene 2] , de executeur en gevolmachtigde van mevr. [erflaatster] destijds heeft in de akte van afgifte opgenomen *dat alle vorderingen door hem op zo,n kort mogelijke termijn liquide zouden warden gemaakt*.
Er is nooit door Mevr. [erflaatster] aangegeven dat ondanks de akte van afgifte er deels niet zou zijn voldaan door de erven.
(…)
Echter het is ook niet van belang of een dergelijke rekening nu wel of niet bestaat of heeft bestaan daar de eigenaren van het vruchtgebruik recht hebben op teruggave van het volledige vruchtgebruik alvorens er sprake kan zijn van enige vererving door Mevr. [verweerster] .
Mevr. [erflaatster] heeft het volledige vruchtgebruik in kontanten ( c.q. contant gemaakte bestandsdelen ) ontvangen exclusief de 68.500 [gulden] van de 2 panden aan de [adres 1 en 2] .
De eigenaren van het voormalige vruchtgebruik willen dan ook graag z.s.m. geinformeerd worden over het gedeelte van het vruchtgebruik dat nog niet aan hun is teruggegeven.
(…)”
Bij brief van 22 april 2022 heeft [appellant 1] de executeur [betrokkene 1] opnieuw verzocht de eigenaren van het vruchtgebruik te informeren.
Bij e-mail van 28 april 2022 heeft de executeur [betrokkene 1] [appellant 1] het volgende bericht [vet door GHSHE]:
“De afhandeling van de [adres 1 en 2] heeft mijn aandacht, evenals het door u gestelde vruchtgebruik op het vermogen.
Omdat het huis van [erflaatster] erg vol zit en op diverse plaatsen administratie en boekhouding is opgeborgen, is het tot op heden niet gelukt om inzicht te krijgen in de onderhavige kwestie.
Bovendien heeft [verweerster] vanuit [plaats] haar bedrijf in Italië te runnen, wat op die afstand ook tijdrovende belemmeringen met zich meebrengt, evenals de zorg voor haar schoonmoeder die kort geleden weduwe is geworden en ook de nodige tijd vergt.
Kort samengevat deel ik u mede, dat de afhandeling van de door u gestelde zaken veel meer tijd zal gaan kosten dan voor u kennelijk wenselijk is, maar daar kan ik niets aan veranderen.
Zodra het beeld van het totale vruchtgebruik helder is, zal ik daarover bij terug komen. Omdat ik de kwaliteit van mijn werk wil waarborgen voor mijn cliënt, zal dat de nodige tijd vergen.
(…)”
In april 2022 heeft [appellant 1] gebeld met de executeur [betrokkene 1] om melding te doen van het achterstallig onderhoud.
Bij e-mail van 15 juni 2022 heeft de executeur [betrokkene 1] mevrouw [voormalige gemachtigde] – de voormalige gemachtigde van de erven [appellant 1] – het volgende bericht [vet door GHSHE]:
“Zoals ik in een eerder stadium aan de heer [vader] (jr.) heb kenbaar gemaakt, is er in de administratie van mevrouw [erflaatster] in de afgelopen jaren (decennia) een grote achterstand ontstaan in ordelijk archiveren.
Bovendien zit het huis erg vol en "overal ligt wat", waardoor het verzamelen van alle gegevens die nodig zijn om het juiste antwoord te geven op uw vragen, niet binnen de door u gestelde zeer korte periode kan plaats vinden.
(…)”
In een op l3 juli 2022 uitgebrachte dagvaarding hebben de erven [appellant 1] de executeur [betrokkene 1] , in zijn vermelde hoedanigheid, en [verweerster] in rechte betrokken en afgifte gevorderd van diverse zaken en het onverdeelde aandeel in de twee obligatieleningen, althans afgifte van hetgeen daarvoor in de plaats is getreden, althans betaling van de waarde daarvan, zijnde € 331.486,39. Daarnaast hebben zij schadevergoedingen ten bedrage van € 29.040,00 en € 21.600,00 gevorderd wegens respectievelijk het verzaken, door erflaatster, van het verrichten van onderhoud aan de appartementen en het nalaten om jaarlijks huurverhogingen op te leggen.
