HR, 10-06-2016, nr. 15/02941
ECLI:NL:HR:2016:1127, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-06-2016
- Zaaknummer
15/02941
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑06‑2016
ECLI:NL:HR:2016:1127, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑06‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2015:2350, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
FED 2016/114 met annotatie van J.A. SMIT
NLF 2017/0301
FutD 2016-1422
Viditax (FutD) 2016061006
Beroepschrift 10‑06‑2016
Cassatiemiddelen
I
Verzuim van vormen, doordat in de procedure bij het gerechtshof het bepaalde in artikel 8:77 eerste lid letter b Awb niet in acht is genomen, doordat het Hof onbegrijpelijk heeft overwogen, althans de onbegrijpelijke overwegingen van de rechtbank tot de hare heeft gemaakt, dat:
- a.
partijen in hoger beroep, in zoverre net als voor de rechtbank, het antwoord op de vragen verdeeld [houdt] of de Inspecteur heeft geweigerd uitspraak te doen en of [X] recht heeft op een dwangsom en op een vergoeding van de (werkelijke) kosten in de bezwaarfase.
- b.
de Inspecteur […] door tijdsdruk en doordat niet alle vereiste gegevens voorhanden zijn [het bezwaar] zonder inhoudelijke toets [kon toewijzen].
- c.
niet is gebleken dat de Inspecteur met die handelswijze een beginsel van behoorlijk bestuur of een andere rechtsregel heeft geschonden.
- d.
[X] haar stelling, dat vooraf met [de Inspecteur] was afgesproken dat in de uitspraak een standpunt zou worden ingenomen of sprake is van inhoudingsplicht, ten aanzien van de vennoten van [X], tegenover de betwisting door [de Inspecteur] niet aannemelijk [heeft] gemaakt.
Zulks ten onrechte, hetgeen hierna nader wordt toegelicht.
II.
Schending van het Nederlands recht, in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 6:2 Awb, 7:11 Awb, 4:17 Awb, 7:15 Awb en 8:73 Awb (zoals van toepassing tot 1 juli 2013 in samenhang met artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten), doordat het Hof heeft overwogen, althans de overwegingen van de rechtbank tot de hare heeft gemaakt, dat:
- a.
het de Inspecteur vrij staat het bezwaar zonder inhoudelijke toets toe te wijzen (overweging Hof);
- b.
nu het bezwaar niet was gericht tegen een besluit van [de Inspecteur], maar tegen afdracht [van loonheffingen op de aangifte van loonheffingen] door [X], geen sprake [kan] zijn van een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb (overweging rechtbank)
- c.
van een weigering een besluit te hemen op onderdelen geen sprake is […] (overweging rechtbank)
- d.
daardoor [de Inspecteur] geen dwangsom verschuldigd is wegens het uitblijven van een rechtsgeldige uitspraak op bezwaar, zoals bedoeld in artikel 4:17 Awb (overweging rechtbank);
- e.
[X] bezwaar heeft gemaakt tegen de eigen afdracht [loonheffingen op aangifte loonheffingen], zodat geen sprake is geweest van het herroepen van een besluit door [de Inspecteur] wegens aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid, zodat het verzoek om [proceskosten]vergoeding in de zin van artikel 7:15 Awb terecht is afgewezen (overweging rechtbank);
- f.
daardoor [ook] het verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 lid 1 Awb (tekst tot 1 juli 2013) moet worden afgewezen;
Zulks ten onrechte, hetgeen hierna nader wordt toegelicht.
Toelichtingen
I. Verzuim van vormen, toelichting
a.
het gerechtshof heeft ten onrechte de vraag of sprake is van een dienstbetrekking voor de loonheffingen als geschilpunt genegeerd. Uit de gedingstukken blijkt dat dit geschil door [X] uitdrukkelijk is opgeworpen en de stelling is ingenomen dat het geschil niet is weggenomen. Het negeren van die stellingen is onbegrijpelijk. Het geschil is onbehandeld gebleven.
b.
