Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.4.2
3.2.4.2 Enkel (of relatief) en dubbel (of absoluut) toekomstige vorderingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473184:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Snijders & Rank-Berenschot 2012/63 en 428, prefereert de terminologie enkel/dubbel toekomstige vordering. Zie ook H.J. Snijders, noot bij HR 26 juni 1992, NJ 1993/449 (Rabobank/Visser). Verhagen/Rongen 2000, p. 54, geven de voorkeur aan absoluut/relatief toekomstige vorderingen. Vgl. Rongen 2012/859.
Faber 1997, p. 196-199.
Vgl. HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING); en Hof ’s-Hertogenbosch 18 september 2012, NJF 2013/56 (AA Netherlands/KBC Commercial Finance). Zie ook Rb. Amsterdam 6 oktober 1982, NJ 1983/563 (Purena). In deze zin ook A-G Timmerman, conclusie voor HR 17 februari 2012, JOR 2012/234, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/605, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Kézér q.q.). en A-G Franx, conclusie voor HR 8 december 1989, NJ 1990/747, m.nt. W.M. Kleijn (WUH c.s./Union Atlantique c.s.).
Vgl. HR 18 januari 2008, NJ 2008/58 (AXA/UWV c.s.); en A-G Hartkamp, conclusie voor HR 15 maart 1991, NJ 1992/605, m.nt. W.M. Kleijn (Veenendaal q.q./Hogeslag).
53. Toekomstige vorderingsrechten worden voorts onderscheiden naar gelang zij een voldoende grondslag hebben in een bestaande rechtsverhouding. Dit onderscheid houdt onder meer verband met de vraag of een toekomstige vordering voorwerp kan zijn van een bij voorbaat verrichte stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW) of stille verpanding (art. 3:239 lid 1 BW), en voor de vraag of op de toekomstige vordering bij voorbaat beslag gelegd kan worden (art. 475 lid 1 Rv). In al deze gevallen is vereist dat de toekomstige vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een bestaande rechtsverhouding.
Bestaat de rechtsverhouding waaruit de toekomstige vordering rechtstreeks zal voortvloeien, dan wordt de vordering aangeduid als een enkel (of relatief) toekomstige vordering. Ontbreekt een dergelijke rechtsverhouding, dan wordt de toekomstige vordering aangemerkt als een dubbel (of absoluut) toekomstige vordering.1 De vorderingen worden ook wel aangeduid als enerzijds niet-volstrekt toekomstige vorderingen en anderzijds volstrekt toekomstige vorderingen.2
Het gebruik van de begrippen absoluut en relatief toekomstige vorderingen kan een bron van verwarring zijn en is om die reden niet aan te bevelen. In de rechtspraak wordt met het begrip absoluut toekomstige vorderingen de ene keer gedoeld op toekomstige vorderingen die zullen worden verkregen uit een niet-bestaande rechtsverhouding,3 en de andere keer op vorderingen die in het geheel nog niet bestaan.4