Tot zekerheid van betaling hebben de erven [appellant 1] op 27 juni 2022 conservatoir
beslag doen leggen op twee bankrekeningen en op de woning van erflaatster.
Eerste aanleg
3.2.
[verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om haar te machtigen de onderhavige nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden op grond van artikel 4:194a BW.
3.2.1.
De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen bij beschikking van 26 juli 2023. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat waar het de in artikel 4:194a lid 1 BW vermelde termijn van drie maanden betreft, [verweerster] haar verzoek tijdig heeft ingediend. De datum waarop [verweerster] namelijk met de beslagen bekend is geworden, is recenter dan 2 juni 2022 en de informatie die de erven [appellant 1] aan de executeur [betrokkene 1] en de betrokken notaris voor 2 juni 2022 hebben verstrekt, kan niet worden geacht ook bij [verweerster] bekend te zijn nu niet is gesteld of gebleken dat zij [verweerster] ervan in kennis hebben gesteld dat de erven [appellant 1] een vordering op de nalatenschap pretenderen.
De kantonrechter heeft daarnaast geconcludeerd dat op het moment dat [verweerster] de
nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaardde (21 januari 2022), de (potentiële) vordering van de erven [appellant 1] een schuld was die [verweerster] niet kende en ook niet behoorde te kennen. In de correspondentie – de e-mail van 22 december 2021 – is de executeur [betrokkene 1] weliswaar geattendeerd op het (op dat moment geëindigde) vruchtgebruik maar is geen gewag gemaakt van enige geldvordering. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat de enkele bekendheid van [verweerster] met het bestaan van vruchtgebruik op verschillende goederen geen reden is om een extra onderzoekplicht aan te nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht [verweerster] , gezien de in de beschikking gegeven omstandigheden, bij haar keuze afgaan op de mededelingen van de notaris, zonder dat zij zelf nog onderzoek had moeten doen.
Hoger beroep
3.3.
De erven [appellant 1] hebben in hun beroepschrift drie grieven aangevoerd.
I. Anders dan de kantonrechter oordeelt, moet worden vastgesteld of [verweerster] niet al vóór 5 juni 2022 bekend was met de aanspraken van de erven [appellant 1] op de nalatenschap, omdat op het verzoekschrift in eerste aanleg een ontvangststempel staat met de vermelding dat het verzoekschrift bij de rechtbank is ingekomen op 5 september 2022.
II. De erven [appellant 1] stellen dat [verweerster] vóór 5 juni 2022 kennis heeft genomen van de vorderingen van de erven [appellant 1] op de nalatenschap van erflaatster.
Uit de e-mails van 22 december 2021 en 30 maart 2022 van [appellant 1] aan de executeur [betrokkene 1] blijkt dat [appellant 1] al in december 2021 [verweerster] telefonisch heeft geïnformeerd over het recht van vruchtgebruik en meegedeeld dat dit recht van vruchtgebruik nog ‘afgewikkeld’ moet worden.
Verder geldt dat [appellant 1] vanaf december 2021 bij herhaling het recht van vruchtgebruik heeft gemeld aan de executeur [betrokkene 1] (‘afwikkelen’). Ook is de omvang van dit vruchtgebruik gemeld (fl. 800.000,-). De betreffende verklaringen van [appellant 1] heeft de executeur [betrokkene 1] als gevolmachtigde van [verweerster] in ontvangst genomen (artikel 3:60 lid 2 BW jo artikel 3:66 lid 1 BW).