uit de gedingstukken blijkt dat de kwestie loopt vanaf 2012. Het gerechtshof gaat niet in op de stelling van [X] dat de Inspecteur al in november 2012 een definitief standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de inhoudingsplicht van P&P en dat van tijdsdruk geen sprake kon zijn. Het gerechtshof gaat niet in op de stelling van [X] dat alle — voor een inhoudelijke beoordeling — vereiste gegevens al geruime tijd ter beschikking staan van de Inspecteur. Door dat niet te onderzoeken laat het gerechtshof de mogelijkheid open dat de Inspecetur het bezwaar uitsluitend heeft toegewezen om aan een oordeel van de rechter te ontkomen terwijl het geschil niet wordt weggenomen. Het mag zo zijn dat de Inspecteur zich mag beperken tot het tijdvak april 2013, maar het kan niet zo zijn dat in april 2013 geen sprake is van een dienstbetrekking en in latere maanden — bij dezelfde feiten, omstandigheden en regelgeving — wel. Een inhoudelijke beoordeling door het gerechtshof van de fiscale positie in april 2013 van de vennoten van [X] mocht daarom niet achterwege blijven.
c.
door [X] is de stelling is ingenomen dat de Inspecteur onrechtmatig en wederrechtelijk heeft gehandeld. Die stelling was onderdeel van het bezwaar. Door te overwegen dat enerzijds niet is gebleken van enige strijd met een algemene beginsel van behoorlijk bestuur of een andere rechtsregel en anderzijds te overwegen dat geheel aan het bezwaar is tegemoet gekomen, ontstaat een tegenstrijdigheid in de gronden waarop het oordeel van het gerechtshof rust.
d.
uit de gedingstukken in de hoger beroepsprocedure, blijkt dat er een afspraak was met de Inspecteur om de kwestie via een snelle bezwaarprocedure over april 2013 voor de rechter te brengen. Nu het gerechtshof de overweging dienaangaande van de rechtbank overneemt heeft zij ten onrechte het bestaan van die afspraak genegeerd, terwijl juist het wel of niet bestaan van die afspraak essentieel was voor het oordeel van de rechtbank. Dat is onbegrijpelijk.
II. Schending van het Nederlands recht, toelichting
a.
op grond van artikel 7:11 Awb dient op de grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats te vinden. Door te overwegen dat dit niet nodig is wordt het recht geschonden. Het kan zo zijn dat de Inspecteur zonder inhoudelijke motivering het bezwaar kan toewijzen, maar dat zal altijd een impliciete heroverweging moeten inhouden zodat (rechtens) het geschil inderdaad wordt weggenomen door toewijzing van het bezwaar.
b.
door te overwegen dat voornoemde heroverweging niet van toepassing is in de situatie van afdracht op eigen aangifte loonheffingen komt het gerechtshof in strijd met artikel 26 lid 2 AWR. Het feit dat aan die afdracht geen formeel besluit van de Inspecteur ten grondslag ligt wil niet zeggen dat de aard van de afdracht zich verzet tegen een heroverweging door de Inspecteur. Juist de afdracht van loonheffingen en de daarbij behorende kwalificatie van de arbeidsrelatie vraagt om zo'n heroverweging, zeker in de situatie dat de afdracht heeft plaatsgevonden op een (informeel) verzoek van de Inspecteur.
c.
artikel 6:2 Awb opent de mogelijkheid om bij afwezigheid van een besluit alsnog beroep in te stellen, zodat een inhoudelijke behandeling kan plaatsvinden. Naar het (impliciete) oordeel van de rechtbank en het gerechtshof kan een gebrekkig besluit, zoals in dit geval, niet op één lijn gesteld worden met een weigering een besluit te nemen. Zo een beperkte uitleg van artikel 6:2 Awb past niet in een gesloten systeem van rechtspleging en is daarom in strijd met het recht. Belanghebbende heeft bovendien gesteld dat in casu de uitspraak zo gebrekkig is, dat zelfs niet kan worden gesproken van een uitspraak in de zin van de Awb en AWR.
d.
indien een gebrekkige uitspraak op één lijn gesteld kan worden met de afwezigheid van een uitspraak in de zin van artikel 6:2 Awb dan zal dit voor de toepassing van artikel 4:17 Awb betekenen dat tot op heden nog geen beschikking op aanvraag is gegeven en mitsdien alsnog een dwangsom verschuldigd is.
e.
door te overwegen dat artikel 7:15 Awb toepassing mist zonder nader te onderzoeken of sprake is geweest van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid (zoals gesteld door [X]), komt het gerechtshof in strijd met het arrest van uw Raad van 19 december 2014, nr. 13/05786, V-N 2015/2.8. Nu uit de gedingstukken blijkt dat [X] uitvoerig heeft toegelicht dat de Inspecteur onrechtmatig en wederrechtelijk heeft gehandeld en bovendien gesteld heeft dat de Inspecteur dit impliciet heeft erkend en niet heeft weersproken, had het gerechtshof moeten onderzoeken of [X] om die reden recht heeft op een (integrale) proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, in de beroepsfase voor de rechtbank en in de beroepsfase voor het gerechtshof.