De erven [appellant 1] bieden bewijs hiervan aan en meer specifiek van het feit dat [appellant 1] al in december 2021 telefonisch heeft gesproken met [verweerster] en haar alstoen heeft geïnformeerd over het recht van vruchtgebruik, en ook van het feit dat de executeur [betrokkene 1] de correspondentie tussen [appellant 1] aan de executeur [betrokkene 1] vóór 2 juni 2022 heeft doorgestuurd naar [verweerster] , zulks door het doen horen van hemzelf als [verweerster] als [betrokkene 1] als de notaris als getuigen.
III. De erven [appellant 1] stellen dat er geen sprake is van een onverwachte schuld als bedoeld in artikel 4:194a BW en dat [verweerster] de (potentiële) vorderingen van de erven [appellant 1] op het moment dat zij de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaardde kende dan wel behoorde te kennen.
[verweerster] is al in december 2021 op de hoogte gesteld van het recht van vruchtgebruik en dat dit recht nog ‘afgewikkeld’ moet worden. Op [verweerster] rustte dan ook een onderzoeksplicht naar de gevolgen ervan. Aanstonds moet duidelijk zijn geweest voor haar dat mogelijk een gedeelte van de goederen waarop het recht van vruchtgebruik was gevestigd, niet meer aanwezig was. Het niet voldoen aan de onderzoeksplicht komt voor haar eigen rekening en risico. Dat de notaris [verweerster] mogelijk onjuist heeft geïnformeerd en voorgelicht, moet ook voor rekening van [verweerster] te blijven.
De erven [appellant 1] stellen daarnaast dat de aard van de schuld reeds met zich brengt dat geen sprake kan zijn van een onverwachte schuld in de zin van artikel 4:194a BW. Zie rechtbank Gelderland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3615 over een ouderlijke boedelverdeling en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 februari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4517. De wetgever heeft juist de aanspraken van stiefkinderen (de erven [appellant 1] zijn stiefkinderen van erflaatster) niet onder werking van artikel 4:194a BW willen laten vallen (Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2015-2016, 34 224, nr. 5, bladzijden 10 en 11). Volgens de erven [appellant 1] is er daarnaast geen reden om onderscheid te maken tussen een vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling of aanspraken als gevolg van een vruchtgebruiktestament.
3.3.1.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 maart 2024 hebben de erven [appellant 1] hieraan – kort en zakelijk weergegeven – nog toegevoegd dat [appellant 1] op 22 december 2021 een WhatsApp-bericht naar [verweerster] heeft gestuurd met daarin de volgende inhoud:
“(…) Ik schrijf je even omdat ik [betrokkene 1] heb gesproken vanmorgen. Na het gesprek heb ik hem als woordvoerder van de familie..pfff…een briegmf gestuurd met informatie en met hem overlegd over een lijst van goederen die jouw moeder in haar bezit had uit ons ouderlijk huis. De goederen waren haar bezit dus het is aan jou wat je zelf wilt houden of wat je wilt terug verkopen aan de familie. Op verzoek van [betrokkene 1] stuur ik jou ook de lijst omdat hij het beter vindt dat jij en ik. dat samen onderling regelen. Mocht je dat liever niet willen dan kan het ook via hem. Ik heb hem de lijst ook gestuurd.”
Hieruit blijkt dat [appellant 1] een brief heeft gestuurd aan de executeur [betrokkene 1] en dat [verweerster] werd geïnformeerd over de correspondentie. Er is hierover een duidelijk bewijsaanbod gedaan. [verweerster] heeft op dit WhatsApp-bericht gereageerd dat zij ermee aan de slag gaat en dat zij in januari erop terugkomt. De erven [appellant 1] begrijpen niet dat in januari 2022 de keuze door [verweerster] is gemaakt om de nalatenschap zuiver te aanvaarden. [verweerster] kan namelijk niet ontkennen dat er iets speelde.
De erven [appellant 1] hebben verder aangevoerd dat partiële beneficiaire aanvaarding mogelijk is. Het hof moet per vordering beoordelen of er beneficiair aanvaard kan worden. Het gaat dan om de vordering ten aanzien van het vruchtgebruik dat in december 2021 al onder de aandacht is gebracht en de vordering over de huurkwestie (het achterstallig onderhoud en de lage huur) dat op een later moment onder de aandacht is gebracht.