f.
het gerechtshof heeft het beroep ongegrond verklaard zonder te onderzoeken of sprake is van onrechtmatig handelen door de Inspecteur in de voorbereidende fase, de bezwaarfase en/of de beroepsfase in twee instanties. Het gerechtshof is volledig aan de stellingen dienaangaande van [X] voorbij gegaan. Daarmee heeft het gerechtshof de mogelijkheid opengelaten dat artikel 8:73 lid 1 en lid 2 Awb (tekst vóór 1 juli 2013) toepassing kan vinden. Immers bij de vaststelling dat onrechtmatig is gehandeld door de Inspecteur past een gegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de schadestaatprocedure van artikel 8:73 lid 2 Awb (tekst vóór 1 juli 2013). Een redelijke wetstoepassing zou met zich mee moeten brengen dat die (oude) procedure eveneens geldt voor besluiten in de zin van artikel 6:2 Awb, bij handelen van de Inspecteur in de voorbereidende fase en bij door de Inspecteur erkend onrechtmatig handelen, nu de nieuwe regelgeving vervat in titel 8.4 Awb schadevergoeding in die gevallen toestaat (zij het via een andere verzoeksprocedure).
III. Proceskostenvergoeding
a.
Belanghebbende stelt dat de (boven forfaitaire) werkelijke (proces)kosten in de voorbereidende fase, de bezwaarfase, de beroepsfases en in cassatie nader vastgesteld moeten worden in een schadestaatprocedure zoals bedoeld in artikel 8:73 lid 2 Awb in samenhang met artikel 2 lid 3 Besluit proceskostenvergoeding.
b.
Subsidiair verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, de beroepsfases en in cassatie.
c.
Belanghebbende verzoekt om terugbetaling van het griffierecht in de beroepsfases en in cassatie.
IV. Conclusie
Op grond van het voorgaande moge ik uw Raad in overweging geven:
- —
het cassatieberoep gegrond te verklaren en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 22 mei 2015 met kenmerk BK-14/00374 te vernietigen en de zaak ter inhoudelijke behandeling en afdoening te verwijzen naar een gerechtshof.
- —
de Inspecteur te veroordelen tot de (werkelijke) (proces)kosten en schade zoals die zal blijken uit de schadestaatprocedure van artikel 8:73 lid 2 Awb (tekst van vóór 1 juli 2013) en daarvoor de zaak te verwijzen naar een gerechtshof.
- —
subsidiair, de inspecteur te veroordelen tot de forfaitaire proceskostenvergoeding conform het Besluit Proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, de beroepsfases en in cassatie.
- —
de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht in de beroepsfases en in cassatie;
- —
de Inspecteur te veroordelen tot de dwangsom in de zin van artikel 4:17 Awb.
[X] verzoekt u toe te staan de cassatiemiddelen later aan te vullen en/of nader toe te lichten, indien de inhoud van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 10 april 2015 bij het gerechtshof daartoe aanleiding geeft.
Hoogachtend,
Uitspraak 10‑06‑2016
Inhoudsindicatie
Art. 7:15, lid 2, Awb. Vergoeding kosten ter zake van bezwaar tegen voldoening op aangifte. Omstandigheid dat belanghebbende zich schikt naar wensen Inspecteur en tegen voldoening op aangifte bezwaar maakt, waarna de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaart zonder in te gaan op de gronden van dat bezwaar, vormt onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, lid 2, Awb.
Partij(en)
10 juni 2016
nr. 15/02941
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] V.O.F. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2015, nr. BK-14/00374, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/7894) betreffende een door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak april 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, een vennootschap onder firma met enkele tientallen vennoten, exploiteert een koeriersdienst.
2.1.2.
De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de fiscale positie van de vennoten die als chauffeur in de onderneming werkzaam zijn. Hangende dit boekenonderzoek heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de als vennoten aangeduide chauffeurs bij belanghebbende in loondienst zijn. In zijn brief van 28 maart 2013 informeert de Inspecteur belanghebbende als volgt omtrent de consequenties van dit standpunt:
“Dit betekent dat [X] met ingang van 1 april 2013 aangifte loonheffingen moet doen voor alle bij [X] werkzame chauffeurs. Tegen de over april (en volgende maanden) in te dienen aangifte loonheffingen kunt u bezwaar indienen. De behandeling van het bezwaar tegen de loonheffingen april zal zo voortvarend mogelijk worden opgepakt.”