3.4.
[verweerster] heeft zowel bij verweerschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd tegen de stellingen van de erven [appellant 1] . Kort gezegd komt dit verweer erop neer dat de executeur [betrokkene 1] nimmer de administratie van erflaatster heeft gevoerd, dat hij totaal onbekend was met de administratie van erflaatster en dat hij in de boekhouding van erflaatster niets aantrof dat wees op een vermogen in vruchtgebruik behoudens de twee appartementen. Erflaatster heeft veel administratie bewaard, maar niet alles. Erflaatster was bovendien heel duidelijk geweest over haar nalatenschap, namelijk dat er een vruchtgebruik was betreffende twee appartementen in [woonplaats] en dat er voor de rest geen bijzonderheden waren. Toen [appellant 1] per e-mail van 22 december 2021 contact zocht, was het slechts één week later na het overlijden van erflaatster en was nog niemand bezig met de administratie. [verweerster] hield zich op dat moment bezig met rouwverwerking en de begrafenis. Op het WhatsApp-bericht van [appellant 1] van 22 december 2021 heeft [verweerster] ook als volgt gereageerd:
“Sorry voor m’n late reactie maar heb even quality time met m’n dochter genomen. Ik heb haar net naar het vliegtuig gebracht en ze is net veilig geland. Ik zal na nieuwjaar alles hier een beetje (lekker rustig) gaan uitzoeken, ok?”.
Dat betekent dat alles bij de executeur [betrokkene 1] kwam.
Vervolgens is er gecorrespondeerd in maart 2022 en heeft de executeur [betrokkene 1] gevraagd om meer tijd voor het verzamelen, ordenen en onderzoeken van de administratie die in dozen door het huis verspreid lagen. Er was volgens [verweerster] een diepgaand archiefonderzoek nodig om documenten boven water te krijgen over het vruchtgebruik van veertig jaar geleden. Pas eerst toen de conservatoire beslagen gelegd werden en de vorderingen concreet werden gemaakt in de dagvaarding, realiseerde men zich dat er mogelijk een substantiële vordering kon zijn. Wanneer [verweerster] wel bekend zou zijn geweest met de aanspraken van de erven van [appellant 1] , zou [verweerster] nimmer zuiver hebben aanvaard en zou de notaris dit ook nooit hebben geadviseerd. De akte van vruchtgebruik was volgens [verweerster] op het moment van zuiver aanvaarding niet bekend. Tot slot heeft [verweerster] aangegeven dat partiële beneficiaire aanvaarding niet mogelijk is. Voor zover thans relevant zal het hof bij de beoordeling nader ingaan op het verweer van [verweerster] .
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
Artikel 4:194a BW luidt voor zover thans van belang als volgt:
“1. Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden.”
3.5.2.
Van belang is dus op welk moment [verweerster] de vermeende schuld/aanspraken van de erven [appellant 1] van/op de nalatenschap kende dan wel behoorde te kennen voor de volgende twee vragen:
- 1.
Heeft [verweerster] binnen drie maanden na de ontdekking van de schuld(en) van de nalatenschap het verzoek om alsnog beneficiair te aanvaarden gedaan? Zo nee, dan heeft [verweerster] het verzoek niet tijdig ingediend en leidt dit tot niet-ontvankelijkheid.
- 2.
Zo ja, kende of behoorde [verweerster] als erfgenaam de schuld(en) van de nalatenschap ten tijde van de zuivere aanvaarding op 21 januari 2022 te kennen?
3.5.3.
Voor de beantwoording van de eerste vraag is van belang op welk moment het verzoekschrift bij de kantonrechter is ingediend. Volgens de erven [appellant 1] is dat op 5 september 2022 gedaan. Daar gaat het hof niet in mee en grief I slaagt dus niet. Uit productie 9 bij het verweerschrift in hoger beroep – als onweersproken – blijkt namelijk dat het verzoekschrift op 2 september 2022 is ingekomen bij de Centrale Balie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Gelet op de in artikel 4:194a lid 1 BW vermelde termijn van drie maanden moet daarom voor de ontvankelijkheid van [verweerster] worden vastgesteld of zij niet al vóór 2 juni 2022 bekend was of behoorde te zijn met de aanspraken van de erven [appellant 1] op de nalatenschap.
3.5.4.
Volgens de erven [appellant 1] was [verweerster] al vóór 2 juni 2022 op de hoogte van hun aanspraken. Volgens de erven [appellant 1] was [verweerster] zelfs al in december 2021, en dus voordat zij de nalatenschap zuiver aanvaardde, bekend met de aanspraken van de erven [appellant 1] , althans moest [verweerster] daarmee bekend zijn geweest. De erven [appellant 1] stellen dat de executeur [betrokkene 1] niet alleen als executeur optrad maar ook als gevolmachtigde van [verweerster] en dat de aan de executeur [betrokkene 1] gedane verklaringen moeten worden toegerekend aan [verweerster] gezien artikel 3:60 lid 2 BW jo artikel 3:66 lid 1 BW. Volgens de erven [appellant 1] heeft de executeur [betrokkene 1] de betreffende verklaringen in de e-mails van 22 december 2021 en 30 maart 2022 van [appellant 1] als gevolmachtigde van [verweerster] in ontvangst genomen.
3.5.5.
Het hof volgt de erven [appellant 1] daarin niet. [verweerster] heeft [betrokkene 1] als executeur gemachtigd op grond van artikel 4:145 BW, zoals in het verweerschrift in hoger beroep ook aangevoerd. Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat [verweerster] de executeur [betrokkene 1] heeft aangewezen/gemachtigd om bepaalde zaken te regelen rondom de nalatenschap van haar moeder. De machtiging is een standaardtekst en de inhoud van deze machtiging om als executeur op te treden leidt er niet toe dat de kennis van de executeur [betrokkene 1] ook de kennis van [verweerster] is (zie ook de Parlementaire Geschiedenis behorend bij artikel 4:194a BW). Het hof rekent de kennis van [betrokkene 1] als executeur niet toe aan [verweerster] . Het gaat om (het moment van) de kennis bij [verweerster] zelf als hieronder nader te duiden.
3.5.6.
Het gaat in deze zaak derhalve om de vraag op welk moment [verweerster] zelf de vermeende aanspraken van de erven [appellant 1] op de nalatenschap kende dan wel behoorde te kennen. De erven [appellant 1] hebben daartoe in hoger beroep een concreet bewijsaanbod gedaan. Het hof zal in het kader van de waarheidsvinding de erven [appellant 1] toelaten tot het leveren van bewijs. De erven [appellant 1] mogen middels getuigenverhoren bewijzen dat de executeur [betrokkene 1] de correspondentie tussen hem en [appellant 1] vóór 2 juni 2022 heeft doorgestuurd naar [verweerster] dan wel dat de executeur [betrokkene 1] of anderen [verweerster] over de inhoud ervan heeft/hebben geïnformeerd, als hierna te formuleren.
3.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
4. De beslissing
Het hof:
4.1.
laat de erven [appellant 1] toe tot bewijs van hun stelling dat [verweerster] de aanspraken van de erven [appellant 1] op de nalatenschap kende dan wel behoorde te kennen vóór 2 juni 2022;
4.2.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van de bij dezen benoemde raadsheer-commissaris mr. R.R.M. de Moor, die, nadat de erven [appellant 1] uiterlijk 8 mei 2024 de verhinderdata van beide partijen en die van de te horen getuigen voor de maanden juni tot en met oktober 2024 hebben opgegeven (in het bijzonder op donderdagen), daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze raadsheer-commissaris te bepalen datum of data en
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.W. van Rijkom en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024.