2.1.3.
Belanghebbende heeft vervolgens over het tijdvak april 2013 aangifte loonheffingen gedaan naar een af te dragen bedrag van € 17.845. Zij heeft tegen de afdracht van een bedrag van € 8591 bezwaar gemaakt. Bij haar bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht om een integrale kostenvergoeding voor de ‘gemaakte en nog te maken’ kosten van de bezwaarfase.
2.1.4.
Nadat belanghebbende de Inspecteur bij brief van 7 augustus 2013 in gebreke had gesteld vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op het bezwaar, en zij de Inspecteur had verzocht alsnog binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar te doen, is de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2013 geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar. De uitspraak op het bezwaar vermeldt onder meer:
“(…)Binnen de hierna te omschrijven kaders wijs ik uw bezwaarschriften toe. Het boekenonderzoek is nog niet afgesloten. De belastingdienst ziet geen kans om voor 22 augustus a.s. een gemotiveerde uitspraak op bezwaar te doen. Ik wijs (…) er met nadruk op dat ik overigens niet heb beoordeeld of de aangifte over april 2013 inhoudelijk juist is. Aan deze toewijzing kunnen derhalve geen rechten worden ontleend met betrekking tot de verschuldigde loonheffingen van genoemde personen voor de maanden volgende op april 2013, noch ten aanzien van niet in de aangifte opgenomen overige vennoten van [X] voor de maand april en volgende maanden.(…)”
Het verzoek om toekenning van een kostenvergoeding en het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft de Inspecteur afgewezen.
2.2.1.
Voor het Hof was, evenals voor de Rechtbank, in geschil of de Inspecteur heeft geweigerd uitspraak op bezwaar te doen en of belanghebbende recht heeft op een dwangsom en op een vergoeding van de (werkelijke) kosten van de bezwaarfase.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat het de Inspecteur vrij stond het bezwaar om hem moverende redenen zonder inhoudelijke toets toe te wijzen en dat niet kan worden gezegd dat de Inspecteur heeft geweigerd uitspraak te doen. Voorts oordeelde het Hof dat de Inspecteur geen dwangsom is verschuldigd, aangezien hij binnen twee weken na de dag waarop hij van belanghebbende een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen, uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar oordeelde het Hof, in navolging van de Rechtbank, dat geen sprake is geweest van het herroepen van een besluit door de Inspecteur wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid, en dat belanghebbende daarom geen aanspraak kan maken op de verzochte kostenvergoeding.
2.3.1.
Voor zover de middelen zich richten tegen het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende geen vergoeding toekomt van de voor de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten, slagen zij.
Op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb worden op verzoek van de belanghebbende de kosten vergoed die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn bezwaar tegen een door een bestuursorgaan genomen besluit, een en ander voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het bepaalde in artikel 7:15, lid 2, Awb kan overeenkomstige toepassing vinden bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte, ook al ontbreekt bij een dergelijke voldoening of afdracht een door de inspecteur daadwerkelijk gegeven beschikking waartegen bezwaar wordt gemaakt. Het ontbreken van een beschikking sluit immers niet uit dat een naderhand gebleken onjuiste voldoening of afdracht van belasting ook dan te wijten kan zijn geweest aan een aan de inspecteur toerekenbare onrechtmatigheid (zie HR 19 december 2014, nr. 13/05786, ECLI:NL:HR:2014:3603, BNB 2015/101).
2.3.2.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende zich bij de afdracht op aangifte geschikt naar de in de hiervoor in 2.1.2 geciteerde brief van 28 maart 2013 neergelegde eis van de Inspecteur en heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afdracht gehonoreerd zonder in te gaan op de gronden van dat bezwaar. Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, lid 2, Awb.
2.3.3.
Bij zijn oordeel dat aan belanghebbende geen vergoeding toekomt van de kosten die zij voor de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, is het Hof derhalve van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De door belanghebbende gemaakte kosten dienen te worden vergoed met toepassing van de bijlage bij het Besluit.
2.3.4.
Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gelet op artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met het bezwaar heeft moeten maken,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 493 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 318,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, alsmede in de kosten van het beroep en het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2478.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.